ECLI:NL:RBLIM:2026:1847

ECLI:NL:RBLIM:2026:1847

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer 03.165790.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Schietpartij in Bocholtz met een dode waarbij het fatale schot niet afkomstig was van verdachte. Gevangenisstraf van 5 jaar voor poging doodslag jegens ander slachtoffer, bedreiging en voorhanden hebben vuurwapen en munitie. Verwerping beroep op noodweer(exces). Benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03.165790.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 februari 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1982,

gedetineerd in [adres PI] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 februari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. K. Regter (gemachtigde). De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

De nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zijn eveneens verschenen. Namens [slachtoffer 4] is het spreekrecht uitgeoefend door [naam 1] (Slachtofferhulp Nederland).

2. De tenlastelegging

De - gewijzigde - tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 29 mei 2025 in Bocholtz:

Feit 1: heeft geprobeerd om - al dan niet met voorbedachten rade - [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en/of [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) te doden (primair), dan wel heeft geprobeerd om die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair);

Feit 2: die [slachtoffer 1] heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling;Feit 3: een (illegaal omgebouwd) alarmpistool en een of meer kogelpatronen voorhanden heeft gehad.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] (feit 1 primair), de bedreiging van [slachtoffer 1] (feit 2) en het voorhanden hebben van een (illegaal omgebouwd) alarmpistool en kogelpatronen (feit 3). Hij heeft ten aanzien van feit 1 primair partiële vrijspraak bepleit van de voorbedachten rade en de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 1 primair en feit 1 subsidiair. Met betrekking tot feit 2 heeft hij geen bewijsverweer gevoerd en ten aanzien van feit 3 heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voor zover nodig zal de rechtbank de standpunten van de officier van justitie en de verdediging nader duiden bij de weergave van het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

In de avond van 29 mei 2025 heeft omstreeks 22.40 uur een schietincident plaatsgevonden in de Wilhelminastraat in Bocholtz. Bij dit schietincident waren enerzijds [slachtoffer 2] en de verdachte en anderzijds [slachtoffer 1] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) betrokken. [slachtoffer 2] is daarbij zwaargewond geraakt en diezelfde nacht overleden vanwege een schotwond in zijn hoofd. De verdachte en [naam 2] hebben beiden bekend dat ze elk één keer hebben geschoten. Op grond van het forensisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat het dodelijke schot niet door de verdachte is gelost.

Op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in de hieronder opgenomen bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , aan een bedreiging van [slachtoffer 1] met de dood en aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De rechtbank zal na bespreking van de partiële vrijspraken en de opsomming van de bewijsmiddelen nader uitleggen waarom zij tot dat oordeel komt en ingaan op de verweren van de verdediging, voor zover die niet al worden weerlegd door de bewijsmiddelen.

Partiële vrijspraken

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er op basis van het dossier en de behandeling ter zitting onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 primair tenlastegelegde voorbedachten rade te komen. Zij zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van de poging tot moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

Verder is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] (feit 1 primair), reeds vanwege het feit dat uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte niet in de richting van [slachtoffer 2] heeft geschoten.

Feit 1 primair en feit 2

Bewijsmiddelen

Verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] relateerden over de camerabeelden onder meer als volgt:

Van het pand aan de [adres 1] werden beveiligingscamera’s inbeslaggenomen. Door ons werden deze camerabeelden bekeken en beschreven. Ik zie dat de voorzijde van de woning aan de [adres 2] te Bocholtz wordt opgenomen. Ik zie dat deze beelden afwijken van de werkelijke tijd, ongeveer 1 uur en 25 minuten.

Ik zie dat op het trottoir, gezien vanaf het pand, links een bus staan. Bij de bus loopt een persoon die is geïdentificeerd als: [verdachte] (hierna: de verdachte). Ik zie dat de verdachte omstreeks 21:14:16 uur aanbelt bij het pand. lk zie dat omstreeks 21:14:27 uur een persoon uit het pand aan de [adres 2] komt en op de verdachte afloopt. Hij is geïdentificeerd als: [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]). Ik zie dat de verdachte met zijn rechterhand een zwart voorwerp pakt. Ik zie dat hij dit voorwerp richt in de richting van [slachtoffer 1] . Gezien de kleur, vorm en manier waarop de verdachte dit voorwerp vasthoudt, is dit wapen vermoedelijk een vuurwapen. Ik zie dat [slachtoffer 1] naar de verdachte blijft toelopen. Ik zie dat de verdachte achteruit blijft lopen, in de richting van de straat, met het vuurwapen gericht naar [slachtoffer 1] . lk zie dat, tussen het aanbellen en het naar buiten komen van [slachtoffer 1] , een derde persoon uit de bus stapt vanuit de bijrijderszijde. Hij is geïdentificeerd als: [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ). Ik zie dat [slachtoffer 2] naar de achterzijde loopt. lk zie dat op het moment dat de verdachte en [slachtoffer 1] op straat komen, [slachtoffer 2] vanuit de achterzijde van de bus in zicht komt van de camera. Ik zie dat [slachtoffer 2] naar [slachtoffer 1] toestapt en met zijn rechterhand slaat richting het hoofd van [slachtoffer 1] . Ik zie dat dit om 21:14:37 uur is. Ik zie dat [slachtoffer 1] achteruit springt. Ik zie dat de verdachte nabij staat, met het vuurwapen nog steeds gericht richting [slachtoffer 1] . Ik zie dat de verdachte naar [slachtoffer 1] toestapt. Ik zie dat [slachtoffer 2] tussen beiden in staat en een stap naar achteren zet. Ik zie dat op het moment dat [slachtoffer 2] een stap naar achteren zet, een lichtflits en mondingsvuur te zien is bij het vuurwapen van de verdachte. Het vuurwapen was hierbij gericht richting [slachtoffer 1] . Ik zie dat dit omstreeks 21:14:39 uur is.

De rechtbank heeft tijdens de zitting van 10 februari 2026 de bovengenoemde beelden bekeken en daarop aanvullend het volgende waargenomen:

Op de beelden met bestandsnaam [naam bestand] is te zien dat de verdachte, zijn rechterhand steeds in zijn rechterbroekzak heeft en dat hij, nadat [slachtoffer 1] uit de woning komt, direct een pistool uit zijn broekzak trekt. De verdachte loopt daarbij achteruit in de richting van de achterkant van zijn bus en blijft het pistool richten op [slachtoffer 1] . Als vervolgens [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] slaat, slaat [slachtoffer 1] terug. Vervolgens maakt [slachtoffer 1] twee stappen naar achteren. Op datzelfde moment zet [slachtoffer 2] een stap naar achteren en zet de verdachte met het wapen in de hand drie stappen naar voren in de richting van [slachtoffer 1] en met het wapen nog steeds gericht in de richting van [slachtoffer 1] , terwijl [slachtoffer 1] zich op korte afstand van verdachte bevindt en in beweging is. De verdachte schiet daarop tijdens het zetten van de derde stap met gestrekte arm in de richting van [slachtoffer 1] . Het mondingsvuur van dat schot wijst naar voren.

[slachtoffer 1] verklaarde in zijn aangifte en aanvullende aangifte – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:

Ik verklaar het volgende over wat is voorgevallen op 29 mei 2025 in Bocholtz. Op een gegeven moment wordt er geklopt aan de deur. Ik ben naar buiten gerend en toen trok hij meteen een pistool op mij. Toen liep hij naar achteren en toen kwam die andere jongen achter de bus vandaan.

V: [verdachte] is?

A: [verdachte] waar ik aangifte tegen wil doen.

V: Is dat dan [verdachte] ?

A: [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ), ja, dat is hem.

V: Dus jij gaat naar buiten en ziet hem daar staan.

A: Ja, dat klopt en hij pakt direct een pistool. Hij loopt hiermee achteruit en dan komt die andere jongen. Die jongen wil mij slaan. Ik loop achteruit en hoor ‘pam, pam, pam’. Ik zag flitsen voor mij. Ik ben meteen naar binnen gerend. [verdachte] had een doorgeladen pistool op zak, want hij kon er meteen mee schieten.U vraagt mij of hij echt op mij richtte. Ja.

De verdachte verklaarde tijdens de zitting van 10 februari 2026 – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:

[slachtoffer 1] stond voor me. Ik heb bewust een schot gelost. U, voorzitter, vraagt mij of ik het wapen heb vastgehouden om af te dreigen. Ja. U vraagt mij of het klopt dat ik het wapen op [slachtoffer 1] ben blijven richten. Ja.

Bewijsoverweging feit 1 primair

De rechtbank acht de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.

Om te komen tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag moet de verdachte opzet hebben gehad op het overlijden van [slachtoffer 1] .

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte zogenoemd ‘vol’ opzet heeft gehad in die zin dat hij [slachtoffer 1] echt wilde doden. De vraag is of sprake is geweest van opzet in voorwaardelijke vorm.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet had, omdat de verdachte bewust naast [slachtoffer 1] en naar de grond heeft geschoten, hetgeen steun zou vinden in de beelden waarop het afketsen van de kogel op de straat zichtbaar is. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte vanaf het moment dat [slachtoffer 1] vanuit de voordeur naar buiten kwam gelopen, een vuurwapen op [slachtoffer 1] heeft gericht. De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte het wapen voortdurend op [slachtoffer 1] gericht heeft gehouden. Op het moment dat [slachtoffer 2] naar achteren stapte, heeft de verdachte drie stappen naar voren gezet, in de richting van [slachtoffer 1] , en de trekker overgehaald, terwijl [slachtoffer 1] op dat moment twee stappen achteruit zette. De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij het wapen pas heeft doorgeladen nadat hij een schot hoorde en [slachtoffer 2] zag vallen, nu deze verklaring in voldoende mate wordt weerlegd door de beelden. Hieruit volgt dat de verdachte zijn vuurwapen al had doorgeladen op het moment dat [naam 2] schoot. Anders dan de raadsman, is de rechtbank op grond van de beelden van oordeel dat de verdachte in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten. De rechtbank gaat aldus voorbij aan het verweer van de verdediging dat de verdachte bewust naast [slachtoffer 1] en richting de grond heeft geschoten. Anders dan de officier van justitie en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat op de beelden te zien is dat de door verdachte afgevuurde kogel op straat is afgeketst tussen [slachtoffer 1] en de bushalte in. Hoewel er op de beelden inderdaad een lichtpuntje op de straat waarneembaar is en dit van het (schot van het) wapen afkomstig lijkt te zijn, kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat dit de kogel is. De kogel is niet aangetroffen en de forensisch deskundigen hebben zich over dit lichtpuntje niet uitgelaten. De rechtbank betrekt daarbij ook de omstandigheid dat het een omgebouwd wapen betreft, zodat het bijvoorbeeld ook om kruit(damp) of een klein deeltje van het wapen zelf kan gaan dat is losgeraakt door de impact van het schot. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de vorm en het verloop van het lichtpuntje niet passend is bij een kogel die onder die hoek op de straat afketst. Ook leidt de rechtbank uit het mondingsvuur af, zoals zichtbaar op de beelden, dat de verdachte recht vooruit heeft geschoten. Het door de verdachte geschetste scenario vindt aldus geen steun in de feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, door op zo’n korte afstand en in een bewegende conflictsituatie in de richting van [slachtoffer 1] te schieten, voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . In de gegeven omstandigheden was er een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat [slachtoffer 1] dodelijk letsel zou oplopen als hij door de kogel geraakt zou zijn. Er mag van worden uitgegaan dat iedereen, dus ook de verdachte, wetenschap heeft van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Door niet alleen in het bezit te zijn van een vuurwapen, een geëigend middel om iemand te doden, maar onder de gegeven omstandigheden het wapen ook op [slachtoffer 1] te richten en daadwerkelijk de trekker over te halen, heeft de verdachte bewust die aanmerkelijke kans aanvaard. De tenlastegelegde poging tot doodslag is daarmee bewezen.

Bewijsoverweging feit 2

De rechtbank is tevens van oordeel dat het onder deze omstandigheden tonen en richten van een wapen en het daadwerkelijk schieten daarmee bij [slachtoffer 1] zonder meer de redelijke vrees teweeg heeft kunnen brengen dat hij het leven zou laten. De rechtbank acht dus ook de tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 29 mei 2025 in Bocholtz een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

Omdat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- het proces-verbaal van bevindingen van 30 mei 2025, betreffende het aantreffen van het wapen en de munitie;

- het proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2025, betreffende het onderzoek naar het wapen en de munitie;

- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 10 februari 2026.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 1 primair:

op 29 mei 2025 te Bocholtz (in de gemeente Simpelveld) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met een vuurwapen gericht op en in de richting van en in de nabijheid van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2: op 29 mei 2025 te Bocholtz (in de gemeente Simpelveld) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] een vuurwapen te tonen en voor te houden en op die [slachtoffer 1] te richten en gericht te houden en (vervolgens) met dat vuurwapen te schieten;

Feit 3:

op 29 mei 2025 te Bocholtz (in de gemeente Simpelveld) een wapen en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (een illegaal omgebouwd alarmpistool van het merk Zoraki, M906-P en munitie (kogelpatronen in het kaliber 7.65 millimeter Browning) voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1 primair:

poging tot doodslag;

Feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt, zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat sprake was van een dreigende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, omdat [slachtoffer 1] met een krik op de verdachte is afgestormd. Het tonen van een vuurwapen was proportioneel en noodzakelijk, net als het schieten naast [slachtoffer 1] als reactie op het eerdere schot van [naam 2] . Subsidiair beroept de verdediging zich op noodweerexces, omdat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging van de verdachte. De verdachte stond onder hoogspanning op het moment dat [slachtoffer 1] met een krik op hem afkwam. Culpa in causa is niet aan de orde.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt vanwege culpa in causa. Bovendien werd de verdachte niet (meer) aangevallen op het moment dat hij het schot heeft gelost. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste.

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) als bedoeld in artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht en de vaste jurisprudentie hierover dient allereerst aannemelijk te zijn dat er sprake is geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen: (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen vervolgens noodzakelijke verdediging geboden was. Aannemelijk dient te zijn dat er objectieve omstandigheden waren die de verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. De subjectieve ervaring van de verdachte is daarbij niet leidend.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer(exces) en overweegt daartoe als volgt. Zij zal daarbij eerst de feiten uiteenzetten en vervolgens een onderscheid maken tussen het moment waarop de verdachte voor het eerst zijn wapen heeft getrokken (het eerste moment) en het moment waarop de verdachte daarmee heeft geschoten (het tweede moment).

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. De verdachte heeft met een niet-vergrendeld vuurwapen in zijn broekzak bij de woning van de verdachte aangebeld en aangeklopt. De verdachte is daarbij op ruime afstand - circa twee meter - van de voordeur gaan staan, waarbij hij zijn rechterhand - zoals zichtbaar op de beelden - in zijn broekzak heeft gehouden. Op het moment dat [slachtoffer 1] de voordeur open doet en met zijn motorjas aan met versnelde pas met een krik naar buiten komt, trekt de verdachte direct zijn hand, met daarin het vuurwapen, uit zijn broekzak en richt dat op [slachtoffer 1] . De daarop volgende seconden loopt [slachtoffer 1] met versnelde pas met een krik op de verdachte af, [slachtoffer 1] maakt geen slaande bewegingen met de krik. In tegendeel, [slachtoffer 1] houdt de hand met de krik tijdens het lopen deels omlaag. [slachtoffer 1] wijst daarbij tevens op de camera’s die aan zijn woning hangen. De verdachte en [slachtoffer 1] komen uit op de straat waarbij de verdachte op enige afstand - circa twee meter - van [slachtoffer 1] staat en [slachtoffer 1] nog steeds geen slaande bewegingen met de krik maakt. Vervolgens komt [slachtoffer 2] , die al uit het busje was gestapt voordat [slachtoffer 1] de voordeur had geopend, vanachter het busje vandaan en [slachtoffer 2] loopt op [slachtoffer 1] af en slaat [slachtoffer 1] . In reactie hierop slaat [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] met de krik. Op het moment dat [slachtoffer 1] naar achter terugdeinst, zet de verdachte drie stappen naar voren in de richting van [slachtoffer 1] met het vuurwapen op [slachtoffer 1] gericht. Tijdens de derde stap schiet [naam 2] vanuit de voordeur en onmiddellijk daarna - in diezelfde seconde en eveneens tijdens die derde stap - schiet de verdachte. Hoewel niet duidelijk is wanneer het vuurwapen doorgeladen werd, stelt de rechtbank wel vast dat het vuurwapen al was doorgeladen op het moment dat [naam 2] schoot.De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij het vuurwapen pas heeft doorgeladen nadat hij een schot hoorde en [slachtoffer 2] zag vallen, nu deze verklaring zijn weerlegging vindt in de beelden.

Het eerste moment

Gelet op het voorgaande is op het eerste moment (het moment waarop de verdachte voor het eerste zijn wapen heeft getrokken) geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer 1] richting de verdachte. Vervolgens rijst de vraag of op dat moment sprake is geweest van een daartoe onmiddellijk dreigend gevaar. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is geweest, nu [slachtoffer 1] geen slaande beweging in de richting van de verdachte heeft gemaakt, maar de hand met daarin de krik grotendeels omlaag houdt tijdens het lopen. Voor zover al sprake zou zijn geweest van een dreigend gevaar, faalt het beroep op noodweer, omdat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis en het juist de verdachte is geweest die de situatie heeft opgezocht door met een vuurwapen op een laat tijdstip bij [slachtoffer 1] thuis langs te gaan om het motorhesje op te eisen. In dat geval faalt het beroep op noodweerexces eveneens, omdat een hevige gemoedsbeweging in het geheel niet aannemelijk is geworden.

Het tweede moment

Ook ten aanzien van het tweede moment (het moment waarop de verdachte heeft geschoten) faalt een beroep op noodweer, omdat de gedragingen van de verdachte op grond van de uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden aangemerkt als verdediging, maar juist als aanvallend moet worden gezien.

De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat de verdachte kort vóórdat hij schoot drie stappen naar voren heeft gezet in de richting van [slachtoffer 1] die kort daarvoor juist door [slachtoffer 2] was aangevallen, terwijl [slachtoffer 1] op datzelfde moment zich naar achteren bewoog. De verdachte heeft daarmee bij het tweede moment zonder enige noodzaak zelf de confrontatie met [slachtoffer 1] opgezocht.

Voor zover de verdediging stelt dat de (dreigende) wederrechtelijke aanranding bestond uit het schot van [naam 2] , leidt dit evenmin tot een geslaagd beroep op noodweer.

De rechtbank overweegt daartoe het navolgende. Het verweer mist feitelijke grondslag. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij na het horen van een schot, [slachtoffer 2] zag vallen en toen als reactie zijn wapen heeft doorgeladen en daarop bewust naast [slachtoffer 1] heeft geschoten, als waarschuwingsschot.

De rechtbank stelt op basis van de beelden echter niet alleen vast dat de verdachte zijn wapen niet pas op dat moment heeft doorgeladen, maar ook dat [slachtoffer 2] nog niet was gevallen toen de verdachte het schot heeft gelost. Dat de verdachte niet in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Daarnaast heeft de verdachte in de richting van [slachtoffer 1] geschoten, terwijl het schot - en daarmee de vermeende (dreigende) aanranding - niet van [slachtoffer 1] afkomstig was. De rechtbank plaatst overigens ook haar vraagtekens bij de verklaring van de verdachte dat hij uit reactie op het schot van [naam 2] heeft geschoten, enerzijds gelet op het zeer korte tijdsverloop tussen de twee schoten en anderzijds gezien de omstandigheid dat de verdachte al de eerste - aanvallende - stappen in de richting van [slachtoffer 1] had gezet vóór het schot van [naam 2] . De rechtbank verwerpt derhalve, om voornoemde redenen, een beroep op noodweer.

Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, faalt het beroep op noodweerexces eveneens.

De verdachte is dus strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 7 jaren met aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat - in geval van een bewezenverklaring van een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] - een gevangenisstraf van 24 tot 30 maanden meer op zijn plaats is. Indien enkel de bedreiging en het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie bewezen worden verklaard, vindt hij een gevangenisstraf van 10 maanden passend.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] te doden door een vuurwapen op hem te richten en op hem te schieten. Doodslag behoort niet voor niets tot de ernstigste misdrijven die het strafrecht kent. De verdachte heeft het slachtoffer bijna beroofd van zijn meest kostbare bezit: zijn leven. Dat het geen fatale afloop heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid geweest die niet te danken is aan het handelen van de verdachte. De verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer tevens angst aangejaagd door hem met het wapen te bedreigen. Het is evident dat het handelen van de verdachte een grote impact heeft gehad op het slachtoffer. De verdachte heeft zich tot slot schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Dit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en draagt bij aan de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het bezit van vuurwapens regelmatig leidt tot het gebruik daarvan, zo ook in deze zaak. De verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de rechtsorde en de rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de bewezenverklaarde feiten zich hebben afgespeeld in de dorpskern van Bocholtz bij een bushalte en omliggende woningen en horecagelegenheden. De verdachte heeft zich kennelijk niets aangetrokken van dit gevaar voor eventuele derden.

Daarnaast heeft dit alles zich afgespeeld binnen een motorclub, waar de aanwezigheid van wapens lijkt te worden genormaliseerd en waarbij (vuurwapen)geweld kennelijk niet wordt geschuwd om conflicten op te lossen. Dit vormt een gevaar voor de veiligheid van de samenleving. Ook dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank houdt er verder in het nadeel van de verdachte rekening mee dat uit het strafblad van de verdachte van 19 augustus 2025 blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor vuurwapenbezit. De verdachte was dus een gewaarschuwd mens.

De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op het reclasseringsadvies van 26 januari 2026. Daarin staat vermeld dat het de verdachte niet lukt om afstand te nemen van zijn criminele netwerk. Eerdere interventies hebben niet geleid tot gedragsverandering. Daarbij is sprake van een zorgelijke ontwikkeling, omdat de type delicten steeds ernstiger worden. Het recidiverisico wordt dan ook als hoog ingeschat.

Hoewel de rechtbank de door de officier van justitie aangehaalde strafverzwarende omstandigheden aldus deelt, komt zij desondanks tot een lagere strafoplegging dan geëist. Dit is er in gelegen dat de rechtbank deze omstandigheden, mede in het licht van de bandbreedte van de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd, anders weegt in het bepalen van de hoogte van de straf.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.

7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 5.385 euro ter zake van feit 1 primair en feit 2. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

eigen risico zorgverzekering: 385 euro;

immateriële schade: 5.000 euro,

te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het oordeel van de rechtbank

De onder post a gevorderde schade heeft betrekking op het eigen risico zorgverzekering over 2026. De benadeelde partij heeft in dat verband gesteld dat hij verwacht dat hij zijn eigen risico in 2026 volledig zal gebruiken. De benadeelde partij heeft in dat verband gesteld dat bij hem PTSS is geconstateerd, dat hij is verwezen naar Mondriaan en dat de daadwerkelijke behandeling nog moet aanvangen. De benadeelde partij heeft dit evenwel niet met stukken onderbouwd, zodat de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht acht of de gestelde toekomstige schade daadwerkelijk zal intreden.

Voor wat betreft post b beschikt de rechtbank over onvoldoende gegevens om te kunnen vaststellen dat er sprake is van geestelijk letsel. Voor zover er gelet op de aard en de ernst van de normschending al van uit zou kunnen worden gegaan dat de benadeelde partij in zijn persoon is aangetast, is niet duidelijk of de schade uitsluitend het gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij is namelijk niet alleen slachtoffer geworden van een poging tot doodslag en een bedreiging, maar ook van het voor zijn ogen neerschieten van [slachtoffer 2] . Bovendien is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er in enigerlei mate sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. Verder onderzoek naar het voorgaande levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. Het beslag

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de volgende in beslag genomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer:

Nu het bewezenverklaarde met behulp van deze voorwerpen is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, dienen deze te worden onttrokken aan het verkeer.

Teruggave

De rechtbank zal ten aanzien van de volgende in beslag genomen voorwerpen de teruggave gelasten aan de verdachte:

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36d, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. De beslissing

Benadeelde partij

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Beslag

- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte:

Dit vonnis is gewezen door mr. B. de Groot, voorzitter, mr. drs. J.M.A. van Atteveld en mr. L.M.W. Peters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Mooijekind, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 februari 2026.

BIJLAGE: De - gewijzigde - tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

Feit 1 primair:

hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Bocholtz (in de gemeente Simpelveld) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade (een) ander(en), te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, met een vuurwapen gericht op en/of in de richting van en/of in de nabijheid vangenoemde personen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 1 subsidiair: hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Bocholtz (in de gemeente Simpelveld) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen in de richting van en/of nabijheid van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2: hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Bocholtz (in de gemeente Simpelveld), [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] een vuurwapen te tonen en/of voor te houden en/of een vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten en/of gericht te houden en/of (vervolgens) met dat vuurwapen te schieten;

Feit 3:

hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Bocholtz (in de gemeente Simpelveld) een wapen en/of munitie van categorie III, onder 1, te weten een vuurwapen (illegaal omgebouwd alarmpistool) van het merk Zoraki, M906-P en/of munitie te weten een of meer kogelpatronen in het kaliber 7.65 millimeter Browning, voorhanden heeft gehad.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?