RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11398184 \ CV EXPL 24-6104
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Yadegari,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
wonende te [plaats 2] ,2. [gedaagde 2] ,
wonende te [plaats 2] ,beiden vennoten in de ontbonden vennootschap onder firma [V.O.F.],
gedaagden,
hierna samen te noemen: [gedaagden] , of afzonderlijk: de ontbonden [V.O.F.] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. D.O.M. Klinkers.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de mondelinge behandeling van 9 mei 2025,
- de conclusie van repliek, tevens houdende een wijziging van eis,- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
Op 18 maart 2023 hebben [eiser] en [gedaagden] een koopovereenkomst gesloten. [eiser] heeft van [gedaagden] een GE Peugeot 5008 met [kenteken] (hierna: de auto) gekocht voor een bedrag van € 6.650,00.
Op 21 april 2023 is de auto aan [eiser] geleverd.
De auto had bij levering een kilometerstand van 156.000 à 157.000.
Na de levering van de auto heeft [eiser] gemeld dat sprake was van een startprobleem en een niet, althans niet goed, werkende airco. Ook was volgens [eiser] sprake van hoog olieverbruik.
In juli 2023 is [eiser] tijdens zijn vakantie met de auto gestrand in Frankrijk. Via de ANWB heeft [eiser] aldaar een Peugeot garage bezocht. Daar is vastgesteld dat de turbo defect was. [eiser] heeft de turbo laten vervangen.
Op 7 juli 2023 heeft [eiser] via WhatsApp aan [gedaagden] bericht dat, naast de turbo, ook de roetfilter en waterpomp zijn vervangen.
Vanaf 23 juli 2023 hebben [eiser] en [gedaagden] via WhatsApp gecorrespondeerd over problemen die [eiser] met de auto ervoer. [eiser] heeft laten weten dat hij herhaaldelijk olie moest bijvullen en dat er nog andere problemen waren. Op 9 oktober 2023 laat [eiser] weten dat hij telefonisch overleg heeft gehad met een Peugeot garage en dat er maar twee oplossingen zijn: ofwel de motor van de auto moet worden vervangen ofwel hij krijgt een andere auto. Op 23 oktober 2023 heeft [eiser] de auto naar [gedaagden] gebracht. Partijen hebben uiteindelijk geen oplossing weten te bereiken. [eiser] heeft de auto op enig moment weer opgehaald bij [gedaagden] .
Bij brief van 30 oktober 2023 heeft [eiser] [gedaagden] in gebreke gesteld. Daarbij heeft hij een termijn verleend van zeven dagen om de volgens hem aanwezige gebreken kosteloos te herstellen. [gedaagden] heeft hieraan geen gevolg gegeven.
Bij brief van 18 april 2024 heeft [eiser] [gedaagden] laten weten dat hij de koopovereenkomst ontbindt.
3. Het geschil
[eiser] vordert, na zijn eis bij conclusie van repliek te hebben vermeerderd, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
“Primair (buitengerechtelijke ontbinding)
Voor recht verklaart dat de tussen partijen bestaande koopovereenkomst op rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden en Verkoper hoofdelijk te veroordelen de volledige Koopsom van € 6.650,00 aan [eiser] terug te betalen of een evenredig deel daarvan indien uw rechtbank slechts partiële ontbinding wettigt tot een door u in goede justitie te bepalen bedrag.
Subsidiair (gerechtelijke ontbinding/vernietiging)
De tussen partijen bestaande koopovereenkomst te ontbinden op grond van non-conformiteit dan wel te vernietigen op grond van dwaling en Verkoper hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de volledige Koopsom ad € 6.650,00 aan Koper althans een evenredig deel daarvan indien uw rechtbank slechts partiële ontbinding of vernietiging wettigt tot een tot een door u in goede justitie te bepalen bedrag.
Meer subsidiair (kosteloos herstel)
(…) Verkoper te veroordelen om de auto op te (laten) halen en de gebreken kosteloos te herstellen. (…)
Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair
I. Verkoper te hoofdelijk veroordelen tot betaling van € 6.650,00, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 856,08 alsook de van toepassing zijnde wettelijke (handels)rente te rekenen vanaf datum van verzuim, althans datum van ontbinding dan wel in ieder geval de datum van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening,
II. Verkoper te hoofdelijk veroordelen tot betaling van € 4.314,03, bestaande uit onder meer onderzoekskosten, motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies, het totaalbedrag te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 673,25 alsook de van toepassing zijnde wettelijke (handels)rente te rekenen vanaf datum van verzuim, althans datum van ontbinding dan wel in ieder geval de datum van de dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening,
III. Verkoper te veroordelen de auto onmiddellijk te vrijwaren, op straffe van een hoofdelijke dwangsom van € 500,00 per (onvoltooide deel van een) dag dat Verkoper geen deugdelijk vrijwaringsbewijs verschaft aan Koper en daarmee Koper bevrijdt van zijn kentekenhoudersverplichtingen (MRB en WA), een en ander tot een maximum van € 20.000,00,
IV. Zulks met hoofdelijke veroordeling van Verkoper in de kosten van het geding, (…).”
[gedaagden] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , waaronder ook de vermeerdering van eis, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
4. De beoordeling
Ontbonden v.o.f. en vennoten in rechte betrokken
[eiser] heeft niet alleen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als vennoten van de inmiddels ontbonden vennootschap onder firma [gedaagden] gedagvaard, maar ook de ontbonden vennootschap zelf. Nu niet gesteld of gebleken is dat de vereffening en verdeling van de vennootschap al is afgewikkeld en ook niet is gesteld of gebleken dat er geen vennootschappelijk vermogen (het voor het bedrijf van de vof bestemde vermogen dat is afgescheiden van de privé vermogens van de vennoten) meer is waarop verhaal mogelijk is, heeft [eiser] ook belang bij zijn vordering voor zover deze jegens de ontbonden vennootschap is ingesteld.
[eiser] heeft hoofdelijk uit te spreken veroordelingen gevorderd. Artikel 18 van het Wetboek van Koophandel bepaalt dat ieder van de vennoten hoofdelijk verbonden is wegens de verbintenissen van de vennootschap. Deze bepaling brengt mee dat iedere vennoot voor het geheel aansprakelijk is ter zake van de verbintenissen van de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten. Dit brengt mee dat eventuele veroordelingen hoofdelijk zullen worden uitgesproken.
Wijziging van eis
[eiser] heeft bij conclusie van repliek zijn eis vermeerderd. [gedaagden] heeft geen bezwaar gemaakt tegen die eisvermeerdering als zodanig. Wel heeft zij inhoudelijk verweer gevoerd. Gelet hierop en op het feit dat de kantonrechter ook geen aanleiding ziet om de eiswijziging op de voet van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ambtshalve buiten beschouwing te laten, zal de kantonrechter ook de vermeerdering van eis beoordelen.
Consumentenkoop
[eiser] heeft de auto als natuurlijk persoon, die niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf, gekocht. [gedaagden] handelde als verkoper in het kader van de uitoefening van haar bedrijf. De koop kwalificeert als een consumentenkoop zoals bedoeld in artikel 7:5 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De vorderingen zullen daarom met inachtneming van het hiervoor geldende toetsingskader worden beoordeeld.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van non-conformiteit geldt het volgende. In artikel 7:17 BW is bepaald dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden en dat dat niet het geval is als de zaak, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in ieder geval verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Wat onder ‘normaal gebruik’ moet worden verstaan, is afhankelijk van de verkeersopvattingen.
Volgens vaste jurisprudentie moet als regel worden aangenomen dat in het geval een (tweedehands) auto wordt gekocht om daarmee, naar de verkoper bekend is, aan het verkeer deel te nemen, de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst, indien als gevolg van een eraan klevend gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld, zodanig gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren. Dit is dus de ondergrens van wat de koper mag verwachten. Niet uitgesloten is dat deze regel uitzondering lijdt, bij voorbeeld wanneer de koper het risico van een zodanig gebrek heeft aanvaard.
Als het gebruik van de auto door het gebrek geen gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert, moet de rechter beoordelen of een verondersteld gebrek tot non-conformiteit leidt. De vraag is dan of het gestelde gebrek, zo dat ook daadwerkelijk aanwezig is, maakt dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. In dit verband is het volgende van belang.
Een auto is aan slijtage onderhevig en in het algemeen geldt dat de kans dat gebreken gaan optreden groter wordt naarmate de auto ouder is en meer kilometers op de teller heeft. Dat gegeven is verdisconteerd in de koopprijs van een tweedehandsauto auto, die lager is dan de aanschafprijs van een nieuwe auto. [eiser] heeft een tweedehands auto gekocht van 13 jaar oud voor € 6.650,00. Deze auto had bij aankoop en levering 156.000 à 157.000 kilometer op de teller (daarover hierna meer). [eiser] moet als koper daarom rekening ermee houden dat de kans dat zich na aankoop een probleem voordoet bij deze auto in het algemeen groter is dan bij de aankoop van een nieuwe auto. Dit is nou eenmaal het nadeel dat tegenover het voordeel van een veel lagere aanschafprijs staat. Met andere woorden, niet ieder probleem dat zich na aankoop van een tweedehands auto voordoet, maakt dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt.
Ten slotte geldt dat op grond van artikel 7:18a lid 2 BW wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordt, als de afwijking ten opzichte van hetgeen is overeengekomen zich binnen één jaar na aflevering openbaart, tenzij de verkoper anders aantoont of de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.
De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] met inachtneming hiervan beoordelen.
De primaire vordering (verklaring voor recht over buitengerechtelijke ontbinding)
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. [gedaagden] betwist dat. [eiser] heeft onder randnummer 11 van de dagvaarding een opsomming gegeven van de volgens hem aanwezige gebreken. Op basis van die opsomming kan echter niet zonder meer worden geoordeeld dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. De enkele gestelde aanwezigheid van een of meer gebreken is daarvoor in dit geval, waar het zoals gezegd gaat om een tweedehands auto van 13 jaar oud en 156.000 à 157.000 kilometer op de teller, niet voldoende.
Zo betekent bijvoorbeeld het feit dat de auto in de noodloop terecht is gekomen niet automatisch dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. Hetzelfde geldt voor het feit dat een foutmelding is verschenen of dat sprake is van een hoog olieverbruik. Dit klemt te meer nu [eiser] tijdens de mondelinge behandeling zelf heeft verklaard dat de onderliggende oorzaak van de gestelde problemen is gelegen in slijtage van de motor. [eiser] heeft niet toegelicht wat maakt dat slijtage van de motor bij een auto van 13 jaar oud met 156.000 à 157.000 kilometer op de teller, de conclusie rechtvaardigt dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt.
[eiser] heeft bij dagvaarding weliswaar ook verwezen naar een tweetal diagnoseformulieren, maar die heeft hij niet van een toelichting voorzien. Hij heeft weliswaar verzocht de bevindingen als herhaald en ingelast te beschouwen, maar dat baat hem niet. Het is, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, immers niet aan de kantonrechter om uit in het geding gebrachte stukken zelf stellingen te gaan destilleren die steun zouden kunnen bieden voor de juistheid van het standpunt van de partij die de betreffende stukken in het geding brengt. Op basis van die formulieren kan dus, bij gebreke van een deugdelijke toelichting op die formulieren, ook niet worden geoordeeld dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter daarom gevraagd wat volgens [eiser] maakt dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. In reactie daarop heeft de gemachtigde van [eiser] gezegd: “Ik verwijs naar randnummer 27 van de dagvaarding en naar productie 5 bij dagvaarding.” In randnummer 27 wordt verwezen naar die productie 5. Daarnaast wordt verzocht de bevindingen uit die productie als herhaald en ingelast te beschouwen. Productie 5 bevat drie verschillende documenten, waaronder een diagnoseformulier.
Zoals gezegd, is het niet aan de kantonrechter om die documenten onder de loep te nemen en om daarin op zoek te gaan naar argumenten die steun bieden voor de juistheid van het standpunt van [eiser] . Om [eiser] in de gelegenheid te stellen alsnog de gevraagde opheldering op deugdelijke wijze te geven en [gedaagden] de kans te geven daarop te reageren, heeft de kantonrechter de mondelinge behandeling gestaakt en de zaak verwezen naar de rol voor schriftelijk voort procederen. Bij conclusie van repliek is die opheldering echter ook niet gegeven.
Dit alles brengt mee dat [eiser] in het licht van de betwisting daarvan door [gedaagden] onvoldoende heeft onderbouwd dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt vanwege de aanwezigheid van de onder randnummer 11 opgesomde gebreken. Aangezien uitsluitend die opsomming ten grondslag ligt aan de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring die bij brief van 18 april 2024 is uitgebracht, heeft deze geen effect gesorteerd. De primaire vordering is daarom niet toewijsbaar.
De subsidiaire vordering (ontbinding dan wel vernietiging van de overeenkomst)
Dit ligt anders voor de subsidiair gevorderde ontbinding van de overeenkomst. Daaraan ligt namelijk ook de stelling dat de kilometerstand van de auto is teruggedraaid aan ten grondslag. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagden] niet betwist dat de kilometerstand is teruggedraaid. Zij betoogt dat ze niet op de hoogte was van “de eventuele terugdraai van de kilometerstand”. In verband hiermee voert [gedaagden] aan dat zij dit niet eenvoudig had kunnen vaststellen. Het rapport van de RDW is volgens haar leidend en het is gebruikelijk dat de gegevens van de RDW worden bekeken. De RDW heeft geen oordeel gegeven over de kilometerstand, omdat de auto is geïmporteerd. Dit heeft gelet op de kilometerstand en de leeftijd van de auto bij [gedaagden] geen twijfel doen oproepen, aldus nog steeds [gedaagden] . Pas bij conclusie van dupliek, waarop [eiser] niet meer heeft kunnen reageren, bestrijdt [gedaagden] dat de kilometerstand is teruggedraaid. Volgens haar is de auto NAP gecontroleerd. Volgens [gedaagden] liggen met het oog op het gering verschil andere scenario’s voor de hand, zoals een administratieve fout bij het invoeren van de kilometerstand of bij het invoeren van de auto naar Nederland.
Nog los van het feit dat [gedaagden] pas bij dupliek heeft betwist dat de kilometerstand is teruggedraaid, hetgeen te laat is aangezien [eiser] daarop niet meer heeft kunnen reageren, zou die betwisting ook als de kantonrechter daar wel rekening mee zou kunnen houden als onvoldoende gemotiveerd moeten worden gepasseerd.
Daarbij stelt de kantonrechter voorop dat [eiser] zijn stelling dat de kilometerstand fors, om en nabij 39.000 kilometer, is terug gedraaid, heeft gestaafd met het door hem als productie 10 bij dagvaarding in het geding gebrachte rapport van CarVertical. Blijkens de rapportage van CarVertical is de kilometerstand van de auto tussen januari 2020 en oktober 2021 met om en nabij 39.000 kilometer teruggedraaid. De juistheid van deze rapportage is niet, althans onvoldoende ongemotiveerd, betwist. Daar komt bij dat op geen enkele manier is onderbouwd dat in dit geval een administratieve fout is gemaakt. Dat de auto NAP is gecontroleerd kan ook niet tot de conclusie leiden dat de kilometerstand niet is teruggedraaid. Dat een controle heeft plaatsgevonden zegt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, op zichzelf immers niets over de vraag of de kilometerstand wel of niet is teruggedraaid. In het verlengde hiervan is die enkele stelling onvoldoende om de bevindingen in de rapportage van CarVertical te weerleggen. Bij de verdere beoordeling gaat de kantonrechter dan ook ervan uit dat de kilometerstand met om en nabij 39.000 kilometer is teruggedraaid.
Dat betekent dat de kilometerstand ten tijde van de verkoop en levering om en nabij 196.000 moet zijn geweest. Het staat vast dat de auto niet met deze kilometerstand is verkocht. Dit verschil in kilometerstand is, anders dan [gedaagden] betoogt, een verschil dat niet als gering kan worden gekwalificeerd. De auto beantwoordt gelet op het feit dat de kilometerstand met om en nabij 39.000 kilometer is teruggedraaid, niet aan de overeenkomst. Beide partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling namelijk verklaard dat de auto is verkocht en geleverd met een kilometerstand die om en nabij 156.000 à 157.000 bedroeg. [gedaagden] heeft in het kader van de verkoop ook niet vermeld dat de kilometerstand van 156.000 à 157.000 mogelijk onjuist was.
Volgens vaste jurisprudentie over geschillen over de koop van tweedehands auto's is het aantal met een gebruikte auto gereden kilometers voor een koper essentieel en garandeert de verkoper - zeker wanneer er sprake is van een professionele verkoper en een particuliere koper - de juistheid van de kilometerstand van de auto in beginsel stilzwijgend. De kantonrechter heeft geen reden om in deze zaak anders hierover te oordelen, aangezien niet is gesteld dat [gedaagden] bij verkoop van de auto een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de juistheid van de kilometerstand.
Ook als het zo is dat [gedaagden] niet wist dat de kilometerstand van de auto is teruggedraaid, zoals zij aanvoert, maakt dat voorgaande niet anders. Hetzelfde geldt voor de stelling dat zij dit niet eenvoudig had kunnen vaststellen en dat het RDW-rapport leidend is. De RDW heeft in dit geval geen oordeel gegeven over de kilometerstand. Daarom had het eens te meer op de weg van [gedaagden] gelegen om ofwel nader onderzoek te doen naar de juistheid van de kilometerstand dan wel om bij verkoop uitdrukkelijk te vermelden dat zij de juistheid van de kilometerstand niet kunnen garanderen. Overigens is het antwoord op de vraag of [gedaagden] de juistheid van de kilometerstand al dan niet eenvoudig had kunnen vaststellen, niet relevant voor het antwoord op de vraag of de auto aan de overeenkomst beantwoordt.
Nu uit het voorgaande volgt dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt en herstel / vervanging gezien de aard van het gebrek niet mogelijk is, is de subsidiair ingestelde ontbindingsvordering toewijsbaar. [gedaagden] heeft bij conclusie van dupliek weliswaar nog een beroep op de schending van de klachtplicht gedaan, maar dat is te laat. Dat had bij antwoord moeten gebeuren. [eiser] heeft daar niet meer op kunnen reageren, reden waarom de kantonrechter dit beroep niet bij de beoordeling betrekt. De hoofdelijk gevorderde veroordeling van [gedaagden] tot terugbetaling van de koopsom is eveneens toewijsbaar.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de kantonrechter niet meer toe aan een beoordeling van het beroep op dwaling en de meer subsidiaire vordering.
Gevolgen ontbinding koopovereenkomst
Het gevolg van de ontbinding van de koopovereenkomst is dat [eiser] de auto aan [gedaagden] moet teruggeven. Op dit punt is echter geen vordering ingesteld, zodat de kantonrechter geen veroordeling daartoe kan en zal uitspreken. Het ligt in de rede dat partijen bij de terugbetaling van de koopsom en de afgifte van de auto “gelijk oversteken”.
Verder is gevorderd dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot, naar de kantonrechter begrijpt, onmiddellijke vrijwaring van het kentekenbewijs op straffe van een dwangsom. Een veroordeling tot onmiddellijke vrijwaring is niet toewijsbaar. Die vrijwaring zal moeten plaatsvinden in het kader van de teruggave van de auto door [eiser] aan [gedaagden] . Deze vordering wordt daarom afgewezen. De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen dit in het kader van de teruggave van de auto zullen regelen.
De schadevergoedingsvordering
[eiser] maakt niet alleen aanspraak op terugbetaling van de koopsom. Hij vordert ook schadevergoeding. Deze vordering valt in twee componenten uiteen. Een deel van de vordering strekt tot vergoeding van de kosten die [eiser] heeft gemaakt in verband met de te betalen motorrijtuigenbelasting en de verzekeringspremies. [eiser] heeft op dit punt gesteld, althans zo begrijpt de kantonrechter zijn stelling, dat deze kosten voor rekening van [gedaagden] komen, nu het ten behoeve van de auto gemaakte kosten betreffen, ook omdat geen sprake is van een situatie waarin hij door het gebruik maken van de auto schadeloos is gesteld. Dit onderdeel van de vordering ligt voor toewijzing gereed nu [gedaagden] dit niet heeft weersproken. Het betreft, zoals [eiser] onweersproken heeft gesteld, een bedrag van € 76,67 per maand over de periode van 24 april 2023 tot 31 januari 2024 ter zake de motorrijtuigenbelasting. Daarnaast betreft het € 45,01 per maand over de periode van 24 april 2023 tot 31 januari 2024 ter zake de verzekeringspremies.
Het tweede deel van de schadevergoedingsvordering strekt tot vergoeding van hetgeen [eiser] in de dagvaarding “extra kosten” noemt. [eiser] heeft in dit verband onweersproken gesteld dat hij onderzoek aan de auto heeft moeten (laten) verrichten en dat hij hiervoor kosten heeft moeten maken. Dit gedeelte van de vordering is niet toewijsbaar. Dit onderdeel van de vordering is, zo begrijpt de kantonrechter, uitsluitend gebaseerd op de stelling dat [eiser] deze kosten heeft moeten maken in verband met de door hem onder randnummer 11 van de dagvaarding gestelde gebreken. Uit het voorgaande volgt dat op basis van die gestelde gebreken niet kan worden gezegd dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. Daarom bestaat ook geen grond voor toewijzing van de hierop gebaseerde schadevergoedingsvordering.
Voor het overige is de vordering ook niet toewijsbaar. [eiser] heeft enkel in algemene zin gesteld dat “de uit hoofde van de tussen partijen bestaande overeenkomst voortvloeiende schade - en daaropvolgende schadevergoeding - voor toewijzing in aanmerking komt reeds is vervlochten in de vernietiging dan wel ontbinding van de overeenkomst.” Dit is bezien in samenhang met de algemene verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:22 lid 4 BW en het bepaalde in artikel 7:24 BW onvoldoende om de vordering voor het overige te dragen.
Het ligt op de weg van [eiser] om de feiten en omstandigheden te stellen die het door hem ingeroepen rechtsgevolg, te weten een veroordeling van [gedaagden] tot vergoeding van de overige onder het kopje “Extra kosten” genoemde posten, dragen. Dit heeft [eiser] niet althans onvoldoende gedaan. [eiser] heeft namelijk niets gesteld over het causaal verband tussen de tekortkoming in de nakoming van de op [gedaagden] rustende verbintenis om een auto te leveren die aan de overeenkomst beantwoordt en de door hem gevorderde schadevergoeding. Daarmee heeft hij niet aan de op hem rustende stelplicht voldaan. De vordering wordt daarom voor zover deze strekt tot vergoeding van de overige posten afgewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, in totaal een bedrag van € 1.529,33. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden, inclusief de daarover verschuldigde btw. Gelet op het in hoofdsom toe te wijzen bedrag, zal conform de staffel een bedrag van € 922,33 aan incassokosten inclusief btw worden toegewezen.
De wettelijke (handels)rente
[eiser] vordert de koopsom, als ook de schadeposten en de buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat [eiser] sowieso geen aanspraak heeft op betaling van de handelsrente. Aangezien [eiser] ook geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die het door hem ingeroepen rechtsgevolg, betaling van rente, kunnen dragen, heeft hij niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht. De vordering die strekt tot betaling van de wettelijke rente wordt daarom ook afgewezen.
Proceskosten
[eiser] heeft bij zijn vermeerdering van eis gevorderd dat [gedaagden] wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten. [gedaagden] heeft daartegen verweer gevoerd.
De kantonrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een dergelijke vordering slechts toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake als het instellen van de vordering of het gevoerde verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering of gedaagde zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.
Die situatie doet zich hier niet voor. De vordering wordt voor zover deze strekt tot vergoeding van de werkelijke proceskosten afgewezen. De proceskosten zullen worden berekend op basis van het gebruikelijke liquidatietarief.
[gedaagden] is overwegend in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
276,77
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 678,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.337,77
Aan salaris gemachtigde is twee punten toegekend hoewel na de mondelinge behandeling is voort geprocedeerd, omdat de noodzaak daartoe was gelegen in de wijze van procederen door (de gemachtigde van) [eiser] .
5. De beslissing
De kantonrechter:
ontbindt de tussen [eiser] en [gedaagden] op 18 maart 2023 gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de GE Peugeot 5008 met [kenteken] ,
veroordeelt [gedaagden] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] terug te betalen de koopsom van € 6.650,00,
veroordeelt [gedaagden] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 76,67 per maand over de periode van 24 april 2023 tot 31 januari 2024 aan kosten ter zake de motorrijtuigenbelasting,
veroordeelt [gedaagden] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 45,01 per maand over de periode van 24 april 2023 tot 31 januari 2024 aan kosten ter zake de verzekeringspremies,
veroordeelt [gedaagden] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 922,33 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw,
veroordeelt [gedaagden] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.337,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.