RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummers : 03.054928.25 + 03.048909.25 (ttz.gev.)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens verdachte] ,
gedetineerd in [detentieadres verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. E. Alija, advocaat kantoorhoudende te Roermond.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 januari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [naam slachtoffer 1] heeft zich in de zaak met parketnummer 03.048909.25 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is op de zitting gehoord, bijgestaan door advocaat mr. L.H.G. Pelzer, advocaat kantoorhoudende te Echt. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03.048909.25, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
parketnummer 03.054928.25
Feit 1: op 19 februari 2025 te Geleen heeft geprobeerd [naam slachtoffer 2] te doden (primair) dan wel [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (subsidiair) dan wel heeft geprobeerd [naam slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meer subsidiair) door met een bestelbus met zwaar beladen aanhanger op [naam slachtoffer 2] in te rijden en/of over het been dan wel de benen van [naam slachtoffer 2] heen te rijden;
Feit 2: op 19 februari 2025 te Geleen onder invloed van cocaïne en/of alcohol een bestelbus met aanhanger heeft bestuurd;
parketnummer 03.048909.25
Feit 1: op 13 februari 2025 te Susteren heeft geprobeerd [naam slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met geschoeide voet tegen haar hoofd te trappen;
Feit 2: op 13 februari 2025 te Susteren [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar (meerdere malen) te slaan en/of trappen tegen het gezicht en/of lichaam en/of te bijten;
Feit 3: op 13 februari 2025 te Echt [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd;
Feit 4: op een of meer tijdstippen in de periode van 6 juli 2024 tot en met 12 februari 2025 te Susteren [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar te slaan en/of te trappen;
Feit 5: op 15 februari 2025 te Susteren een gasalarmpistool voorhanden heeft gehad.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
parketnummer 03.054928.25
De officier van justitie acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het overlijden van aangever [naam slachtoffer 2] . Er ontstaat een aanmerkelijke kans op de dood indien met een bedrijfsbus, met weliswaar een geringe snelheid, maar wel met een zwaar beladen aanhanger, tegen een voetganger wordt aangereden. Het handelen van de verdachte was naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op het doden van [naam slachtoffer 2] , waardoor hij de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.
De officier van justitie acht ook feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Er is geen sprake van een schending van een strikte waarborg, nu de verdachte door de verbalisant is gewezen op het recht op tegenonderzoek, schriftelijk daarvan in kennis is gesteld en in zijn verhoor heeft aangegeven dat het duidelijk voor hem was dat hij het recht op tegenonderzoek had.
parketnummer 03.048909.25
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken van feit 1, nu de aangifte niet wordt ondersteund door ander bewijs in het dossier.
De officier van justitie acht de feiten 2 en 4 wettig en overtuigend bewezen. De aangifte wordt ondersteund door het letsel van aangeefster [naam slachtoffer 1] , het proces-verbaal met betrekking tot de meldingen van de politie en de verklaring van de dochter van [naam slachtoffer 1] .
Tot slot acht de officier van justitie feiten 3 en 5 eveneens wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 03.054928.25
De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit voor feit 1. De verdachte heeft geen (voorwaardelijk) opzet op de dood, noch op zwaar lichamelijk letsel van [naam slachtoffer 2] gehad. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de snelheid van het voertuig ongeveer 7,4 kilometer per uur bedroeg, aanzienlijk lager dan de toegestane snelheid van 30 kilometer per uur, de verdachte niet heeft geaccelereerd of een onverwachte stuurbeweging in de richting van [naam slachtoffer 2] heeft gemaakt, sprake is van eigen schuld aan de zijde van [naam slachtoffer 2] doordat [naam slachtoffer 2] op de weg liep, de laagstaande zon het zicht van de verdachte op de weg kon beïnvloeden en het behulpzame gedrag van de verdachte na het ongeluk bevestigt dat de verdachte geen opzet had op de dood of het toebrengen van letsel. Deze gebeurtenis dient te worden aangemerkt als een ongeluk veroorzaakt door een ongelukkige samenloop van omstandigheden.
De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit van feit 2. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte is geïnformeerd over de uitslag van het bloedonderzoek en het recht op tegenonderzoek. De brief met deze informatie lijkt immers te zijn verstuurd naar het woonadres van de verdachte, terwijl hij op dat moment in voorlopige hechtenis zat, hetgeen bij politie en justitie bekend was. Nu niet voldaan is aan de strikte waarborg uit artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, is geen sprake van een ‘onderzoek’ in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW) en dient het resultaat verkregen uit het bloedonderzoek te worden uitgesloten van het bewijs.
parketnummer 03.048909.25
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 1, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte [naam slachtoffer 1] met geschoeide voet tegen haar hoofd heeft getrapt. Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 5 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met dien verstande dat niet bewezen kan worden dat de verdachte [naam slachtoffer 1] heeft getrapt.
Tot slot heeft de raadsman vrijspraak bepleit van feit 4 wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het dossier bevat geen concrete aanknopingspunten waaruit de mishandeling in de tenlastegelegde periode kan worden afgeleid.
Het oordeel van de rechtbank
parketnummer 03.054928.25
Feit 1
Bewijsmiddelen
Aangever [naam slachtoffer 2] deed aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op 19 februari 2025 liet ik mij ophalen door [verdachte] op mijn thuisadres. Ik stapte in bij [verdachte] . Ik had op het moment dat ik instapte geen letsel. Omstreeks 11.30 uur bevonden wij ons op de [straatnaam 1] in Geleen. Wij reden over de [straatnaam 1] in de werkbus van [verdachte] . Ik kreeg een woordwisseling met [verdachte] . Ik merkte dat hij er moe uitzag en zag aan hem dat hij gedronken had. [verdachte] vertelde ook tegen mij dat hij gedronken had. Ik hoorde aan hem dat hij met dubbele tong sprak en irritant gedrag vertoonde. [verdachte] bestuurde de werkbus. Ik zei tegen hem dat ik klaar was met zijn gedrag. Ik stapte uit de werkbus. [verdachte] reed direct weg met de werkbus en liet mij achter. Ik riep/gebaarde naar [verdachte] en [naam getuige] in de werkbus dat ze mij weer moesten komen halen. Ik zag dat de werkbus terug kwam gereden. Omdat ik weer in de werkbus wilde instappen, liep ik de weg op. Ik zag dat de werkbus naar mij toe gereden kwam in tegengestelde richting. Toen de werkbus vlak bij mij was, zag ik dat de werkbus niet stopte, maar dat hij doorreed. Ik sloeg met een hand op de motorkap van de werkbus. Dit was ter hoogte van de bestuurderszijde. Ik deed dit omdat de werkbus niet stopte. Ik sprong aan de kant. Ik zag dat de werkbus verder doorreed en dus niet stopte. Ik zag dat de bestuurder ( [verdachte] ) een directe stuurbeweging maakte naar links. Ik zag dat het linker voorwiel draaide. Het kan niet anders dan dat [verdachte] mij gezien heeft en dat [verdachte] wist dat ik daar stond. Ik zag dat het linker voorwiel van de werkbus over mijn rechtervoet heen reed. Ik hoorde een harde knak afkomstig van mijn been. Ik viel achterover. Ik voelde een hele heftige pijn in mijn rechterbeen/voet. Deze pijn is ontstaan als gevolg van de aanrijding doordat de werkbus over mij heen reed. Ik werd vervolgens om 18.00 uur ongeveer wakker op de recovery afdeling van het UMC in Maastricht. Ik kwam uit de operatie en ik zag dat ik aan beide benen was geopereerd. Het andere been moet dus ook letsel hebben opgelopen door de aanrijding. Ik heb een operatie ondergaan aan beide benen. Ik heb nog een operatie in het vooruitzicht voor mijn rechterbeen. Daar moet nog een pin ingezet worden.
Rechterbeen: kuit en scheenbeen gebroken.
Linkerbeen: enkel gebroken en een open botbreuk.
In de geneeskundige verklaring is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld:
Uitwendig waargenomen letsel: open onderbeenbreuk rechts, open enkel luxatie links.
Datum waarop [naam slachtoffer 2] werd onderzocht: 19-2-2025.
Patiënt is opgenomen en heeft operaties ondergaan in verband met bovengenoemde letsels.
Getuige [naam getuige] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op 19 februari 2025 zaten wij met drie personen in de werkbus: [naam slachtoffer 2] , [verdachte] en ik. [verdachte] bestuurde de bus. Wij gingen bij [naam 1] een minigraver ophalen. Vervolgens ontstond ruzie tussen [verdachte] en [naam slachtoffer 2] . Ik zag dat [naam slachtoffer 2] uitstapte. Wij reden verder. Ik zei tegen [verdachte] : “Wij moeten ons omdraaien, kunnen hem hier niet laten staan.” [verdachte] draaide het voertuig om en wij reden terug in de richting van [naam slachtoffer 2] . Ik zag dat [naam slachtoffer 2] midden op de weg stond. Ik zag dat [naam slachtoffer 2] voor de werkbus ging staan en met twee vuisten, vanuit de bestuurder gezien, op de linkerzijde van de motorkap sloeg. [verdachte] reed stapvoets verder en ik hoorde bonk, bonk.
Verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hebben – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Op 19 februari 2025 had op de [straatnaam 1] , gelegen binnen de als zodanig aangegeven bebouwde kom van Geleen in de gemeente Sittard-Geleen, het (verkeers)misdrijf plaatsgevonden. Wij stelden een onderzoek in naar de toedracht van het (verkeers)misdrijf. Bij het (verkeers)misdrijf waren een bedrijfsauto, een aanhangwagen en een voetganger betrokken.
Wij stelden vast dat:
- het zicht voor de betreffende bestuurder van de bedrijfsauto door de wegsituatie en/of de
inrichting van de weg niet belemmerd werd;
- de zonneklep, gemonteerd tegen de dakhemel ter hoogte van de bestuurderszitplaats, naar
beneden geklapt was.
Wij zagen dat het zicht door de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van dit voertuig niet werd belemmerd door de voorwerpen en/of verkleuringen. Het zicht op personen en/of voorwerpen welke zich voor dan wel links naast het voertuig bevonden werd, buiten de carrosserievorm i.c. de linker A-stijl en de daaraan gemonteerde buitenspiegel, niet belemmerd.
De ledige massa van de bedrijfsauto is 1.916 kg en de ledige massa van de aanhangwagen is 621 kg. De aanhangwagen was beladen met een minigraver en een trilplaat. Aan de minigraver was een typeplaat aangebracht en uit de daarop vermelde gegevens werd afgeleid dat de minigraver een eigen, ledig gewicht had van 1.565 kg. De trilplaat werd geschat op een eigen gewicht van 50 kg, zodat de gekoppelde aanhangwagen een totaalgewicht had van ongeveer (621 + 1.565 + 50 =) 2.236 kg.
Op basis van het beschikbare beeldmateriaal kon de onderlinge afstand worden berekend. De betrokken voetganger loopt (nagenoeg) in een rechte lijn op de rijbaan in de richting van de naderende bedrijfsauto. In het frame 340 bevindt hij zich op een positie in het verlengde van de rechter achterhoek van de in het 4e parkeervak geparkeerde personenauto.
Deze posities zijn in gebruikte tekenprogramma door schaalmodellen weergegeven. Tussen deze posities werd een afstand van ongeveer 8,2 meter i.c. ruim 8 meter vastgesteld.
Wij, verbalisanten, merken hierbij op dat de afstanden indicatief zijn.
In werkelijkheid hebben zij uiteraard op een grotere afstand zicht op elkaar, elkaars nadering en bewegingen kunnen hebben.
De veegsporen op de motorkap van de bedrijfsauto zijn, gelet op hun positie aan het voertuig en de uit het beschikbare beeldmateriaal af te leiden positie van de betrokken voetganger, ontstaan bij het eerste botscontact en/of het over korte afstand meevoeren van de voetganger tijdens de voorwaartse beweging. Door de verdere voorwaartse beweging van de bedrijfsauto heeft de voetganger zich verplaatst langs de linker flank van de bedrijfsauto. Gelet op het later vastgestelde beenletsel bij de betrokken voetganger is deze zeer waarschijnlijk overreden door het linker achterwiel van de betrokken bedrijfsauto.
Op basis van het beschikbare beeldmateriaal kon de naderingsnelheid van het betrokken samenstel van voertuigen indicatief worden bepaald en deze bedroeg ongeveer 2,06 m/s oftewel 7,4 km/uur. Tussen het moment dat de beide betrokkenen in het beschikbare beeldmateriaal samen te zien zijn tot het moment van het (eerste) botscontact verstreek ongeveer een tijd van 2,2 seconden. Uitgaande van de berekende indicatieve gemiddelde snelheid van 2,06 m/s en de minimaal door het bedrijfsvoertuig te behalen remvertraging van 5 m/s2 had de bestuurder een remtijd van (2,06 : 5 =) 0,4 seconden nodig en een remweg van 0,4 meter. Er mag verwacht worden dat het betrokken bedrijfsvoertuig ook in staat was om een hogere vertraging te behalen i.c. om nog eerder en/of over kortere afstand tot stilstand kon komen. De bestuurder van de betrokken bedrijfsauto had derhalve voldoende tijd en afstand om zijn voertuig tot stilstand te brengen, voordat het kwam tot een botsing met de op hem toelopende voetganger.
Verbalisant [naam verbalisant 3] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Ik heb mp4 [bestandsnaam] bekeken. Ik constateerde dat de datum- en tijdsaanduiding, die op het multimediabestand mp4 [bestandsnaam] staan, overeenkwamen met het werkelijke moment waarop het multimediabestand gemaakt
is.
Beschrijving voertuig (hierna genoemd V1): V1 is een blauwkleurige bestelwagen. V1 heeft een aanhanger met daarop een kleine oranjekleurige graafmachine.
Beschrijving persoon (hierna genoemd NN): NN is een man met een normaal tot fors postuur en een lichte huidskleur.
Verbalisant [naam verbalisant 3] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Ik heb mp4 [bestandsnaam] bekeken en beluisterd. Ik zag rechtsboven in beeld 2025-02-19 11:43:33. Ik zag en hoorde V1 vanuit links in beeld komen rijden op een relatief stationaire snelheid. Rechtsboven in beeld zag ik 2025-02-19 11:43:36 staan. Ik zag NN vanuit rechts in beeld over de openbare weg komen lopen. Ik zag NN op de koers van V1 staan. Ik zag dat er op dit moment ongeveer de lengte van V1 als afstand tussen V1 en NN zit. Ik zag V1 recht op NN afrijden. Rechtsboven in beeld zag ik 2025-02-19 11:43:38 staan. Ik zag en hoorde V1 met de voorkant tegen NN aan rijden. Ik zag NN tijdens de aanraking met V1 zijn beide handen op de motorkap slaan. Ik hoorde de motor van V1 accelereren. Ik zag V1 naar links afbuigen. Ik zag V1 naar rechts uit beeld rijden. Vervolgens zag ik NN op de grond liggen en hoorde ik, wat voor mij klonk als, pijnkreten.
De rechtbank heeft de omschreven beelden ter terechtzitting bekeken en het volgende waargenomen en bij monde van haar voorzitter medegedeeld:
Om 11:43:38 uur maakt [naam slachtoffer 2] een beweging met zijn handen richting de motorkap. De bestelbus maakt op dat moment een kleine beweging naar rechts. Om 11:43:39 uur wordt [naam slachtoffer 2] geraakt. De bestelbus maakt een kleine stuurbeweging naar links.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [naam slachtoffer 2] op 19 februari 2025 in Geleen is aangereden door een bestelbus die bestuurd werd door de verdachte waarbij [naam slachtoffer 2] letsel heeft opgelopen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag (zoals primair ten laste is gelegd). Hierbij stelt de rechtbank vast dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om te concluderen dat de verdachte daadwerkelijk de intentie had om [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte door zijn gedragingen in voorwaardelijke zin opzet kan hebben gehad op de dood van [naam slachtoffer 2] . Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat door een bepaald handelen een bepaald gevolg intreedt.
Om deze vraag te beantwoorden, moet de rechtbank eerst vaststellen of er een aanmerkelijke kans bestond dat [naam slachtoffer 2] gedood kon worden door de handelingen van de verdachte. Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of de verdachte deze kans willens en wetens heeft aanvaard. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het kwalijke gevolg zal intreden, in dit geval de dood van [naam slachtoffer 2] . De aard van het risico en het gevaarzettend karakter van de gedraging op zichzelf zijn hierbij niet bepalend.
De rechtbank is van oordeel dat het inrijden met een bestelbus met zwaar beladen aanhanger op een voetganger die recht voor die bus loopt de aanmerkelijke kans op de dood van die voetganger met zich brengt. Hoewel de indicatieve snelheid van ongeveer 7,4 kilometer per uur relatief laag is, betekent dat niet dat daardoor geen aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan. De impact van een botsing hangt immers niet alleen af van de gereden snelheid, maar ook van de massa van het object, in dit geval de bestelbus met een aanhanger met daarop een graafmachine. Louter de beladen aanhanger had al een gewicht van ongeveer 2.236 kilogram. Het totale gewicht, van de bestelbus gecombineerd met de aanhanger en belading, bedroeg meer dan 4.000 kilogram. Het is de combinatie van snelheid en de massa die bepalend is voor de botsenergie en de daarmee samenhangende aanmerkelijke kans op dodelijk of zwaar lichamelijk letsel. Naar het oordeel van de rechtbank had [naam slachtoffer 2] als voetganger, ook bij deze relatief lage indicatieve snelheid, geen schijn van kans tegenover deze loodzware combinatie en was de kans op de dood aanmerkelijk.
De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank dat gevolg ook willens en wetens aanvaard en overweegt daartoe als volgt. Op de beelden van het voorval is te zien dat [naam slachtoffer 2] ten minste zo’n twee seconden lang voor de hem tegemoet rijdende, door de verdachte bestuurde, bestelbus stond. Uit forensisch onderzoek naar die beelden blijkt dat de verdachte en het slachtoffer elkaar ten minste over een afstand van acht meter hebben kunnen zien. Gelet ook op hetgeen getuige [naam getuige] daarover heeft verklaard, kan het niet anders zijn dan dat dat voor de verdachte ook te zien is geweest. Bovendien is uit het forensisch onderzoek niet gebleken dat aan de verdachte het zicht (totaal) ontbroken moet hebben. Desondanks reed de verdachte door en raakte [naam slachtoffer 2] . Nadat de verdachte [naam slachtoffer 2] met de bestelbus heeft geraakt, maakte hij een kleine stuurbeweging naar links, naar de kant van de weg waar [naam slachtoffer 2] zich bevond. De verdachte heeft niet geremd of weggestuurd, terwijl hij voldoende tijd en afstand had om zijn voertuig tot stilstand te brengen.
Het gevaar van het handelen van de verdachte moet voor de verdachte, net als voor ieder ander, duidelijk zijn geweest. Uit de gedragingen van de verdachte leidt de rechtbank af dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [naam slachtoffer 2] dan ook bewust heeft aanvaard. De raadsman heeft erop gewezen dat ook aan [naam slachtoffer 2] een verwijt te maken valt en doet een beroep op eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. Aan dit (civielrechtelijke) standpunt heeft de raadsman geen (strafrechtelijke) conclusie verbonden. Los daarvan, lijkt hierbij uit het oog te worden verloren dat het de verdachte is die met deze loodzware combinatie op [naam slachtoffer 2] inrijdt en het de verdachte is geweest die had kunnen én had moeten stoppen.
De rechtbank acht aldus feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen.
Vrijspraak feit 2
Volgens vaste jurisprudentie is van een (bloed)onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) slechts sprake indien de strikte waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot de strikte waarborgen behoort onder meer het in artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: BADG) genoemde recht dat de verdachte kennis kan nemen van het resultaat van het bloedonderzoek, een tegenonderzoek kan overwegen en zo zijn verdediging adequaat kan voorbereiden. Deze kennisgeving geschiedt door schriftelijke toezending van het resultaat van het bloedonderzoek binnen een week na ontvangst van het verslag. Daarbij is de bedoeling de uitslag van het bloedonderzoek daadwerkelijk ter kennis van de betrokkene te brengen.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat op 19 februari 2025 bij de verdachte bloed is afgenomen conform het BADG. Door verbalisant [naam verbalisant 4] is de verdachte na de bloedafname gewezen op de mogelijkheid van tegenonderzoek, indien het verslag van het bloedonderzoek het vermoeden zou bevestigen dat de verdachte artikel 8 WVW heeft overtreden.
De rechtbank stelt verder vast dat de uitslag van het bloedonderzoek van het rapport van
3 maart 2025, op 6 maart 2025 is verstuurd naar het BRP-adres van de verdachte, te weten [woonadres verdachte] . De verdachte bevond zich op dat moment echter al twee weken in voorlopige hechtenis. De in deze brief vermelde mededeling dat de verdachte recht heeft op tegenonderzoek en binnen vier weken na dagtekening van de brief de onderzoekskosten voor dit tegenonderzoek dient te betalen, omdat anders het recht op tegenonderzoek vervalt, heeft de verdachte aldus niet op tijd bereikt.
De uitslag van het bloedonderzoek is in dit geval weliswaar binnen de wettelijke termijn medegedeeld, maar die mededeling heeft de verdachte niet of pas later bereikt omdat hij in detentie zat. De rechtbank kan niet vaststellen wanneer de verdachte de brief heeft gehad en of hij die brief enkel heeft gekregen als onderdeel van het strafdossier. De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte de desbetreffende brief niet heeft ontvangen.
Gelet op bovengenoemde gang van zaken en in aanmerking genomen dat de verdachte sinds 19 februari 2025 onafgebroken heeft vastgezeten en de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen wanneer de verdachte daadwerkelijk op de hoogte is geraakt, kan de rechtbank niet vaststellen of de verdachte een reële mogelijkheid heeft gehad om het tegenonderzoek te doen uitvoeren. De bewaartermijn van een bloedmonster is immers slechts 6 maanden na dagtekening van het rapport met de uitslag. De rechtbank stelt vast dat de strikte waarborg van artikel 17 BADG niet is nageleefd. De rechtbank is van oordeel dat het bloedonderzoek daarom niet kan bijdragen aan het bewijs. Dit rechtsgevolg is ingrijpend maar gerechtvaardigd. Een bloedonderzoek kan een groot verschil maken voor de bewezenverklaring en de straf. Daarom hebben verdachten het wettelijke recht om het resultaat daarvan te laten controleren door een tweede deskundige. Als de verdachte dit niet heeft kunnen doen door een omstandigheid waarvoor de politie verantwoordelijk is, zou een belangrijk deel van zijn veroordeling worden gebaseerd op bewijsmateriaal dat hij niet heeft kunnen bestrijden. Dat hebben de wetgever en de Hoge Raad niet toegelaten.
De rechtbank zal de verdachte daarom van feit 2 vrijspreken.
parketnummer 03.048909.25
Vrijspraak feit 1
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van dit feit moeten worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte [naam slachtoffer 1] met geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt.
Feiten 2, 3 en 4
Bewijsmiddelen
Aangeefster [naam slachtoffer 1] deed aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op 23 maart 2024 heb ik mijn vriend [verdachte] leren kennen. Wij kregen een relatie. In de tijd dat wij een relatie hadden, gebeurde het vaker dat [verdachte] mij sloeg tegen mijn hoofd aan en dat hij mij schopte. De eerste keer dat [verdachte] mij mishandeld had, was in de tijd dat wij een relatie hadden. Ik gok dat dit in juli 2024 was. Ik was toen thuis op de [straatnaam 2] in Echt. [verdachte] en ik kwamen toen terug van op stap gaan. Toen wij thuis kwamen, wilde [verdachte] mijn telefoon controleren. [verdachte] werd boos en sloeg mij toen. Hij sloeg mij tegen mijn hoofd aan met zijn vlakke hand. Ik was heel erg bang voor hem. Ik viel op de grond doordat [verdachte] mij tegen mijn hoofd sloeg. Toen ik op de grond lag, trapte [verdachte] mij tegen mijn rug en tegen mijn been.
Op een gegeven moment in de zomer kwam mijn dochter thuis. [verdachte] had mij toen neergeslagen. Ik lag toen op de grond. Toen had hij mij op mijn linker scheenbeen geschopt.
In november zijn we ook een keer op stap geweest in Sittard. Na het uitgaan, ging ik naar de wc in het café. Toen ik uit het toilet liep en naar [verdachte] liep, kreeg ik uit het niets een klap in mijn gezicht.
Op 13 februari 2025 was ik bij mijn vriend [verdachte] op de [woonadres verdachte] . [verdachte] zei tegen mij: “Ga naar je andere vriend. Ga naar je kankerdochter. Ik haat je. Ik wil je nooit meer zien. Je profiteert van mij.” Omdat hij vaker herhaalde dat ik naar huis moest gaan, kleedde ik mij aan en wilde naar huis gaan. Ik pakte mijn telefoon en autosleutels. [verdachte] wilde mij tegenhouden zodat ik niet het huis zou verlaten. Ik duwde [verdachte] . [verdachte] viel toen. Toen zei hij: “Sla je mij?” Ik ging zitten op een bankje voor het bed. [verdachte] ging voor mij staan. [verdachte] sloeg met zijn vlakke rechterhand tegen de linker zijkant van mijn gezicht.
Ik viel toen op de grond in een foetushouding. Toen voelde ik dat [verdachte] aan mijn haar trok. Ik voelde dat [verdachte] mij sloeg en trapte. Ik zag dat [verdachte] zijn been optrok en mij trapte. Ik voelde dat [verdachte] tegen mijn linkerzij en rug trapte. Ik voelde toen hele erge pijn. Ik lag in de foetushouding op mijn rechterzij. [verdachte] riep tegen mij dat ik moest gaan. Ik deed voorzichtig mijn jas aan en pakte mijn telefoon. Ik deed dit voorzichtig omdat ik veel pijn had en zodat [verdachte] dit niet zou opmerken. Ik ben toen zo snel mogelijk weggegaan. Ik reed toen met mijn auto weg naar de [straatnaam 3] richting Echt. Ik zag politie staan. Ik vroeg of er mensen op het politiebureau waren. De politieagent vertelde mij dat ik naar het bureau moest rijden. Ik ben hier toen heengegaan en heb mijn verhaal verteld.
Tijdens de aangifte word ik de hele tijd gebeld door [verdachte] . Ik vind dit heel erg eng en durf niet naar huis toe. Ik krijg berichtjes die ik heel erg dreigend vind. Ik stuur een screenshot van de berichten naar de politie om te voegen bij de aangifte.
Bij de aangifte is een fotoblad als bijlage toegevoegd waarop foto’s staan weergegeven waarop onder meer letsel in het gezicht, in de zij, op de rug, op de arm, op het been en in de nek is te zien.
Bij de aangifte is een screenshot van een chatgesprek als bijlage gevoegd waarin de verdachte onder meer het volgende zegt:
Ich ving dich (de rechtbank begrijpt: ik vind je)
En maak dieg kapot opdeze maneer (de rechtbank begrijpt: en maak je kapot op deze manier)
In de geneeskundige verklaring is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld:
Uitwendig waargenomen letsel: hematoom aangezicht links onder de oogkas, hematoom li ribbenkast en voetafdruk, bijtwond linker onderarm en blauwe plekken, bloed in de mond;
Datum waarop [naam slachtoffer 1] werd onderzocht: 13-2-2025.
Met vermoeden breuk aangezicht naar de Spoedeisende Hulp (SEH) te Roermond gestuurd.
Geschatte duur van de genezing: vier weken.
Aangeefster [naam slachtoffer 1] heeft over het incident van 13 februari 2025 aanvullend – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op een gegeven moment komt [verdachte] voor mij staan. Ik zag en voelde dat hij me bij mijn blouse vastpakte. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met zijn platte hand in mijn gezicht sloeg terwijl hij mij bij mijn blouse vasthield. Ik duwde [verdachte] van mij af. Ik kan mij herinneren dat ik op de grond beland ben. Ik voelde door de klap in mijn gezicht een behoorlijke dreun. Ik werd hier duizelig van en voelde pijn in mijn gezicht. Ik kreeg hoofdpijn van deze klap. Toen ik op de grond lag, hield ik mijn armen voor mijn gezicht om mij te beschermen. Ik voelde en ik zag dat [verdachte] met zijn voet mij trapte. Ik voelde dat dit met behoorlijke kracht
was. Ik zag dat zijn voet mij in mijn zij raakte. Ik voelde ook klappen in mijn zij en hier voel ik nog steeds pijn. Ik zag en ik voelde dat [verdachte] mij in mijn linker arm beet. De afdruk van zijn tanden staan nog steeds in mijn arm.
Verbalisant [naam verbalisant 5] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Hierbij weergegeven een overzicht van de meldingen die binnen de politiesystemen
werden aangetroffen tussen de betrokkenen [naam slachtoffer 1] en [naam 2] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]). Het overzicht behelst de meldingen vanaf juli 2024 tot heden.
6 juli 2024
Buurtbewoners hadden melding gemaakt van hevige ruzie op nummer [huisnummer] (de rechtbank begrijpt: in Echt). Melders hadden aangegeven dat het al minimaal twintig minuten bezig was waarbij ze veel geschreeuw en een huilende buurvrouw hoorden. Ter plaatse daar deed [naam slachtoffer 1] de deur open. Tevens zag men bloed op het shirt van [naam slachtoffer 1] zitten. Verbalisanten [naam verbalisant 6] en [naam verbalisant 7] zijn naar boven gelopen waar [verdachte] , die vriend van [naam slachtoffer 1] , aanwezig was. Verbalisanten [naam verbalisant 8] en [naam verbalisant 9] zijn beneden gebleven bij [naam slachtoffer 1] . [naam slachtoffer 1] gaf aan dat er inderdaad ruzie was geweest en dat [verdachte] met spullen heeft gegooid en hard heeft geschreeuwd.
20 augustus 2024
Wij reden tijdens de surveillance over de [straatnaam 2] te Echt. Wij zagen thv huisnummer [huisnummer] een viertal personen waarvan twee personen al vechtend over de grond rolden. Er bleek ruzie te zijn tussen [naam slachtoffer 1] en [verdachte] . Men had ruzie omdat [verdachte] dacht dat [naam slachtoffer 1] vreemdging. [naam slachtoffer 1] liet ons letsel zien, oud letsel. Binnen de relatie zou sprake zijn van huiselijk geweld aldus [naam slachtoffer 1] . De minderjarige dochter van [naam slachtoffer 1] was getuige van het geheel. Zij heeft ook fysiek geweld gebruikt idrv (de rechtbank begrijpt: in de richting van) [verdachte] om het geweld van [verdachte] richting [naam slachtoffer 1] te stoppen.
27 oktober 2024
Wij zagen dat de dochter van [naam slachtoffer 1] had gebeld en dat zij samen met haar moeder voor
de deur van het adres van [naam slachtoffer 1] waren. Dochter gaf aan dat haar moeder mishandeld was door [verdachte] . Wij zijn naar het adres van [naam slachtoffer 1] op de [straatnaam 2] [huisnummer] in Echt gereden. Eenmaal ter plaatse zagen wij [naam slachtoffer 1] voor de deur zitten samen met haar dochter en een vriendin van dochter. [naam slachtoffer 1] verklaarde dat ze samen met [verdachte] op stap was geweest in Susteren bij [naam cafe] . Aldaar zou een ruzie zijn ontstaan tussen beiden waarna zij samen in de auto zijn gestapt. [verdachte] zou [naam slachtoffer 1] op haar lip hebben geslagen en bij haar keel gegrepen hebben. Hierna was [naam slachtoffer 1] uit de auto gesprongen en er vandoor gegaan.
10 november 2024
Vanuit OC gestuurd naar de [straatnaam 3] Noord in Sittard. Hier zou [naam slachtoffer 1] mishandeld zijn door haar vriend [verdachte] . Ter plaatse de auto met Nederlands kenteken [autokenteken] aangetroffen in de berm ter hoogte van de rotonde bij de [straatnaam 3] Noord in Sittard. [naam slachtoffer 1] kwam verderop aangelopen. Ze zou zich in de struiken hebben verstopt. [naam slachtoffer 1] vertelde dat ze samen met [verdachte] uit was gegaan in [naam uitgaansgelegenheid] in Sittard. [naam slachtoffer 1] vertelde dat ze naar de wc was gegaan in [naam uitgaansgelegenheid] . [verdachte] dacht dat ze wat anders aan het doen was. [verdachte] heeft vervolgens ruzie gehad in [naam uitgaansgelegenheid] en had klappen uitgedeeld. Hierna is hij [naam uitgaansgelegenheid] uitgezet. [naam slachtoffer 1] is hierna ook naar buiten gegaan. [naam slachtoffer 1] vertelde dat ze haar auto ingestapt zijn. [verdachte] en [naam slachtoffer 1] kregen ruzie in de auto. [naam slachtoffer 1] is uit de rijdende auto gesprongen en heeft hierna de politie gebeld. [naam slachtoffer 1] vertelde dat ze voordat ze uitgingen bij [naam uitgaansgelegenheid] ook al een conflict had gehad met [verdachte] . Hierbij zou ze ook geslagen zijn.
Verbalisant [naam verbalisant 6] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Op 14 februari 2025 was ik doende met het opnemen van een aanvullende verklaring van slachtoffer [naam slachtoffer 1] . Ik zag toen dat het letsel in het gezicht van [naam slachtoffer 1] erger was geworden ten opzichte van 13 februari [2025]. Op 15 februari 2025 was ik doende met het opnemen van een aanvullende verklaring van de dochter van slachtoffer [naam slachtoffer 1] . [naam slachtoffer 1] was zelf ook aanwezig. Ik zag dat het letsel van [naam slachtoffer 1] erger was geworden in het gezicht. Ik vroeg aan
[naam slachtoffer 1] hoe het momenteel met haar ging. Ik hoorde dat ze tegen mij zei dat het niet
goed ging en dat ze doodsbang is voor verdachte [verdachte] . Ik hoorde dat [naam slachtoffer 1] tegen mij zei dat de pijn in haar zij en in haar rug erger was geworden. Op 16 februari 2025 ging ik de foto’s die gemaakt zijn op 13, 14 en 15 februari van het letsel van [naam slachtoffer 1] naast elkaar leggen en met elkaar vergelijken. Ik zag als eerst dat het letsel in het gezicht van [naam slachtoffer 1] erger was geworden. Ik zag namelijk dat de linkerhelft van het gezicht helemaal paars/rood was geworden op de wang en onder het oog. Ik zag ook dat de linkerhelft van het gezicht een verzakking vertoonde. Wat betreft het letsel aan de linkerzij en de rug zag ik dat er minimaal drie duidelijke blauwe plekken tevoorschijn waren gekomen die op de foto’s van 13 februari nog niet te zien waren. Ik zag dat het letsel op de linkerarm van [naam slachtoffer 1] , waar [naam slachtoffer 1] aangaf gebeten te zijn door [verdachte] , dat hier een grote, blauwe kring omheen te zien was. Ik zag dat deze nu duidelijker te zien was dan op de foto’s van 13 februari.
Getuige [getuige] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
U vraagt mij om te vertellen wat ik weet over de relatie tussen [verdachte] en [naam slachtoffer 1] , mijn moeder. Ik lag een keer net, twee minuten, in bed. Ik hoorde [verdachte] schreeuwen vanuit de woonkamer. Ik hoorde mijn moeder zeggen dat hij naar bed moest komen. Ik kleedde me aan en liep de woonkamer in. Ik zag dat [verdachte] met kracht mijn moeder tegen de muur aanduwde en naar haar schreeuwde. Ik zag ook weer die kwade blik in zijn ogen. Ik hoorde mijn moeder ook tegen de muur aan vallen. Na de eerste keer dat [verdachte] werd aangehouden en meegenomen door de politie, heb ik tegen mijn moeder gezegd dat ik wist dat de blauwe plekken van [verdachte] afkomen. Laatst, ongeveer een maand geleden, zag ik dat mijn moeder een blauw oog had toen ze terug was gekomen van [verdachte] . Ik hoorde dat mijn moeder tegen me zei dat ze beter thuis kon blijven omdat [verdachte] agressief was geworden. Voordat mijn moeder naar [verdachte] toe ging, had zij nog geen zichtbaar letsel. Toen mijn moeder hiervan terugkwam, zag ik dat zij een blauw oog had.
De verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:
Ik heb haar op 13 februari 2025 twee tot drie keer geslagen. Er zijn vaker slaande ruzies geweest. Dit was niet de eerste keer.
Bewijsoverweging ten aanzien van feiten 2, 3 en 4
Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank feiten 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 5
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte zulks ter terechtzitting heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 27 januari 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2025;
- de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 15 februari 2025;
- het proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 15 februari 2025.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
parketnummer 03.054928.25
Feit 1
op 19 februari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een door hem, verdachte, bestuurde bestelbus met zwaar beladen aanhanger, is ingereden op die [naam slachtoffer 2] , en (vervolgens) over het been dan wel de benen van die [naam slachtoffer 2] heen is gereden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
parketnummer 03.048909.25
Feit 2
op 13 februari 2025 te Susteren, gemeente Echt-Susteren, [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar meerdere malen te slaan en trappen tegen het gezicht en/of lichaam en te bijten;
Feit 3
op 13 februari 2025 in Nederland, [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [naam slachtoffer 1] dreigend een bericht te sturen met de tekst “ik vind je en maak je kapot op deze manier”;
Feit 4
op een of meer tijdstippen in de periode van 6 juli 2024 tot en met 12 februari 2025 in Nederland, [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar meermalen te slaan en/of te trappen;
Feit 5
op 15 februari 2025 te Susteren, gemeente Echt-Susteren een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasalarmpistool voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
parketnummer 03.054928.25
Feit 1 primair: poging tot doodslag;
parketnummer 03.048909.25
Feit 2: mishandeling;
Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
Feit 4: mishandeling, meermalen gepleegd;
Feit 5: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest, en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een alcoholverbod en een locatieverbod ten aanzien van gemeente Echt als bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren op te leggen. De officier van justitie heeft bij het formuleren van de strafeis rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten, de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en het reclasseringsrapport.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman acht de gevorderde strafeis door de officier van justitie niet redelijk en heeft verzocht rekening te houden met de eigen schuld van [naam slachtoffer 2] . Ook heeft hij verzocht rekening te houden met onder meer de volgende persoonlijke omstandigheden: de duur van de voorlopige hechtenis en de impact die het op de verdachte heeft gehad, het herstelde contact met [naam slachtoffer 1] en de omstandigheid dat de verdachte zijn alcohol- en drugsgebruik onder controle heeft gekregen en de i-RESPECT-training met goed gevolg heeft afgerond. De verdachte is bereid zich te houden aan alle voorwaarden die door de reclassering worden geadviseerd. Voorts heeft de raadsman verzocht, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03.054928.25, geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Ten slotte heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen op grond van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich over een langere periode schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige partner [naam slachtoffer 1] door haar te slaan, te trappen en te bijten. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan een bedreiging van [naam slachtoffer 1] door middel van appberichten, vlak nadat zij was weggevlucht van een mishandeling. Een aantal mishandelingen heeft plaatsgevonden in de woning van [naam slachtoffer 1] , soms terwijl haar dochter nabij was, terwijl dit bij uitstek een plek is waar [naam slachtoffer 1] zich veilig zou moeten kunnen voelen. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Uit de op de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaring blijkt wat de gevolgen van dit handelen door de verdachte voor haar zijn. Zo voelt [naam slachtoffer 1] zich sinds de mishandelingen onveilig. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gasalarmpistool in zijn woning.
Nadat de voorlopige hechtenis van de verdachte voor voornoemde strafbare feiten was geschorst, heeft hij zich binnen een korte tijd schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met een zwaar beladen bestelbus in te rijden op [naam slachtoffer 2] en over de benen van [naam slachtoffer 2] heen te rijden, waardoor [naam slachtoffer 2] ernstig letsel heeft opgelopen. Dat het letsel van [naam slachtoffer 2] hem niet het leven heeft gekost, is een geluk bij een ongeluk te noemen. Dit is in ieder geval niet te danken aan het handelen van de verdachte. De aanleiding voor zijn handelen lijkt te liggen in een woordenwisseling die kort daarvoor plaatsvond in de bestelbus waarin [naam slachtoffer 2] toen ook zat. Dit kan echter nooit een reden zijn om vervolgens op hem in te rijden.
Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het over de verdachte opgemaakt strafblad van 6 januari 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 19 januari 2026. Hierin is vermeld dat de verdachte in het verleden is gediagnosticeerd met ADHD en ODD. Volwassenen met ADHD kunnen zich vaak gestrest voelen doordat ze moeilijkheden ondervinden in hun werk, sociale leven of privéleven, hetgeen de reclassering ook duidelijk terugziet in het leven van de verdachte. Al deze problemen zorgen ervoor dat de verdachte zich depressief voelt en naar alcohol en drugs grijpt om deze gevoelens te verlichten. Het middelengebruik zorgt op zijn beurt weer voor andere problemen, waaronder jaloers en agressief gedrag, hetgeen heeft geleid tot huiselijk geweld. Het risico op recidive en geweld wordt door de reclassering als gemiddeld ingeschat. Hoewel de verdachte lijkt in te zien dat zijn middelengebruik hem steeds verder in de problemen heeft gebracht, lijkt hij de ernst van zijn middelenproblematiek nog steeds te onderschatten. Ook ter zitting maakt de verdachte kenbaar dat hij zichzelf niet als verslaafd aan middelen vindt.
Gelet op de ernst van de feiten en het strafdoel vergelding acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank ziet evenwel meerwaarde in een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, nu zij het wenselijk acht dat de verdachte wordt behandeld en begeleid door de reclassering om het recidiverisico te verminderen. Daarmee wordt ook tegemoetgekomen aan het strafdoel van speciale preventie. Daarom zal de rechtbank – conform de eis van de officier van justitie – aan de verdachte een gevangenisstraf van vier jaar waarvan zes maanden voorwaardelijk – met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht – opleggen en daaraan een langere proeftijd dan gebruikelijk, namelijk van drie jaren, verbinden. Hieraan zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals de reclassering in haar advies van 19 januari 2026 heeft geformuleerd. Nu [naam slachtoffer 1] geen contactverbod wenst en op dit moment zelfs sprake is van contact tussen de verdachte en [naam slachtoffer 1] , ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een locatieverbod voor de gemeente Echt als bijzondere voorwaarde. De rechtbank zal wel een alcoholverbod als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke gevangenisstraf koppelen, nu zij van oordeel is dat er een verband is tussen het alcoholgebruik van de verdachte en de gepleegde feiten.
Naast de gevangenisstraf zal de rechtbank voor feit 1 primair onder parketnummer 03.054928.25 aan de verdachte een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van twee jaar opleggen, omdat hij de bedrijfsbus als wapen heeft ingezet.
Gelet op de opgelegde gevangenisstraf, zal het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering worden afgewezen.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [naam slachtoffer 1] heeft met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4 een schadevergoeding gevorderd van € 1.005,56 ter zake van materiële schade, bestaande uit de posten ‘medische kosten’ à € 907,58 en ‘verlies van inkomsten’ à € 97,98, en van € 4.000,- ter zake van immateriële schade. Tevens is verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering met betrekking tot de materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een lager bedrag dient te worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering met betrekking tot de materiële schade kan worden toegewezen. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman zich, mede gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 4, op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 1.000,- billijk is. Het gevorderde bedrag is voor het overige onvoldoende onderbouwd met objectieve medische gegevens.
Het oordeel van de rechtbank
De aan de verdachte ten laste gelegde mishandelingen en bedreiging zijn bewezenverklaard. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van die bewezenverklaarde strafbare feiten schade heeft geleden.
De materiële schade is met betrekking tot de posten ‘medische kosten (€ 907,58)’ en ‘verlies van inkomsten (€ 97,98)’ door de verdediging inhoudelijk niet betwist. De vordering komt de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze posten voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank zal het toegewezen bedrag à € 1.005,56 vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 10 februari 2026. De benadeelde partij heeft de pleegdatum als ingangsdatum van de wettelijke rente gevorderd, maar de materiële schade was op die dag nog niet (volledig) geleden.
Gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten 2 en 4, namelijk die van huiselijk geweld, is het naar het oordeel van de rechtbank een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. De door de verdachte gepleegde feiten vormt een dusdanig ernstige inbreuk op een fundamenteel recht van het slachtoffer, namelijk de lichamelijke integriteit, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, sub b BW dient te worden beschouwd. De verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan mishandeling van [naam slachtoffer 1] . De vordering is ook voldoende gemotiveerd en met verificatoire bescheiden onderbouwd.
Met inachtneming van het voorgaande en kijkend naar wat in vergelijkbare zaken aan immateriële schade wordt toegekend, stelt de rechtbank het bedrag van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vast op € 1.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 13 februari 2025. De rechtbank zal over dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, het artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het onder parketnummer 03.054928.25 onder feit 2 en het onder parketnummer 03.048909.25 onder feit 1 tenlastegelegde;
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert en nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
de veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) van de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen urineonderzoek en speekseltesten zijn. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
de veroordeelde gebruikt geen alcohol en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
Ontzegging van de rijbevoegdheid (03.054928.25, feit 1 primair)
- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor twee jaren;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Dit vonnis is gewezen door mr. S.L.M. van Venrooij, voorzitter, mr. drs. J.M.A. van Atteveld en mr. L.M.W. Peters , rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 februari 2026.
Buiten staat
Mr. S.L.M. van Venrooij is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03.048909.25 – ten laste gelegd dat
parketnummer 03.054928.25
1
Hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met een door hem, verdachte, bestuurde bestelbus met zwaar beladen aanhanger, althans een voertuig, met aanmerkelijke snelheid is ingereden op die [naam slachtoffer 2] , en/of (vervolgens) over het been dan wel de benen van die [naam slachtoffer 2] heen is gereden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen aan [naam slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel, kuit- en scheenbeen en een open botbreuk, in elk geval zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht door met een door hem, verdachte, bestuurde bestelbus met zwaar beladen aanhanger, althans een voertuig, met aanmerkelijke snelheid in te rijden op die [naam slachtoffer 2] en/of (vervolgens) over het been dan wel de benen van die [naam slachtoffer 2] heen te rijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een door hem, verdachte, bestuurde bestelbus met zwaar beladen aanhanger, althans een voertuig, met aanmerkelijke snelheid is ingereden op die [naam slachtoffer 2] , en/of (vervolgens) over het been dan wel de benen van die [naam slachtoffer 2] heen is gereden;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
Hij op of omstreeks 19 februari 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen een voertuig te weten een bestelbus met aanhanger, heeft bestuurd, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne en/of alcohol, Terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol, 22 microgram cocaïne per liter bloed en/of 2.36 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
parketnummer 03.048909.25 (na wijziging van de tenlastelegging)
1
hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Susteren, gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Susteren, gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar meerdere malen, althans eenmaal, te slaan en/of trappen tegen het gezicht en/of lichaam en/of te bijten;
3
hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Echt, gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland,
[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam slachtoffer 1] dreigend een bericht te sturen met de tekst "ik vind je en maak je kapot op deze manier", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 juli 2024 tot en met 12 februari 2025 te Susteren, gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar meermalen, althans eenmaal, te slaan en/of te trappen;
5
hij op of omstreeks 15 februari 2025 te Susteren, gemeente Echt-Susteren een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasalarmpistool voorhanden heeft gehad.