ECLI:NL:RBLIM:2026:1699

ECLI:NL:RBLIM:2026:1699

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 20-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer 03.220774.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Veroordeling tot gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, voor voorbereiding van brandstichting. Het beroep op vrijwillige terugtred slaagt niet.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.220774.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 februari 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Bondrepubliek Duitsland) op [geboortedatum] 1999,

gedetineerd in [PI] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M. van Riet, advocaat te Hoensbroek.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 februari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 4 augustus 2025 in Geleen ter voorbereiding van brandstichting een jerrycan met benzine, een doosje lucifers, afgescheurde theedoeken en een zak snoeiafval voorhanden heeft gehad.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), omdat de verdachte het feit ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.

De bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting.

Het proces-verbaal van bevindingen van 4 augustus 2025 (pagina’s 15 tot en met 20).

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 4 augustus 2025, te Geleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting (als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk:

- een jerrycan met daarin benzine en

- een doosje lucifers en

- afgescheurde doeken en

- een zak snoeiafval,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

voorbereiding van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Vrijwillige terugtred

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft verklaard dat hij de voorbereidingshandelingen heeft verricht, dat hij de lucifers in zijn zak had en dat het aansteken het enige was dat hij nog moest doen, maar dat hij dat laatste - ook als de politie niet was gekomen - niet zou hebben gedaan, omdat hij dat niet kon.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens vrijwillige terugtred. Kort gezegd, heeft zij hiertoe aangevoerd dat de verklaring van de verdachte dat het zijn keuze was om geen brand te stichten op grond van het dossier aannemelijk is geworden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van vrijwillige terugtred. Kort gezegd, heeft zij hiertoe aangevoerd dat de verdachte bezig was met de uitvoering van een vooropgezet plan om brand te stichten en dat hij de uitvoering pas afbrak toen hij door de politie werd betrapt, zodat de terugtred niet vrijwillig plaatsvond, maar door een externe omstandigheid.

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de raadsvrouw en de officier van justitie aan hun standpunten ten grondslag hebben gelegd, gaat het er bij de vraag of in casu sprake was van vrijwillige terugtred niet om of de verdachte de uitvoering van het gronddelict (de brandstichting) al of niet vrijwillig heeft afgebroken, maar of hij vrijwillig is teruggetreden van de voorbereiding van dat gronddelict. Zoals de verdachte zelf ook heeft verklaard, had hij de voorbereidings-handelingen al verricht en hoefde hij de brand alleen nog aan te steken. De voorbereiding was dus al voltooid. Naar het oordeel van de rechtbank had in deze situatie alleen succesvol een beroep op vrijwillige terugtred kunnen worden gedaan als de verdachte een actieve handeling had verricht om de voorbereiding (deels) ongedaan te maken. Het enkel besluiten om het gronddelict niet uit te voeren, is in deze situatie niet voldoende. Er is gesteld noch gebleken dat de verdachte een actieve handeling heeft verricht om de voorbereiding (deels) ongedaan te maken. Verdachte was immers op het moment van de aanhouding nog in het bezit van alle in de tenlastelegging genoemde voorwerpen met het oog om brand te stichten en verdachte heeft blijkens het dossier en diens verklaring ter terechtzitting zich niet ontdaan van die voorwerpen. Gelet op het voorgaande, verwerpt de rechtbank het verweer.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf en/of de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

Voor het geval het beroep op vrijwillige terugtred mocht worden verworpen, heeft de raadsvrouw verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

De verdachte heeft met een vooropgezet plan om brand te stichten bij de voordeur van een woning een jerrycan met benzine, een doosje lucifers, afgescheurde doeken en een zak snoeiafval voorhanden gehad. Toen de politie ter plaatse kwam, had hij de zak met snoeiafval al tegen de voordeur gezet en met benzine overgoten. De verdachte dacht dat in de woning een excollega van wie hij vermoedde dat deze had rondverteld dat de verdachte drugs verkocht, woonde en was op het idee gekomen daar brand te stichten in de hoop dat de ex-collega dan zou stoppen deze verhalen te verspreiden. De ex-collega woonde daar ten tijde van het delict niet meer. Inmiddels werd de woning bewoond door een gezin, waarvan de drie kinderen ten tijde van het delict boven lagen te slapen. Indien de verdachte de brand daadwerkelijk zou hebben gesticht, had hij daarmee in ieder geval de kinderen en de woning in gevaar gebracht. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft rekening gehouden met uitspraken in vergelijkbare zaken. De rechtbank heeft er daarnaast acht op geslagen dat de verdachte een blanco strafblad heeft. Ook heeft de rechtbank de meewerkende houding van de verdachte tijdens het gehele onderzoek in aanmerking genomen. Nu dit vonnis ruimschoots binnen de redelijke termijn wordt gewezen, ziet de rechtbank, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, geen aanleiding rekening te houden met het tijdsverloop sinds de pleegdatum.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst van het feit, niet worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor enkel de duur van het voorarrest. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, ziet de rechtbank in het blanco strafblad van de verdachte geen beletsel om een deels voorwaardelijke straf op te leggen. De rechtbank heeft namelijk onvoldoende inzicht in de psyche van de verdachte om te kunnen uitsluiten dat de verdachte opnieuw de fout in zal gaan. Zij acht het daarom op zijn plaats om - als stok achter de deur - een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 46 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Dit vonnis is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter,

mr. M.J.M. Goessen en mr. J.S. Spijkerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.W. Levelt-Iseger, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 februari 2026.

Buiten staat

Mr. J.S. Spijkerman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 4 augustus 2025, te Geleen, althans in Nederland, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting (als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk;

- een jerrycan met daarin benzine, in ieder geval een vluchtige brandbare vloeistof en/of

- een doosje lucifers en/of

- afgescheurde theedoeken en/of

- een zak snoeiafval

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.E.G. Peters
  • mr. M.J.M. Goessen
  • mr. J.S. Spijkerman

Griffier

  • mr. I.W. Levelt-Iseger

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?