ECLI:NL:RBLIM:2026:2026

ECLI:NL:RBLIM:2026:2026

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer C/03/333917 / HA ZA 24-373
Rechtsgebied Civiel recht; Goederenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Civiel recht. Eindvonnis in de bodemprocedure. Burengeschil. Vordering in reconventie tot verplaatsing van de erfafscheiding tussen de percelen in de achtertuin (5:49 BW) afgewezen na grensreconstructie wegens misbruik van bevoegdheid ex art. 3:13 BW.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/333917 / HA ZA 24-373

Vonnis van 4 maart 2026

in de zaak van

[persoon 1] ,

wonende te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

hierna te noemen: [persoon 1] ,

advocaat: mr. A. de Rooij te Den Haag,

tegen

[persoon 2] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [persoon 2] ,

advocaat: mr. D.E.J. Maes te Amsterdam

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 augustus 2025,

- het deskundigenrapport,

- de conclusie na deskundigenrapport van [persoon 1] met de aanvullende producties 19 en 20,

- de akte uitlating na deskundige van [persoon 2] .

2. De verdere beoordeling

in reconventie

Bij akte van 16 juli 2025 heeft [persoon 2] haar eis in reconventie gewijzigd. De gewijzigde vorderingen luiden als volgt. [persoon 2] vordert dat de rechtbank:

1. zal bepalen dat [persoon 1] gehouden zal zijn medewerking te verlenen tot het verplaatsen van de erfafscheiding op de kadastrale grens, waarbij de werkzaamheden aan een derde zullen worden uitbesteed en partijen gezamenlijk deze kosten zullen dragen, binnen veertien dagen na een verzoek van [persoon 2] daartoe, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van

€ 10.000,-;

2. zal bepalen dat [persoon 1] zijn taxushaag binnen twee weken na dit vonnis moet snoeien tot op de erfgrens en gesnoeid moet houden tot op de erfgrens, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,-;

3. [persoon 1] , uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen in de kosten van dit geding, zowel in conventie als in reconventie, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde (de rechtbank begrijpt: de advocaat) van [persoon 2] .

Bij tussenvonnis van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank een door het Kadaster uit te voeren deskundigenonderzoek bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:

Waar loopt de kadastrale grens in de achtertuinen tussen het perceel gelegen aan het [adres 1] (nr. [perceel 1] ) en het perceel gelegen aan het [adres 2] (nr. [perceel 2] )? Gelieve dit voor partijen zichtbaar te maken in de tuin(en) en hiervan (zoals gebruikelijk) door middel van een grensreconstructie/meetschets verslag te doen;

Hoe verhoudt de feitelijke erfafscheiding (het hekwerk) zich tot de gereconstrueerde kadastrale grens? Op welk perceel bevindt zich deze afscheiding en wat is de afstand tot de kadastrale grens? Gelieve de beantwoording van deze vragen ook schriftelijk vast te leggen (al dan niet in voornoemde meetschets).

De deskundige heeft in zijn rapport van 22 oktober 2025 de volgende bevindingen opgenomen:

“(…)

Omschrijving van de aangewezen kadastrale grenzen

Gereconstrueerde grens loopt van ijzeren buis naar noordwesthoek [adres 2] vervolgens kant gevel volgen en verlengen tot snijding met voorgevel garage, hier knikt grens naar noordoosthoek garage, vervolgens knikt grens langs oostgevel garage en deze wordt verlengd naar gele markering op muur voor de richting.

(…)”

De door de deskundige opgestelde kadastertekening ziet er als volgt uit:

[afbeelding geanonimiseerd]

Bij conclusie na deskundigenrapport heeft [persoon 1] aangegeven dat de deskundige enkel antwoord heeft gegeven op onderzoeksvraag 1. en dat onderzoeksvraag 2. niet is beantwoord, althans dat het antwoord onvolledig is. Desondanks is volgens [persoon 1] wel uit het rapport af te leiden dat de feitelijke erfafscheiding op het perceel van [persoon 2] staat, maar dat de gemiddelde afstand van het hekwerk tot de kadastrale erfgrens slechts drie centimeter is. Volgens [persoon 1] is deze mate van overschrijding zo gering dat het verzoek van [persoon 2] tot verplaatsing van het hekwerk ongerechtvaardigd is.

[persoon 2] heeft bij akte uitlating na deskundige aangegeven dat op de kadastertekening duidelijk te zien is dat de feitelijke erfafscheiding tussen de percelen geheel op haar perceel staat. Op de breedste plek gaat dit volgens haar om vijf centimeter. [persoon 2] handhaaft om die reden haar vordering tot verplaatsing van de erfafscheiding.

Verdere beoordeling naar aanleiding van het deskundigenrapport

De rechtbank stelt voorop dat partijen – behoudens de opmerking van [persoon 1] zoals weergegeven in rov. 2.4. – geen bezwaren hebben ingebracht tegen het rapport van de deskundige. De rechtbank zal daarom het oordeel van de deskundige overnemen. De rechtbank gaat er op basis van dat oordeel van uit dat de feitelijke erfafscheiding tussen de achtertuinen van partijen geheel op het perceel van [persoon 2] staat, met een maximale afstand van vijf centimeter en een minimale afstand van één centimeter tot de gereconstrueerde kadastrale erfgrens. Nu duidelijk is geworden dat het hekwerk op het perceel van [persoon 2] staat en niet op de kadastrale erfgrens, is het de vraag of [persoon 2] medewerking van [persoon 1] kan vorderen aan verplaatsing van de feitelijke erfafscheiding naar de kadastrale erfgrens, op kosten van beide partijen.

Op grond van artikel 5:49 BW kan ieder der eigenaars van aangrenzende erven in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente te allen tijde vorderen dat de andere eigenaar ertoe meewerkt dat op de grens van de erven een scheidsmuur wordt opgericht, waarbij de eigenaars voor gelijke delen bijdragen in de kosten van die afscheiding. Naar de rechtbank begrijpt vordert [persoon 2] op grond van deze bepaling dat het bestaande hekwerk tussen de percelen van partijen vanaf haar perceel wordt verplaatst naar de kadastrale erfgrens.

[persoon 1] voert als meest verstrekkend verweer dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen bij tussenvonnis van 2 juli 2025 (rov. 4.6.) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt (art. 3:13 lid 1 BW). Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden, of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval iemand, vanwege de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (art. 3:13 lid 2 BW). Dit leerstuk moet terughoudend worden toegepast. Het is daarbij aan [persoon 1] om voldoende feiten te stellen, en eventueel te bewijzen, op grond waarvan tot een dergelijk misbruik kan worden geconcludeerd. De belangen van partijen zijn als volgt.

[persoon 2] voert aan dat zij belang heeft bij verplaatsing van de erfafscheiding, omdat zij in de huidige situatie een strook grond mist over de gehele lengte van haar tuin. Dit is ook nadelig met betrekking tot overhangende takken van de bomen. De takken hangen weliswaar over het hekwerk maar feitelijk volgens [persoon 2] nog op haar eigen perceel.

[persoon 1] heeft er belang bij dat de huidige situatie blijft zoals die is. De overschrijding van de kadastrale erfgrens is dermate gering dat dit niet in verhouding staat tot de hoge kosten die het verplaatsen van het hekwerk met zich mee gaat brengen, aldus [persoon 1] . Verplaatsing van het hekwerk zal volgens [persoon 1] kostbaar zijn omdat het hekwerk met betonnen palen in de grond is vastgemaakt en een derde partij de verplaatsing zal moeten verzorgen. Daarnaast is het hekwerk destijds met een reden bevestigd aan de garage en die situatie is onveranderd gebleven. Dit is in 2006 met instemming van [persoon 2] gebeurd, aldus [persoon 1] .

Naar oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van [persoon 1] op misbruik van bevoegdheid. De rechtbank stelt in dat verband voorop dat de ratio van artikel 5:49 BW – de wettelijke bevoegdheid om een scheidsmuur op de erfgrens te vorderen – is gelegen in eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De erfafscheiding die er nu staat (een hekwerk met klimop), weliswaar op het perceel van [persoon 2] en niet op de erfgrens, voorziet in die eerbiediging. Dat roept de vraag op wat het belang van [persoon 2] is bij deze vordering. De rechtbank weegt daarbij mee dat de huidige erfafscheiding zeer dicht langs de kadastrale erfgrens staat (de afstand tot die grens verloopt van één naar vijf centimeter), dat [persoon 2] in 2006 bewust heeft ingestemd met plaatsing van het hekwerk op haar eigen perceel en dat zij hier sindsdien nooit over heeft geklaagd, totdat [persoon 1] de onderhavige procedure tegen haar is begonnen. Daar komt bij dat [persoon 1] aan de bestaande erfafscheiding heeft meebetaald en de rechtbank het aannemelijk acht dat met verplaatsing van de erfafscheiding – die volgens beide partijen, in verband met de betonnen fundering, door een externe partij zal moeten worden verricht – de nodige kosten gemoeid zullen zijn. [persoon 2] heeft bovendien niet gesteld dat zij een ander soort erfafscheiding wenst; het gaat haar uitsluitend om de verplaatsing, zo begrijpt de rechtbank. De stelling dat op de huidige plaats de takken van de bomen van [persoon 2] eerder over de erfscheiding zullen hangen verwerpt de rechtbank, nu dit effect, gelet op de geringe afstand tot de erfgrens, minimaal is.

Concluderend betekent het voorgaande dat de vordering van [persoon 2] in reconventie onder 1. tot verplaatsing van de erfafscheiding zal worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

In het tussenvonnis van 2 juli 2025 heeft de rechtbank reeds bepaald dat [persoon 1] in conventie als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). Nu is gebleken dat [persoon 2] in reconventie in het ongelijk is gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hieronder wordt tevens het voorschot van de deskundige verstaan dat reeds door [persoon 2] is betaald. Dit blijft voor haar rekening.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

wijst de vorderingen van [persoon 1] af,

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

wijst de vorderingen van [persoon 2] af,

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand