RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.330662.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Zaïre) op [geboortedag] 1983,
woonplaats onbekend.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.M.A. Jegers, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 2 februari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is ter terechtzitting gehoord mr. J.V. van Blitterswijk, advocaat kantoorhoudende te Rotterdam. De benadeelde partij is niet ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 16 oktober 2024:
Feit 1: [benadeelde] heeft verkracht, voorafgaand door, vergezeld en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging;
Feit 2: [benadeelde] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn. Haar verklaringen zijn gedetailleerd en komen op belangrijke punten overeen. De verklaringen van aangeefster vinden bovendien op die belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Zo volgt uit de berichten tussen aangeefster en [verdachte] dat zij ruim tien minuten lang haar onzekerheden en angsten over de verdachte overbrengt aan [verdachte] . Ook heeft de politie tijdens het informatief gesprek geconstateerd dat aangeefster zichtbaar aan het trillen was en een deel van haar wimperextensions weg was. Tevens is in de woning van de verdachte op de salontafel een steakmes aangetroffen en elders in de woning een aantal losse patronen. Tot slot zijn bij aangeefster diverse letsels waargenomen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal vrijgesproken dient te worden. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster inconsistenties bevatten, op punten tegenstrijdig zijn en dat er aantoonbaar gelogen is. Zo was aangeefster in eerste instantie niet eerlijk over het feit dat zij seksuele diensten verricht. Ook heeft aangeefster verklaard dat de verdachte haar heeft bedreigd met een vuurwapen. Dit vuurwapen is echter niet aangetroffen bij de verdachte thuis. Aangeefster heeft verder niets meer over een vuurwapen verklaard bij de rechter-commissaris. Voorts heeft aangeefster bij de rechter-commissaris verklaard dat haar enkels zijn vastgebonden met veters, maar dit heeft zij niet verklaard tijdens haar eerste verhoor. Het letsel dat bij aangeefster is vastgesteld staat ook niet in verhouding tot wat zij heeft verklaard. Daarnaast is er tijdens het verhoor van [verdachte] op 16 oktober 2024 tussen 20:33 uur en 21:03 uur contact geweest met aangeefster waarbij zij aangaf dat alles in orde was. Tevens roept het tijdsverloop van die avond vragen op. Circa vijf uur na het vermeende incident is aangeefster pas aangifte gaan doen bij de politie. De verklaringen van aangeefster zijn daarom ongeloofwaardig, onbetrouwbaar en onbruikbaar voor het bewijs. Het ontbreekt aan wettig en overtuigend (steun)bewijs voor zowel de verkrachting als de wederrechtelijke vrijheidsberoving.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van feit 1 en feit 2
Vooropgesteld wordt dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven
dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de ten laste gelegde seksuele handelingen:
het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In het geval dat de vermeende dader ontkent, moet de rechtbank allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan.
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering mag het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit bewijsminimumvoorschrift strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechtbank verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige geleverde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel. Niet is vereist dat ieder onderdeel daarvan ook in ander bewijsmateriaal steun dient te vinden.
Het bewijsminimumvoorschrift betekent dat de rechtbank in een dergelijk geval twee beslissingen zal moeten nemen. In de eerste plaats moet de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster beoordelen. In het algemeen geldt daarbij dat uitlatingen en verklaringen moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid.
Als de verklaring van aangeefster betrouwbaar wordt gevonden, moet de rechtbank bepalen of voor de verklaring voldoende steunbewijs in (een) onafhankelijke bron(nen) in het dossier aanwezig is.
Aangeefster heeft twee verklaringen afgelegd: een bij de politie op 17 oktober 2024 en een bij de rechter-commissaris op 21 oktober 2025. De rechtbank is van oordeel dat er wezenlijke tegenstrijdigheden bestaan tussen de twee voornoemde verklaringen. Zo verklaarde de aangeefster bij de politie dat zij slechts met haar handen werkt en massages zou geven en niet intiem wordt met klanten. Bij de rechter-commissaris bevestigt zij dat zij wel seksuele diensten verleent. Ook verklaart zij bij de politie dat de verdachte tape over haar mond had geplakt, om vervolgens bij de rechter-commissaris te verklaren dat de verdachte zijn hand op haar mond had gehouden. Ook verklaarde de aangeefster voor het eerst bij de rechter-commissaris dat haar enkels vastgebonden waren met een veter. In haar verklaring bij de politie repte zij nochtans met geen woord daarover. Voorts verklaarde de aangeefster bij de rechter-commissaris voor het eerst dat de verdachte haar bij haar hals had gepakt en dat ze daar ernstig letsel aan overgehouden had. Dit letsel volgt echter niet uit de letselrapportage over de aangeefster van 17 oktober 2024. Een opvallend punt in de verklaringen van de aangeefster is het vuurwapen dat de verdachte aan haar getoond zou hebben. Bij de politie, zo verklaarde de aangeefster, zou hij dit nadrukkelijk aan haar hebben getoond. Bij de rechter-commissaris verklaarde de aangeefster echter dat de verdachte enkel een vuurwapen zou hebben genoemd.
De rechtbank is van oordeel dat er wezenlijke verschillen zijn tussen de twee verklaringen van de aangeefster, waardoor de betrouwbaarheid van de beschuldiging van de aangeefster in het geding komt. Deze bevinding wordt verder versterkt door het gegeven dat de aangeefster, tijdens het verhoor van [verdachte] op 16 oktober 2024, ergens tussen 20:33 uur en 21:03 uur (aldus kort na de vermeende verkrachting en vóór het informatief gesprek van de aangeefster bij de politie) door de politie werd gebeld -dit op verzoek van [verdachte] die zich over de aangeefster zorgen had gemaakt- waarbij de politie in het procesdossier het volgende vermeldt: Er is contact gelegd met de vriendin en alles is in orde.
Bovengenoemde twijfels over de verklaringen van de aangeefster worden niet minder door de inhoud van de letselrapportage, waarbij de aangeefster op 17 oktober 2024 -relatief kort na de vermeende verkrachting- is onderzocht. Zo wordt in voornoemde letselrapportage geen melding van enig letsel aan de polsen en/of de mond en/of de hals van de aangeefster gemaakt. Evenmin volgt uit die letselrapportage of de bij de aangeefster aangetroffen letsels passen bij de door haar geschetste toedracht en hoe vers de geconstateerde letsels waren.
Dit zo zijnde is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig bewijs is om de verdachte te kunnen veroordelen. De aantasting van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster raakt immers beide tenlastegelegde feiten. Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de aan hem tenlastegelegde feiten 1 en 2.
4. De benadeelde partij
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 11.000,00 euro ter zake van feit 1 en feit 2. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
immateriële schade: 10.000,00 euro;
nader te onderbouwen schade bij eventueel hoger beroep: 1.000,00 euro.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het oordeel van de rechtbank
Omdat de verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij zal worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.
5. Het beslag
Tijdens het politieonderzoek zijn de navolgende goederen in beslag genomen:
Ten aanzien van de in beslag genomen goederen gelast de rechtbank de teruggave aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon.
6. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;
Benadeelde partij niet-ontvankelijk
Beslag
- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon:
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.M. Beije en mr. M.E.M.W. Nuijts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Tubée, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 februari 2026.
Buiten staat
Mr. Beije en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1:
hij op of omstreeks 16 oktober 2024 te Maastricht
met een persoon, te weten [benadeelde]
een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het
- leggen en/of houden van zijn, verdachtes, hand op de vagina van die [benadeelde]
en/of
- meermaals brengen en/of houden van de penis in de mond en/of vagina van die
[benadeelde] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde] daartoe de wil ontbrak;
en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd
door dwang, geweld en/of bedreiging, welk(e) hierin bestond dat hij, verdachte
- de deur van de woning, alwaar hij, verdachte en die [benadeelde] zich op dat
moment bevonden, heeft afgesloten (gehouden) en/of
- die [benadeelde] heeft bevolen om zich van haar kleding te ontdoen en/of die
[benadeelde] had verboden om zich (opnieuw) aan te kleden en/of
- tape op/om de mond en/of de polsen van die [benadeelde] heeft geplakt en/of
- die [benadeelde] (dreigend) heeft toegesproken dat zij moest doen wat hij vroeg
omdat het anders niet goed voor haar zou aflopen en/of dat hij, verdachte, over een
vuurwapen beschikte en/of
- vervolgens die [benadeelde] het vuurwapen heeft getoond en/of daarop met het
vuurwapen heen en weer heeft gezwaaid en/of in de nabijheid, althans in het zicht,
van die [benadeelde] heeft gelegd,
aldus voor die [benadeelde] een zodanig bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat
zij zich niet, althans onvoldoende aan voornoemde seksuele handelingen met
verdachte kon/durfde (te) onttrekken;
Feit 2:
hij op of omstreeks 16 oktober 2024 te Maastricht
opzettelijk
[benadeelde]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,
immers heeft hij, verdachte,
- de deur van de woning, alwaar hij, verdachte en die [benadeelde] zich op dat
moment bevonden, afgesloten en/of afgesloten gehouden en/of
- die [benadeelde] bevolen om zich van haar kleding te ontdoen en/of die [benadeelde]
had verboden om zich (opnieuw) aan te kleden en/of
- tape op/om de mond en/of de polsen van die [benadeelde] heeft geplakt en/of
- die [benadeelde] (dreigend) heeft toegesproken dat zij moest doen wat hij vroeg
omdat het anders niet goed voor haar zou aflopen en/of dat hij, verdachte, over een
vuurwapen beschikte en/of
- vervolgens die [benadeelde] het vuurwapen heeft getoond en/of daarop met het
vuurwapen heen en weer heeft gezwaaid en/of in de nabijheid, althans in het zicht,
van die [benadeelde] heeft gelegd,
aldus voor die [benadeelde] een zodanig bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat
zij zich niet, althans onvoldoende aan voornoemde seksuele handelingen met
verdachte kon/durfde (te) onttrekken.