RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11901118 \ CV EXPL 25-3882
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
1. [huurder] ,
te [plaats 1] ,
2. [bewindvoerder] , H.O.D.N. [bewindvoerderskantoor] , IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER IN HET BESCHERMINGSBEWIND VAN [huurder] ,
te [plaats 2] ,
eisende partijen in de verzetprocedure,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. J. van de Wiel,
tegen
WONINGSTICHTING MEERSSEN H.O.D.N. WONEN MEERSSEN,
te Meerssen,
gedaagde partij in de verzetprocedure,
hierna te noemen: Wonen Meerssen,
gemachtigde: Agin Otten Gerechtsdeurwaarders.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van de kantonrechter in deze rechtbank van 6 augustus 2025 met zaaknummer 11801721 CV EXPL 25-2970 (hierna: het verstekvonnis);
- het exploot van verzetdagvaarding van 23 september 2025 met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord in verzet met producties 10 tot en met 15;- de conclusie van repliek in verzet.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Wonen Meerssen verhuurt met ingang van 21 mei 2010 aan [huurder] de woning aan [adres 1] en met ingang van 22 juli 2015 ook een autobox/berging met [nummer] aan [adres 2] . De huur voor de woning bedraagt € 660,26 per maand en voor de autobox/berging € 66,58 per maand, in totaal aldus € 726,84 per maand, en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst ten aanzien van de woning zijn de Algemene Voorwaarden Huurovereenkomst Zelfstandige Woonruimte, zoals vastgesteld door het bestuur van Wonen Meerssen op 1 september 2005, van toepassing.
[huurder] heeft een huurachterstand laten ontstaan.
Op 17 april 2025 heeft Wonen Meerssen [huurder] aangemeld bij de gemeente of een namens de gemeente opererende schuldhulpinstantie.
Op 6 augustus 2025 is het verstekvonnis tegen [huurder] als gedaagde gewezen.
Bij beschikking van 11 augustus 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank bepaald dat met ingang van de dag na de datum van verzending van die beschikking bewind is ingesteld over de (toekomstige) goederen van [huurder] met benoeming van [bewindvoerder] tot bewindvoerder.
Op 28 augustus 2025 is het verstekvonnis tegen [huurder] van 6 augustus 2025 aan [bewindvoerder] betekend.
Op 11 september 2025 heeft [bewindvoerder] bij Agin Otten Gerechtsdeurwaarders een kopie van de originele dagvaarding opgevraagd en verzocht om opschorting van de aangezegde ontruiming.
3. Het geschil
[eisende partij] zijn in verzet gekomen tegen het tegen [huurder] gewezen verstekvonnis, waarbij de huurovereenkomsten met betrekking tot de woning en de garage zijn ontbonden en [huurder] is veroordeeld tot – samengevat – ontruiming van de woning en de garage, betaling van een bedrag van € 4.185,43 vermeerderd met de wettelijke rente, een bedrag van € 726,84 per maand vanaf 1 augustus 2025 tot en met de maand van de ontruiming van de woning en de garage en een bedrag van € 1.065,45 aan proceskosten.
[eisende partij] vorderen in verzet bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het vonnis van de rechtbank Limburg, kamer voor kantonzaken, locatie [plaats 2] op 6 augustus 2025 onder zaaknummer 11801721 CV EXPL 25-2970 tussen [huurder] en Wonen Meerssen bij verstek gewezen, te vernietigen;
II. Wonen Meerssen niet ontvankelijk te verklaren in haar bij dagvaarding van 10 juli 2025 beschreven vorderingen, althans de vorderingen van Wonen Meerssen af te wijzen;
III. Wonen Meerssen te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [huurder] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Bewind en tijdigheid verzet
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:441 lid 1 BW vertegenwoordigt de bewindvoerder tijdens het bewind de rechthebbende in en buiten rechte. Uit de Memorie van Toelichting op dit artikel en artikel 1:443 BW vloeit voort dat de bewindvoerder als formele procespartij moet worden beschouwd in gedingen, die de onder bewind gestelde goederen betreft. De goederen van [huurder] zijn onder bewind gesteld, zodat [huurder] niet zelfstandig bevoegd is om te procederen over de onder bewind gestelde goederen. Dit is voorbehouden aan de bewindvoerder. [huurder] zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn vorderingen.
De kantonrechter overweegt ambtshalve dat [bewindvoerder] als bewindvoerder wél ontvankelijk is in zijn verzet, nu hij met de dagvaarding van 23 september 2025 tijdig verzet heeft aangetekend tegen het verstekvonnis waarvan hij onweersproken heeft gesteld daarmee niet eerder dan 28 augustus 2025 bekend te zijn geraakt.
Inhoudelijke beoordeling van het geschil
[bewindvoerder] heeft weliswaar betwist dat de brieven van Wonen Meerssen door [huurder] zijn ontvangen, doch de kantonrechter gaat daar aan voorbij. Alhoewel uitgangspunt is dat een verklaring eerst werking heeft zodra zij de geadresseerde heeft bereikt en in voorkomend geval de bewijslast ter zake op de verzender rust, mag van [bewindvoerder] worden gevergd dat hij zijn (blote) ontkenning ook enigszins aannemelijk maakt en met feiten onderbouwt. Immers, alle brieven zijn gericht aan het adres van [huurder] en niet is gesteld of gebleken dat sprake was van een incorrecte postbezorging aan het adres van [huurder] , dan wel van een bijzondere situatie met betrekking tot de woonsituatie (zoals meerdere postbussen naast elkaar, open postvakken zoals in een studentenhuis etc.). Verder heeft [huurder] op bedoeld adres wel andere post ontvangen. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat [huurder] de betreffende post wel heeft ontvangen.
[bewindvoerder] heeft verder ook betwist dat de e-mails van Wonen Meerssen door [huurder] zijn ontvangen. Hoewel de door Wonen Meerssen gestelde e-mails d.d. 7 februari 2025, 5 maart 2025 en 4 april 2025 niet zijn overgelegd heeft [bewindvoerder] erkend dat de e-mail van 6 juni 2025, welke wel door Wonen Meerssen is overlegd, door [huurder] is ontvangen. Hierdoor staat vast dat [huurder] in ieder geval één keer op de hoogte is gesteld van de betalingsachterstand, zodat de stelling van [bewindvoerder] dat [huurder] niet op de hoogte was van de betalingsachterstand geen stand kan houden.
Los daarvan erkent [bewindvoerder] ook zelf er van bewust te zijn geweest dat hij niet aan zijn maandelijks huurverplichtingen voldeed. Door niet te betalen raakte [huurder] automatisch in verzuim, hetgeen uiteindelijk consequenties heeft.
De huurachterstand tot en met 31 juli 2025 van € 4.185,43 is komen vast te staan nu [bewindvoerder] erkent dat [huurder] tekort is geschoten in de betaling van de huur voor de woning en de garage en hij de hoogte van de huurachterstand verder niet heeft weersproken. [huurder] is dan ook in terecht bij verstek veroordeeld tot betaling van de huurachterstand tot en met 31 juli 2025 en de huur c.q. gebruikersvergoeding met ingang van 1 augustus 2025. Ook is [huurder] terecht veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente nu hij ten tijde van het verstekvonnis in verzuim verkeerde.
Ten aanzien van de ontbinding en de ontruiming geldt in beginsel dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij het recht geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden voldoende zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Hiertoe worden ook omstandigheden gerekend van na de gestelde tekortkoming.
[bewindvoerder] stelt zich op het standpunt dat Wonen Meerssen niet heeft aangetoond dat er zodanig ernstige tekortkomingen aan de zijde van [huurder] zijn geweest dat deze ontbinding van de huurovereenkomsten rechtvaardigen. Subsidiair stelt [bewindvoerder] zich op het standpunt dat als die tekortkomingen al hebben bestaan, deze thans adequaat zijn aangepakt door het instellen van bewind en het herstel van de huurbetalingen.
Uit 4.4 volgt dat er ten tijde van de oorspronkelijke dagvaarding een huurachterstand bestond van meer dan drie maanden. Deze tekortkoming is ernstig genoeg om ontbinding van de huurovereenkomsten te rechtvaardigen. Dat de lopende huur voor de woning inmiddels weer wordt voldaan en dat de goederen die [huurder] (zullen) toebehoren, onder bewind zijn gesteld nog voordat hij bekend was met de door Wonen Meerssen aanhangig gemaakte procedure, maken dat niet anders. De tekortkoming wordt daarmee namelijk niet ongedaan gemaakt aangezien de huurachterstand niet is voldaan en de verplichting om de huur op tijd te betalen geschonden blijft.
De door [bewindvoerder] (in het geheel niet onderbouwde) aangevoerde persoonlijke en financiële omstandigheden, maken dat niet anders. Die omstandigheden komen namelijk voor rekening en risico van [huurder] en doen niet af aan de belangen die Wonen Meerssen heeft bij een huurder die op tijd aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst voldoet. De kantonrechter acht verder nog van belang dat Wonen Meerssen onweersproken heeft gesteld dat zij [huurder] op 17 april 2025 heeft aangemeld bij de gemeente of een namens de gemeente opererende schuldhulpinstantie en daarmee artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening heeft nageleefd.
Verder doet [bewindvoerder] een beroep op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) nu [huurder] een minderjarige zoon heeft die in de woning verblijft. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 vormen de belangen van het kind de eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Aangenomen moet worden dat een ontruiming van de woning (ook) voor het minderjarige kind nadelige gevolgen meebrengt.
Bij de beoordeling van een op zichzelf gerechtvaardigde ontruiming zal het belang van het daarbij betrokken kind onder ogen gezien dienen te worden. Dit gaat evenwel niet zover dat de betrokkenheid van kinderen automatisch leidt tot een blokkade voor het executeren van een ontruimingsvonnis. Het is voor alles de taak van [huurder] om de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van al te nadelige gevolgen. Zowel de verantwoordelijkheid voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) als de verantwoordelijkheid voor het welzijn van het kind, rust in de eerste plaats op [huurder] . Om die reden dient niet te snel te worden aangenomen dat de betrokkenheid van kinderen aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg staat. Dit zal in bepaalde omstandigheden wel het geval kunnen zijn als de ontruiming tot een acute noodsituatie voor een kind zal leiden.
De kantonrechter is van oordeel dat van een acute noodsituatie voor het minderjarige kind van [huurder] bij ontruiming van het gehuurde geen sprake is. [huurder] was al vanaf mei 2025 via de gemeente Meerssen en de GGD dat er een uithuiszetting dreigde wegens een forse huurachterstand. Van [huurder] mocht worden verwacht dat hij zich tot het uiterste inspant om alternatieve woonruimte te vinden. Gelet op de tijd die [huurder] daarvoor tot nu toe heeft gehad én vooralsnog heeft, kan niet worden volgehouden dat de situatie die ontstaat bij de aanzegging van de ontruiming is aan te merken als een acute noodtoestand. Verder is niet gesteld of gebleken dat het kind geen netwerk heeft waarop hij, na ontruiming uit de woning, zal kunnen terugvallen of dat het kind (tijdelijk) kan worden opgevangen door de moeder zodat hij niet op straat komt te staan. De kantonrechter ziet hierin geen aanleiding om de gevorderde ontruimingstermijn te verlengen.
Het bovenstaande leidt ertoe dat de kantonrechter het verzet ongegrond zal verklaren en het door de kantonrechter gewezen verstekvonnis zal bekrachtigen, waarbij [bewindvoerder] , als de in het ongelijk gestelde partij, zal worden veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure (inclusief nakosten). De proceskosten van Wonen Meerssen worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
288,00
(1 punt × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
432,00
5. De beslissing
De kantonrechter
verklaart [huurder] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen in verzet,
verklaart het verzet ongegrond,
bekrachtigt het door de kantonrechter op 6 augustus 2025 tussen Wonen Meerssen en [huurder] bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 11801721 CV EXPL 25-2970,
veroordeelt [bewindvoerder] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bewindvoerder] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.