RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11926991 \ CV EXPL 25-4113
Vonnis in incident van 11 maart 2026
in de zaak van
BIBITOR FONDS III B.V.,
te Vught,
eisende partij in de hoofdzaak in conventie,
verwerende partij in de voorwaardelijke reconventie,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Bibitor,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder [gemachtigde] ,
tegen
[huurder] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak in conventie,
eisende partij in de voorwaardelijke reconventie,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. B.A.L.H. Robijns.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 3,- de conclusie van antwoord tevens incidentele oproeping in vrijwaring en voorwaardelijke eis in reconventie,
- incidentele conclusie van antwoord.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De feiten
Tussen Bibitor en onder meer [huurder] is een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel c.a. staande en gelegen te [adres] .
3. Het geschil
in de hoofdzaak in conventie
Bibitor stelt dat de huurovereenkomst de verhuur van een bedrijfsruimte (café en restaurant) genaamd [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) betrof, [huurder] was indirect bestuurder van [bedrijf] . [bedrijf] is volgens Bibitor gefailleerd en uitgeschreven uit het handelsregister. Bibitor stelt dat [huurder] zich zelfstandig en hoofdelijk heeft verbonden voor haar vordering. Bibitor vordert thans dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [huurder] zal veroordelen (samengevat):
- tot betaling van een bedrag van € 23.812,92 vermeerderd met de wettelijke rente over € 21.911,15 vanaf 10 oktober 2025;
- in de kosten rechtens.
in de voorwaardelijke reconventie
Indien en voor zover sprake is van een waarborgsom die door [bedrijf] is betaald, doet [huurder] een beroep op verrekening en vordert hij het restant terug, zijnde primair
€ 5.313,85, subsidiair € 5.313,85 minus de verschuldigde wettelijke rente indien de kantonrechter besluit deze in conventie aan Bibitor toe te wijzen.
in het incident
[huurder] vordert in het incident toestemming om [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 1] en [naam 2] ) in vrijwaring op te roepen. Ter onderbouwing voert hij aan dat [naam 1] en [naam 2] zich eveneens persoonlijk hebben verbonden aan de huurovereenkomst en de verplichtingen die daaruit voortvloeien.
Bibitor refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter.
4. De beoordeling in het incident
Gelet op de door [huurder] aangevoerde grond voor de oproeping in vrijwaring van [naam 1] en [naam 2] , valt naar het oordeel van de kantonrechter op voorhand niet uit te sluiten dat [huurder] gedeeltelijk regres zal kunnen nemen op [naam 1] en [naam 2] . Dat is voor toewijzing van het verzoek voldoende.
De kantonrechter is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter
in het incident
staat toe dat [naam 1] en [naam 2] door [huurder] worden gedagvaard tegen de terechtzitting van 8 april 2026,
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 april 2026 voor conclusie van antwoord in de voorwaardelijke reconventie alsmede opgave verhinderdata van beide partijen voor een mogelijk te bepalen mondelinge behandeling over de periode mei tot en met augustus 2026,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken.