ECLI:NL:RBLIM:2026:1688

ECLI:NL:RBLIM:2026:1688

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer 03.064207.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Veroordeling voor vijf woninginbraken, waarvan drie tezamen en in vereniging, tot een gevangenisstraf van 28 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummers : 03.064207.24,

03.233214.24 en 03.194699.24 (ttz.gev.)

Tegenspraak (gemachtigde raadsman)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 februari 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1982,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.A.E. Bunge, advocaat, kantoorhoudende te Heeze.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de raadsman hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op de zitting gehoord. Mevrouw [slachtoffer 2] is bijgestaan door de heer [naam 7] van Slachtofferhulp Nederland. De benadeelde partij [slachtoffer 3] is niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

Deze zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [naam medeverdachte] met het parketnummer 03.124562.24.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

In de zaak met parketnummer 03.064207.24

samen met anderen een inbraak heeft gepleegd in de woning aan de [adres 1] te Heythuysen;

In de zaak met parketnummer 03.194699.24

1. samen met anderen een inbraak heeft gepleegd in de woning aan [adres 2] te Roermond;

2. samen met anderen een inbraak heeft gepleegd in de woning aan de [adres 3] in de gemeente Peel en Maas;

3. samen met anderen een inbraak heeft gepleegd in de woning aan de [adres 4] te Venlo;

4. samen met anderen een inbraak heeft gepleegd in de woning aan de [adres 5] te Beegden;

In de zaak met parketnummer 03.233214.24

samen met anderen een inbraak heeft gepleegd in de woning aan de [adres 6] te Beesel.

3. De beoordeling van het bewijs

Inleiding

In de maanden januari tot en met april 2024 vonden er een groot aantal woninginbraken plaats in de regio Noord- en Midden-Limburg en Oost-Brabant. Daarbij viel het de politie op dat de inbraken steeds op dezelfde manier plaatsvonden: vaak overdag of in de vroege avond werd zich toegang tot een woning verschaft door ramen of deuren open te wrikken, doorgaans nadat geverifieerd was of er niemand thuis was door aan te bellen. De buit bestond vervolgens steeds veelal uit sieraden. Er werd een dadergroep herkend door de politie die de inbraken in wisselende samenstellingen zou hebben gepleegd.

Dit leidde tot het onderzoek genaamd ‘Patagon’. In het omvangrijke onderzoek werden diverse camerabeelden bekeken, verschillende getuigen gehoord en forensische sporen ingezet, die uiteindelijk een aantal DNA-matches opleverden. De verdachte en zijn medeverdachten, drie met de Roemeense nationaliteit en een met de Servische nationaliteit, werden uiteindelijk aangehouden door de politie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle feiten, met dien verstande dat bij de woninginbraken in Venlo, Beegden en Beesel het in vereniging plegen daarvan niet wettig en overtuigend bewezen is (feit 3 en feit 4 in de zaak 03.194699.24 en het feit in de zaak 03.233214.24).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring voor alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het medeplegen van feit 2, feit 3 en feit 4 in de zaak 03.194699.24 en het feit in de zaak 03.233214.24.

Het oordeel van de rechtbank

De woninginbraken

Bewijsmiddelen

Feit in de zaak met parketnummer 03.064207.24: woninginbraak in Heythuysen

Omdat de verdachte dit tenlastegelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank in deze zaak volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen,

gelet op:

- de aangifte van [slachtoffer 1];

- het aanvullend proces-verbaal aanvullend verhoor [slachtoffer 1];

- het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de aanhouding van de

verdachte;

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie.

Feit 1 in de zaak met parketnummer 03.194699.24: woninginbraak in Roermond

Omdat de verdachte dit tenlastegelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank in deze zaak volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen,

gelet op:

- de aangifte van [slachtoffer 3];

- de verklaring van de getuige [naam 1];

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie.

Feit 2 in de zaak met parketnummer 03.194699.24: woninginbraak in Maasbree

Op 8 januari 2024 deed [slachtoffer 4] aangifte van inbraak in zijn woning gelegen aan de [adres 3] te Maasbree, gemeente Peel en Maas, en verklaarde onder meer het volgende:

Op zaterdag 6 januari 2024, omstreeks 14.00 uur, verliet ik mijn woning met mijn vrouw. We hadden alle deuren op slot gedaan doormiddel van een sleutelslot op de deuren en wij hadden alle ramen gesloten waardoor wij zeker weten dat het hele huis was afgesloten. Op dezelfde dag, omstreeks 20.10 uur, kwamen wij terug bij onze woning. Wij vermoeden dat de daders via het keukenraam binnen waren gekomen. Na nader onderzoek op het keukenraam zagen wij dat er schade was aan het keukenraam en deze van buitenaf was opengebroken. Het keukenraam is te bereiken vanaf de achtertuin. (…) Kleding en goedkope sieraden zijn overal achtergelaten. Na onderzoek kwamen wij erachter dat het volgende weg was:

- Vijf messen, welke in een lade zaten in de woonkamer. Waarde ongeveer 40 euro.

- Een damesjas, maat 42, zwart van kleur, kraag en muts, met wintervoering. Op de kraag zat een reflector aan de achterzijde. Waarde ongeveer 400/500 euro.

- HEOS 2 luidspreker. Piramide Box. Zwart van kleur, draadloos. Waarde ongeveer 300/350 euro.

- Witte Parelketting welke van de moeder van mijn vrouw was.

- Kobaltblauwe dameshorloge. Horloge is rechthoekig met kobaltblauwe met gele item op de wijzerplaat. De rand is goudkleurig.

Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft op 8 januari 2024 de camerabeelden bekeken. De beelden zijn afkomstig van de bewoners aan de [adres 7] . Verbalisant [naam verbalisant 1] heeft het volgende gerelateerd:

Ik zie dat de camera zicht heeft op de Klaverstraat ter hoogte van dit perceel.

Ik zie op 18:35:10 een personenauto die zwart van kleur is rijden. Ik zie dat deze vanaf de camera kijkend naar rechts rijdt in de richting van de Akelei. Ik zie dat deze personenauto op de kruising Klaverstraat en Akelei stilstaat. Ik zie dat deze auto al remmend door de Akelei rijdt in een zachtjes tempo. Ik zie dat deze auto halverwege de Akelei kort achteruit rijdt en hierna weer naar voren rijdt. Ik zie dat deze auto om 18:36:02 uit beeld rijdt. Ik zie op 18:36:19, dat dezelfde auto weer in beeld rijdt en op de Akelei parkeert achter twee andere auto's. Ik zie dat drie personen uit de auto stappen. Ik zie dat één persoon een zaklamp draagt. Ik zie dat de drie personen via de Akelei naar rechts afsloegen en op de Klaverstraat liepen.

Ik zag dat de drie mannen om 18:37:22, links uit beeld liepen. Ik zag dat drie mannen om 18:53:15 in beeld liepen. Ik zag dat deze mannen lijken op de drie mannen welke eerder waren omschreven. Ik zag dat persoon 1 een tas vast had in zijn rechterhand. Ik zag dat de twee andere mannen achter persoon 1 liepen. Ik zag dat één persoon, waarvan ik niet weet wie van de drie dit is, een lange jas droeg. Ik zag dat deze jas een reflector heeft aan de achterzijde van de jas ter hoogte van de nek. Ik zag dat de drie mannen om 18:53:41 dezelfde auto openden als de auto die voorheen was omschreven. Ik zag dat alle drie de mannen in de auto stapten.

Op zondag 7 januari 2024 werd een forensisch onderzoek verricht in de vrijstaande woning aan de [adres 3] te Maasbree. Tijdens dit onderzoek werden verschillende sporen veiliggesteld, waaronder een handschoenspoor (aangetroffen op de buitenzijde van het inklimraam) dat werd bemonsterd op eventueel aanwezig DNA-materiaal (SIN-nummer: AAQY4098NL).

Op 11 januari 2024 is dit handschoenspoor voor een DNA-onderzoek verzonden aan het TMFI. Resultaat van het DNA-onderzoek:

AAQY4098NL Buitenzijde ruit inklimraam

- DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.

- Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA- hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.

Uit het door TMFI ingesteld vergelijkend DNA-onderzoek bleek dat het spoor met SIN-nummer AAQY4098NL is geïdentificeerd op het DNA profiel onder de volgende personalia:

[verdachte] , geboren op [geboortegegevens] 1982 te [geboorteplaats] .

Bewijsoverwegingen

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte samen met anderen op 6 januari 2024 in de woning aan de [adres 3] te Maasbree heeft ingebroken, waarbij messen, een jas met een reflector die later op de camerabeelden is terug te zien bij de daders, een luidspreker en sieraden werden weggenomen. De rechtbank concludeert dat het DNA van de verdachte is gevonden in een evident daderspoor. De verklaring van de verdachte dat hij daar “misschien is langsgelopen en zijn DNA mogelijk door uitgeademde lucht daar is aangetroffen” acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. De rechtbank acht de ten laste gelegde woninginbraak daarom wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3 in de zaak met parketnummer 03.194699.24: woninginbraak in Venlo

Op 20 februari 2024 deed [slachtoffer 5] , namens haar moeder, aangifte van inbraak in de woning gelegen aan de [adres 4] te Venlo, en verklaarde onder meer het volgende:

Ik doe namens mijn moeder aangifte van woninginbraak. Op donderdag 16 februari 2024, omstreeks 14.00 uur, is de zus van mijn moeder in de woning geweest. Op dat moment was nog alles intact en waren er geen goederen weg. Op dinsdag 20 februari 2024, omstreeks 15.00 uur, kwam de zus van mijn moeder weer in de woning. Ze liep richting de slaapkamer en zag dat de raam vernield was. Ze zag dat de lades in de slaapkamer open stonden. Ze zag dat er sieraden weg waren.

In aanvulling op de aangifte zijn de volgende goederen bij de woninginbraak ontvreemd:

 gouden hanger met een sterrenbeeld van Vissen eraan;

 gouden hanger met een hoofd;

 gouden hanger Mezuza;

 een set van gouden hanger, oorbellen en een armband;

 zilveren broche met een accordeon;

 zilveren brede schakelarmband;

 zilveren medaille van bloeddonor;

 gouden oorbellen Krioelen, een kant wit goud en een kant geel goud;

 armband gouden met close for ever schakel *armband gourmet schakel;

 gouden ketting uit Indochinese;

 gouden ketting van oma van melder;

 gouden broches *horloge van vader van melder;

 gouden manchette knoppen van vader van melder;

 gouden zegelring van vader in 3 kleuren goud;

 2 parelkettingen *broche van de PTT onderscheiding van vader, zilver;

 3 dunne gouden kettingen om iets aan te hangen;

 600 euro cash;

 een zwarte leren jas.

Op woensdag 21 februari 2024 werd een forensisch onderzoek verricht in voornoemde hoekwoning. De woning is van [naam 2] . Tijdens dit onderzoek werden meerdere sporen bemonsterd op eventueel aanwezig DNA-materiaal en veiliggesteld, waaronder een duidelijk handschoenspoor (voorzien van SIN: AAQY4112NL) dat op de ruit van het slaapkamerraam is aangetroffen.

Dit handschoenspoor is voor een DNA-onderzoek verzonden aan het TMFI.

Resultaat van het DNA-onderzoek:

SIN AAQY4112NL Handschoenspoor, buitenzijde ruit inklimraam

- DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.

- Mogelijke donor: Onbekende man A (match met spoor uit andere zaak)*

- Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.

Uit het door TMFI ingesteld vergelijkend DNA-onderzoek bleek dat het spoor met SIN-nummer AAQY4112NL is geïdentificeerd op het DNA profiel onder de volgende personalia:

Onbekende man A is opgenomen in DNA-profielcluster 57903 en is verdachte [verdachte] , geboren op [geboortegegevens] 1982 te [geboorteplaats] .

Bewijsoverwegingen

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de periode tussen 15 februari 2024 tot en met 20 februari 2024 in de woning aan de [adres 4] in de gemeente Venlo heeft ingebroken, waarbij voornamelijk veel sieraden werden weggenomen. De rechtbank concludeert dat het DNA van de verdachte is gevonden in een evident daderspoor. De verdachte heeft hiervoor geen redelijke verklaring gegeven. De rechtbank acht de ten laste gelegde woninginbraak daarom wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is van medeplegen van deze woninginbraak, nu wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid van een tweede persoon bij deze inbraak ontbreekt.

Feit 4 in de zaak met parketnummer 03.194699.24: woninginbraak in Beegden

Vrijspraakoverweging

Uit de aangifte van [slachtoffer 6] blijkt dat in de periode tussen 21 februari 2024 en 23 februari 2023 een inbraak is gepleegd in zijn woning aan de [adres 5] te Beegden. Bij die inbraak zijn verschillende goederen buitgemaakt. Nu de ten laste gelegde periode loopt van 15 februari 2024 tot en met 20 februari 2024 en de inbraak – blijkens de aangifte – buiten deze periode heeft plaatsgevonden, kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen en spreekt zij de verdachte van dit feit vrij.

Feit in de zaak met parketnummer 03.233214.24: woninginbraak in Beesel

Op 10 januari 2024 deed [slachtoffer 7] aangifte van inbraak in haar woning gelegen aan de [adres 6] te Beesel. Zij verklaarde onder meer het volgende:

Ik doe aangifte van diefstal. Ik woon in een huurwoning van Nester gelegen op de [adres 6] te Beesel. Ik was op woensdag 10 januari 2024 de hele dag thuis tot 15.30 uur. Op genoemd tijdstip ging ik naar tante [naam 3] . Toen ik de woning verliet, waren alle deuren op slot. In de avond van woensdag 10 januari 2024 om 19.30 uur kwam ik weer thuis. Ik liep achterom naar de achterdeur. Ik zag dat de zeilwand open was. Toen ik doorliep, zag ik dat de achterdeur wagenwijd openstond. Ik keek naar het achterraam en zag dat deze beschadigd was. Ik zag dat deze verbogen was. Ik zag op de slaapkamer dat mijn juwelenkistje openstond. Ik zag dat er meerdere goederen weg waren uit het kistje:

- gouden trouwring voorzien van datum 21-12-2021

- gouden ring met steentje

- gouden ketting met [naam 4]

- gouden armband met klipjes.

- 2 zilveren armbandjes voorzien van naam [naam 5] en van [naam 6] .

- zilver kruisje aan de ketting van de communie.

De totale waarde hiervan was rond de 400 à 500 euro. Ik liep terug naar beneden en keek in de kast. Deze is gelegen in de gang. Ik zag dat de tassen die daarin lagen ook weg waren.

Na de aangifte kwam aangeefster erachter dat er nog meer goederen bij de inbraak weg waren genomen, te weten:

- 1 gouden ring met een ovaal groene steen en Zirkonia.

- 1 gouden ring met een blauwe Safier steen en 12 diamantjes hieromheen.

- 1 gouden zwaluw met een Zirkonia steentje in het midden.

- 1 Gouden broche met groene agaat erop.

- 1 Gouden schildpadje.

Verbalisanten [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 3] zien ter plaatse de schade aan de achterdeur van de woning aan de [adres 6] te Beesel. Van de schade aan de achterdeur bevindt zich een foto in het dossier.

Op donderdag 11 januari 2024 werd een forensisch onderzoek verricht in voornoemde twee-onder-een-kapwoning. Tevens werd een veegspoor op een ruit bemonsterd op eventueel aanwezig DNA-materiaal (met SIN: AAPM7988NL).

Op 22 januari 2024 is het hierna te noemen spoor voor een DNA-onderzoek verzonden aan het TMFI. Resultaat van het DNA-onderzoek:

SIN AAPM7988NL veegspoor buitenzijde ruit woonkamerraam.

- DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man, dat geschikt is voor vergelijkend DNA-onderzoek met het DNA-profiel van een persoon.

Op 11 juni 2024 werd verzocht de DNA-profielen van de volgende personen te vergelijken met de eerder in de zaak verkregen DNA-profiel van het sporenmateriaal AAPM7988NL.

Resultaat van het vergelijkend DNA-onderzoek

SIN AAPM7988NL veegspoor buitenzijde ruit woonkamerraam.

- DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.

- Mogelijke donor: Verdachte [verdachte] .

Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van verdachte [verdachte] WABZ3124NL in de bemonstering AAPM7988NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.

Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [verdachte] en één onbekende persoon.

Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van twee onbekende personen

De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker (meer dan 1 miljard) wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 10 januari 2024 in de woning aan de [adres 6] in de gemeente Beesel heeft ingebroken, waarbij sieraden en tassen werden weggenomen. De rechtbank concludeert dat het DNA van de verdachte is gevonden in een evident daderspoor. De verdachte heeft hiervoor geen redelijke verklaring gegeven. De rechtbank acht de ten laste gelegde woninginbraak daarom wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is van medeplegen van deze woninginbraak, nu wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid van een tweede persoon bij deze inbraak ontbreekt.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

In de zaak met parketnummer 03.064207.24

op 23 februari 2024 te Heythuysen, gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander, in een woning aan de [adres 8] , alwaar verdachte en zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

In de zaak met parketnummer 03.194699.24

1.

op 3 februari 2024 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met anderen, in een woning aan [adres 2] , alwaar verdachte en zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

2.

op 6 januari 2024 in de gemeente Peel en Maas, tezamen en in vereniging met anderen in een woning aan de [adres 3] , alwaar verdachte en zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, messen, een jas, een luidspreker en sieraden toebehorende aan [slachtoffer 4] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

3.

tussen 15 februari 2024 tot en met 20 februari 2024 in de gemeente Venlo, in een woning aan de [adres 4] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden, geld en een jas, toebehorende aan [naam 2] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

In de zaak met parketnummer 03.233214.24

op 10 januari 2024 in de gemeente Beesel, in een woning aan de [adres 6] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en tassen, toebehorende aan [slachtoffer 7] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

In de zaak met parketnummer 03.064207.24

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden.

In de zaak met parketnummer 03.194699.24

feit 1: diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden.

feit 2: diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden.

feit 3: diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht.

In de zaak met parketnummer 03.233214.24

diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 54 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Ter onderbouwing van zijn strafeis heeft de officier van justitie onder meer naar voren gebracht dat in deze zaak sprake is van mobiel banditisme, hetgeen kort gezegd inhoudt dat de verdachte met anderen naar Nederland is gekomen met als enige doel het plegen van vermogensdelicten. Hiertoe heeft de officier van justitie verwezen naar diverse kenmerken die opgesomd worden in de Richtlijn voor strafvordering mobiel banditisme van het openbaar ministerie:

de verdachten hebben geen binding of vaste verblijfplaats in Nederland;

de woninginbraken zijn stelselmatig gepleegd in een relatief korte periode van enkele maanden;

er is steeds sprake van twee of meer daders, in wisselende samenstelling;

er worden wisselende auto’s gebruikt; een BMW en twee Audi’s.

de verdachten hebben het steeds gemunt op verhandelbare goederen, in deze zaak: sieraden;

de verdachten hebben in meerdere landen een strafblad voor onder andere vergelijkbare strafbare feiten.

Volgens de officier van justitie moet dit soort criminaliteit hard worden bestraft. Het gaat immers om high-impact crime die het veiligheidsgevoel en welbevinden van burgers ernstig aantast en tot onrust in de woonwijken lijdt. Zeker bij woninginbraken speelt daarbij extra het onbehaaglijke gevoel dat slachtoffers zelf ervaren: het gevoel dat er onbekenden in huis zijn geweest die persoonlijke spullen, vaak zelfs nog tot in de slaapkamer aan toe, hebben doorzocht. Dit alles maakt, mede gelet op de recente rechtspraak, dat het openbaar ministerie bij dit soort feiten hoge straffen op zijn plaats vindt en gerechtvaardigd acht. Daarnaast heeft de officier van justitie acht geslagen op de OM-richtlijn mobiel banditisme en de LOVS-oriëntatiepunten omtrent woninginbraken.

Al deze onderdelen beschouwend heeft de officier van justitie per voltooide woninginbraak een gevangenisstraf geëist van negen maanden. Het handelen van de verdachte, de procespositie en de documentatie van de verdachte in andere landen, rechtvaardigen deze eis, aldus de officier van justitie. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat gezien deze omstandigheden de strafeis uiteindelijk neerkomt op een vermenigvuldiging van het aantal feiten maal voornoemde uitgangspunten. De officier van justitie heeft tot slot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in het kader van de strafoplegging verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat de verdachte na het plegen van deze strafbare feiten niet meer opnieuw de fout is ingegaan terwijl de voorlopige hechtenis van de verdachte meer dan een jaar geschorst is, dat de feiten dateren van twee jaar geleden en dat de verdachte bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig wenste te zijn maar dit door het geldende inreisverbod niet mogelijk was. De raadsman heeft, gelet op deze omstandigheden, verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de bijna elf maanden die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar. Bij het bepalen van de hoogte van de (voorwaardelijke) gevangenisstraf heeft de raadsman verzocht aan te sluiten bij de LOVS-oriëntatiepunten behorende bij een woningbraak.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich in ruim anderhalve maand tijd schuldig gemaakt aan vijf woninginbraken, (deels) samen met een ander of anderen. De verdachte was, al dan niet samen met zijn mededaders, in zeer korte tijd in staat om middels braak woningen te betreden, de woningen te doorzoeken en er met de buit vandoor te gaan. Hij was duidelijk op rooftocht en is enkel naar Nederland gekomen om hier in woningen in te breken. Bij de woninginbraken werd in veel gevallen een behoorlijke schade achtergelaten bij de verschillende slachtoffers, een grote ravage aangericht - vaak zelfs tot in de slaapkamer - en zijn onder andere sieraden buitgemaakt, die voor de slachtoffers een niet in geld uit te drukken emotionele waarde vertegenwoordigen.

Woninginbraken hebben voor de slachtoffers ervan een grote impact. De verdachte heeft bijgedragen aan een groot gevoel van onveiligheid bij de slachtoffers en andere buurtbewoners. Niet alleen de financiële schade en de administratieve rompslomp die deze delicten teweegbrengen, maar vooral ook de emotionele schade valt de slachtoffers zwaar. Voor de bewoners is het ontzettend naar dat iemand in hun persoonlijke ruimte is binnengedrongen. Een woning is een plek waar een persoon zich veilig zou moeten voelen. De verdachten hebben enkel oog gehad voor hun eigen gewin en op grote schaal goederen van mensen afhandig gemaakt.

Een slachtoffer van de woninginbraak heeft in de onderbouwing van haar schadevergoedingsverzoek geschreven dat ze zich niet meer veilig voelt in haar woning en dat ze veel last heeft van slapeloosheid doordat ze bij het horen van vreemde geluiden bang is dat er weer iemand haar woning binnenkomt. De sieraden die zijn gestolen waren geschenken van haar overleden echtgenoot, die mooie herinneringen vertegenwoordigen voor haar. Een ander slachtoffer noemt in haar schadevergoedingsverzoek dat ze bang is om thuis te komen en om ’s avonds alleen te zijn in haar woning.

De rechtbank acht een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plek, gelet op het aantal woninginbraken waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt en de vele mensen die de dupe zijn geworden van het handelen van de verdachte en zijn mededaders.

De rechtbank is van oordeel dat zowel vanuit generale als speciale preventie aan verdachte en zijn mededaders, die kennelijk alleen naar Nederland (en andere landen) afreizen om vermogensdelicten te plegen in het buitenland, een duidelijk signaal moet worden afgegeven.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden stelt de rechtbank vast dat uit het strafblad van 24 februari 2025 blijkt dat de verdachte vóór deze feiten niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld in Nederland, maar wel in juni 2023 in Duitsland.

Anders dan de raadsman, ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden en het geldende inreisverbod van de verdachte, geen aanleiding om deze in verdachtes voordeel mee te wegen. Bovendien doet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging bepleit, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen in min of meer vergelijkbare zaken en de LOVS-oriëntatiepunten. Hieruit volgt dat voor een voltooide woninginbraak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden als uitgangspunt geldt. Gelet op de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, het enkel afreizen naar Nederland om dit soort feiten te plegen, de omvang van de schade, de emotionele waarde van de weggenomen goederen en het overhoop halen van de woningen, acht de rechtbank een hoger uitgangspunt passend, maar niet in die mate zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf op leggen van 6 maanden per voltooide in vereniging gepleegde woninginbraak en 5 maanden per alleen gepleegde woninginbraak.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend.

Bevel opheffing schorsing voorlopige hechtenis

De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat een vrijheidsbenemende straf of maatregel wordt opgelegd van ten minste even lange duur als de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, geen toereikende grond vormt voor opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Die beslissing moet berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Zij moet een op de voorliggende zaak toegesneden motivering bevatten waaruit blijkt dat de rechter de genoemde belangenafweging heeft gemaakt en dat in het concrete geval (alsnog) voortzetting van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis noodzakelijk is. In die belangenafweging kan wel worden betrokken dat de verdachte wordt veroordeeld en dat daarbij een straf of maatregel van een zekere duur wordt opgelegd, in die zin dat daarmee een groter gewicht toekomt aan de desbetreffende grond(en) voor de voorlopige hechtenis. Ook kan daarin een rol spelen in hoeverre de verdachte zich heeft gehouden aan de specifieke schorsingsvoorwaarden en wat het effect daarvan is geweest (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987).

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank thans niet de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen. Het voorarrest is geschorst met ingang van 14 januari 2025, dus de verdachte is al ruim een jaar op voorwaarden vrij. Er zijn geen aanwijzingen dat hij in die periode opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd. De rechtbank legt met dit vonnis een gevangenisstraf op die langer is dan het voorarrest heeft geduurd. De officier van justitie heeft voor zijn vordering geen belangenafweging gemaakt en geen motivering gegeven. Als de rechtbank alle belangen afweegt, is zij van oordeel dat voortzetting van het voorarrest in dit concrete geval niet noodzakelijk is.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.

7. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding:

In de zaak 03.064207.24

- [slachtoffer 1] : 2.613,59 euro (ter zake materiële schade: schade na gedeeltelijke vergoeding door de verzekeraar) en 360,- euro (ter zake immateriële schade);

- [slachtoffer 2] ; 2.373,48 euro (ter zake materiële schade: zorgkosten psycholoog en eigen bijdrage) en 700,- euro (ter zake immateriële schade).

In de zaak 03.194699.24 (feit 1)

- [slachtoffer 3] : 2.603,26 euro (ter zake materiële schade: gestolen sieraden) en 1.000,- euro (ter zake immateriële schade).

Alle benadeelde partijen verzoeken de rechtbank de gevorderde schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en over te gaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de verschillende benadeelde partijen op het volgende standpunt gesteld.

De vordering ter zake de materiële en immateriële schade van de benadeelde partij [slachtoffer 1] dient te worden afgewezen, nu er geen schade meer is omdat deze in de zaak van de mededader Olteanu al is vergoed.

De vordering ter zake de materiële schade van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kan worden toegewezen, nu deze voldoende is onderbouwd en de gevorderde schade een rechtsreeks gevolg is van de woninginbraak. De vordering ter zake de materiële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van 300,- tot 500,- euro.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu de gevorderde bedragen onvoldoende zijn onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de verschillende benadeelde partijen op het volgende standpunt gesteld.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] dient te worden afgewezen, nu er geen schade meer is.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] dient primair niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu het geestelijk letsel onvoldoende is onderbouwd. Dat een woninginbraak impact heeft gehad kan de verdediging zich voorstellen, maar dat alle verzochte zorgkosten rechtstreeks hieruit voortvloeien kan op basis van de stukken niet worden vastgesteld. Subsidiair dient de vordering te worden gematigd.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering dan wel dient deze vordering te worden afgewezen, nu iedere objectieve vaststelling van schade ontbreekt (immaterieel) en het schadebedrag niet is onderbouwd (materieel).

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer 1]

De rechtbank constateert dat de gevorderde schade van de benadeelde partij reeds is vergoed, nu de mededader Olteanu bij vonnis van de politierechter te Limburg van 29 mei 2024 is veroordeeld voor deze inbraak en de vordering tot schadevergoeding in die zaak reeds is toegewezen en het volledige bedrag ook reeds is uitgekeerd. De rechtbank zal de vordering in deze zaak dan ook afwijzen.

De vordering van [slachtoffer 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de materiële schade van 2.373,48 euro voldoende is onderbouwd en redelijk voorkomt. Er is geen aanleiding om te denken dat een andere oorzaak deze schade teweeg heeft gebracht. De rechtbank zal de vordering ter zake de materiële schade dan ook toewijzen.

De rechtbank overweegt ter zake de immateriële schade als volgt. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn/haar eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan de aantasting in persoon op andere wijze volgt. De benadeelde partij moest via de camerabeelden op haar telefoon toezien hoe vreemde mensen in haar tuin bezig waren en haar, normaal gesproken veilige, woning binnengingen. Ze heeft hier veel last van gehad en is in behandeling geweest bij Psychotherapie Weert, waar ze meerdere behandelingen heeft ondergaan. De rechtbank acht het ook aannemelijk dat de benadeelde partij dit geestelijk letsel door de woninginbraak heeft opgelopen. Gelet op al deze omstandigheden en de bedragen die in soortgelijke zaken zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van het bedrag van 360,- euro billijk en wijst dit bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel enkel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte is vanaf 23 februari 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag van 2.733,48 euro verschuldigd. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De vordering van [slachtoffer 3]

De rechtbank overweegt dat de vordering niet is onderbouwd met (bewijs)stukken. Aanvulling van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren, hetgeen tot gevolg heeft dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8. Het beslag

Onder de verdachte is het volgende voorwerp (in de zaak 03-064207-24) in beslag genomen:

 1 personenauto, [kentekennummer] (Omschrijving: PL2300-2024030557-G1682311, blauw, merk: Audi, chassisnr: WBAAX51020PD37319)

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hiervoor genoemde personenauto, aangezien deze personenauto niet vatbaar is voor verbeurdverklaring en thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe dat het enkele aantreffen van voornoemde personenauto op de plaats delict van één woninginbraak deze nog niet vatbaar maakt voor verbeurdverklaring. Dat zou anders kunnen zijn geweest als dezelfde auto zou zijn gebruikt voor meerdere gevallen van mobiel banditisme, maar uit het dossier blijkt niet dat dit bij deze auto het geval is geweest.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

Benadeelde partij [slachtoffer 1] (in de zaak 03.064207.24)

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 4 (in de zaak met parketnummer 03.194699.24) ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Voorlopige hechtenis

- wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] af;

Benadeelde partij [slachtoffer 2] (in de zaak 03.064207.24)

Schadevergoedingsmaateregel

Benadeelde partij [slachtoffer 3] (in de zaak 03.064207.24 feit 1)

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Beslag (in de zaak 03-064207-24):

- gelast de bewaring van het volgende in beslag genomen voorwerp ten behoeve van de rechthebbende:

- 1 - personenauto, [kentekennummer] (Omschrijving: PL2300-2024030557-G1682311, blauw, merk: Audi, chassisnr: WBAAX51020PD37319).

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. N.P.J. van de Pasch en mr. K. Mestrom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Zijlstra, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2026.

Buiten staat

Mrs. N.P.J. van de Pasch, K. Mestrom en J. Zijlstra zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

In de zaak met parketnummer 03.064207.24

hij op of omstreeks 23 februari 2024 te Heythuysen, gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de [adres 8] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen sieraden onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

In de zaak met parketnummer 03.194699.24

1.

hij op of omstreeks 3 februari 2024 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan [adres 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 6 januari 2024 in de gemeente Peel en Maas, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de [adres 3] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), messen, een jas, een luidspreker en/of sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks tussen 15 februari 2024 tot en met 20 februari 2024 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de [adres 4] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), sieraden, geld en/of een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij op of omstreeks tussen 15 februari 2024 tot en met 20 februari 2024 in Beegden, gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de [adres 5] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), sieraden, een Ipad en/of een E-reader, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

In de zaak met parketnummer 03.233214.24

hij op of omstreeks 10 januari 2024 in de gemeente Beesel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan de [adres 6] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), sieraden en/of tassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?