RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummers: C/03/337579 / JE RK 24-2094
C/03/337580 / JE RK 24-2095
C/03/334730 / FA RK 24-2831
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing en ouderlijke verantwoordelijkheden
in de zaak C/03/337579 / JE RK 24-2094 en C/03/337580 / JE RK 24-2095 (machtiging uithuisplaatsing) van:
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, gevestigd in Roermond,
hierna te noemen: de GI,
over de minderjarigen:
[minderjarig kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [plaatsnaam] ,
hierna te noemen: [minderjarig kind 1] ,
en
[minderjarig kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [plaatsnaam] ,
hierna te noemen: [minderjarig kind 2] ,
samen te noemen: de kinderen.
in de zaak C/03/334730 / FA RK 24-2831 (ouderlijke verantwoordelijkheden) van
[vader] , hierna te noemen: de vader,
wonend in [plaatsnaam] ,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers uit Horst, gemeente Horst aan de Maas,
tegen:
[moeder] , hierna te noemen: de moeder,
wonend in [plaatsnaam] ,
advocaat: mr. R.J.S. Houtackers uit Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo.
De rechtbank merkt als belanghebbenden in de zaak C/03/337579 / JE RK 24-2094 en C/03/337580 / JE RK 24-2095 aan:
[moeder] , hierna te noemen: de moeder,
wonend in [plaatsnaam] ,
advocaat: mr. R.J.S. Houtackers uit Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,
[vader] , hierna te noemen: de vader,
wonend in [plaatsnaam] ,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers uit Horst, gemeente Horst aan de Maas,
De rechtbank merkt als belanghebbende in de zaak C/03/337579 / JE RK 24-2094 en C/03/337580 / JE RK 24-2095 en als informant in de zaak C/03/334730 / FA RK 24-2831 aan:
[partner van moeder] , hierna te noemen: de partner van de moeder,
wonend in [plaatsnaam] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in beide zaken betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Limburg, locatie Roermond, verder te noemen: de Raad.
1. Het verdere verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de tussenbeschikking van deze rechtbank van 2 september 2025;
het F9-formulier met bijlagen van de moeder, ontvangen op 2 december 2025;
een drietal F9-formulieren met bijlagen van de moeder, ontvangen op 9 december 2025;
het F9-formulier met bijlagen van de moeder, ontvangen op 11 december 2025;
de aanvullende stukken van de GI, ontvangen op 12 december 2025;
het F9-formulier met bijlagen van de vader, ontvangen op 12 december 2025;
het F9-formulier met bijlagen van de moeder, ontvangen op 16 december 2025;
het bericht van de moeder met bijlage, ontvangen op 17 december 2025.
Op 18 december 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de partner van de moeder;
twee vertegenwoordigsters van de GI;
een vertegenwoordigster van de Raad.
Het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] met zaaknummers C/03/337579 / JE RK 24-2094 en C/03/337580 / JE RK 24-2095 is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de vader betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheden in de zaak met nummer C/03/334730 / FA RK 24-2831.
De rechtbank heeft [minderjarig kind 1] , gelet op de tijd die is verstreken sinds het eerste kindgesprek, opnieuw in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. [minderjarig kind 1] heeft op 18 december 2025, voorafgaand aan de zitting, apart met de voorzitter van de meervoudige kamer een gesprek gehad. De voorzitter heeft ter zitting samengevat wat [minderjarig kind 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Omdat [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] in de thuissituatie bij de moeder al meerdere jaren ook door de partner van de moeder worden opgevoed en verzorgd, concludeert de rechtbank dat een uithuisplaatsing rechtstreeks de rechten en verplichtingen van de partner van de moeder ten aanzien van de kinderen zou raken. Om deze reden, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024, merkt de rechtbank de partner van de moeder ook als belanghebbende aan ten aanzien van het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing.
In beginsel is de termijn voor het doen van een uitspraak in jeugdbeschermingszaken uiterlijk twee weken na de datum van de mondelinge behandeling. Zodra zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan te verwachten is dat de termijn van twee weken niet wordt gehaald, kan ter zitting een langere termijn worden bepaald. Ter zitting is, gelet op de complexiteit van de zaak, bepaald dat de uitspraak in beide zaken uiterlijk op 29 januari 2026 zal worden gedaan.
2. De tussenbeschikkingen van 2 september 2025
C/03/337579 / JE RK 24-2094, C/03/337580 / JE RK 24-2095 en C/03/334730 / FA RK 24-2831
Bij twee afzonderlijke beschikkingen van 2 september 2025 heeft de kinderrechter iedere beslissing aangehouden en de ouders verzocht om uiterlijk een week voor de nadere mondelinge behandeling de meest recente stand van zaken en de voortgang van de hulpverlening bij Yvoor, al dan niet met verslagen van Yvoor, aan de kinderrechter over te leggen. De kinderrechter heeft daarnaast de zaak in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
3. De (aangehouden) verzoeken en verweren
C/03/337579 / JE RK 24-2094 en C/03/337580 / JE RK 24-2095
De GI heeft verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] bij de vader met gezag te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 12 augustus 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De moeder heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van de GI. De moeder heeft aanvullend, zelfstandig verzocht over te gaan tot een NIFP-onderzoek met benoeming van Formaat Jeugdforensische Diagnostiek of soortgelijk instituut, danwel een deskundigenbericht te bevelen met daarin een opdracht aan een forensisch mediator.
C/03/334730 / FA RK 24-2831
De vader heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat de vader voortaan alleen zal worden belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen;
de beschikking van 26 november 2021 te wijzigen en te bepalen dat de kinderen voortaan hun feitelijke hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben;
in het geval dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader zal worden bepaald de beschikking van 26 november 2021 te wijzigen en te bepalen dat de vader voortaan geen bijdrage meer aan de moeder verschuldigd is wegens de kosten van de kinderen.
De moeder heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoeken, dan wel tot afwijzing daarvan. Subsidiair heeft de moeder verzocht de beslissing op de verzoeken aan te houden voor de duur van een half jaar in afwachting van de in te zetten systemische hulpverlening. De moeder heeft aanvullend, zelfstandig verzocht over te gaan tot een NIFP-onderzoek met benoeming van Formaat Jeugdforensische Diagnostiek of een soortgelijk instituut, danwel een deskundigenbericht te bevelen met daarin een opdracht aan een forensisch mediator.
4. Het verslag van Yvoor
De conclusie van Yvoor in het verslag van de evaluatie van 15 november 2025 luidt als volgt. Wanneer het geheel wordt overzien, ontstaat het beeld van een gezinssysteem waarin de bestaande dynamieken inmiddels zo verweven zijn geraakt met de manier waarop de ouders en de kinderen zich tot elkaar verhouden, dat verandering binnen de huidige situatie moeilijk te realiseren lijkt. Ondanks de inzet van alle betrokkenen en de pogingen om zorgvuldig stappen te zetten richting contactherstel, blijkt telkens opnieuw dat de onderliggende patronen van controle, vermijding en wederzijdse beïnvloeding diep verankerd zijn en snel de regie overnemen zodra de spanning oploopt. De ervaring van de afgelopen maanden laat zien dat zelfs goed voorbereide contactmomenten tussen de kinderen en de vader onder invloed van deze dynamiek niet tot uitvoering komen. Zowel de kinderen als de ouders vallen terug op vertrouwde, maar belemmerende coping strategieën. In deze fase blijft het begeleide herstelgesprek tussen de kinderen en de vader een noodzakelijke eerste stap. Toch laat de ervaring tot nu toe zien dat het realiseren van zowel dit gesprek als de verdere contactopbouw zeer kwetsbaar is door de onderlinge spanningen en door de behoefte van betrokkenen om grip te houden op een onvoorspelbare situatie. Het risico bestaat dat bij iedere verhoging van spanning opnieuw wordt uitgeweken naar vertrouwde beschermingsmechanismen, waardoor het proces vertraagt of stokt. De weg naar verandering lijkt kwetsbaar, smal en sterk afhankelijk van een context waarin de kinderen voldoende lucht krijgen om eigen ervaringen op te doen, los van de spanning die zij nu voortdurend in hun omgeving waarnemen. In de huidige situatie lijken belemmerende patronen zo zeer aanwezig en zich voort te zetten, dat contactherstel slechts in zeer beperkte mate van de grond komt.
5. De nadere standpunten
C/03/337579 / JE RK 24-2094 en C/03/337580 / JE RK 24-2095
De GI
De GI handhaaft haar verzoek uit december 2024. Het contactherstel met de vader is, op één fysiek moment na, niet tot stand gekomen. De lange periode zonder contact heeft de afstand tussen de vader en de kinderen vergroot. Hoewel Yvoor intensieve voorbereiding heeft geboden en Koach&Co gedurende het hele proces startklaar stond om te beginnen met de uitvoering, is het niet gelukt om contactherstel vanuit het verblijf bij de moeder te realiseren. De moeder volgt aanwijzingen niet of maar gedeeltelijk op, wijkt af van afgesproken stappen en zet acties in die het proces vertragen. Hierdoor komt ook de gespecialiseerde hulpverlening niet tot uitvoering. Dat Koach&Co nog niet eerder is kunnen starten lag niet aan de moeder; dit was een financiële kwestie.
Na het contactmoment van 9 december 2025 hebben de kinderen een gesprek gehad met de kindercoach. Deze heeft aan de GI teruggekoppeld dat het voor de kinderen, met name voor [minderjarig kind 1] , heel moeilijk was om in gesprek te gaan met de kindercoach. De beleving van de kinderen wijkt af van de observatie van Yvoor. Er lijkt een aangeleerd narratief bij de kinderen te leven over wat er in het verleden is gebeurd. Een voorbeeld daarvan is dat de vader een foto van opa en oma vaderzijde voor de kinderen had achtergelaten om mee naar huis te nemen. [minderjarig kind 2] nam deze foto in eerste instantie aan, maar heeft deze teruggegeven aan de kindercoach nadat ze [minderjarig kind 1] in de auto is gaan vragen of hij alsnog wil praten.
De GI geeft verder aan dat zij de kinderen zelf niet meer gezien heeft, omdat zij hier geen toestemming voor krijgt van de moeder. Ook over de GI is er een negatief beeld bij de kinderen ontstaan. Het contactherstel tussen de vader en de kinderen staat voorop en daarna kan er gekeken worden naar contactherstel tussen de GI en de kinderen.
De GI hoort de intenties van de moeder, maar ziet ook dat haar handelen niet strookt met wat de kinderen nodig hebben. De moeder vecht hard, maar verliest daarbij het belang van de kinderen uit het oog. De impact van een uithuisplaatsing is groot, maar de kinderen gaan dan bij hun vader wonen. Het gaat niet om een externe plek. Het zal veel met de kinderen doen, maar daarom ligt er ook een plan om iedereen zo goed mogelijk op te vangen. Als de kinderen uit huis worden geplaatst, zou het voor hen het fijnste zijn als zij op dezelfde school kunnen blijven zitten. Ze doen het daar goed en hebben er vriendjes en vriendinnetjes. Het is dan wel heel erg belangrijk dat de moeder, die in hetzelfde gebouw werkt, een stap terugdoet in aanwezigheid en zichtbaarheid. Het is mogelijk om hier met de moeder afspraken over te maken, maar er zijn wel twijfels over of de moeder zich ook structureel aan deze afspraken zal houden. De GI ziet geen meerwaarde in het inzetten van een deskundigenonderzoek, zoals door de moeder is verzocht. Er is al jarenlang gepoogd om de situatie te veranderen, maar er moet nu iets anders gaan gebeuren. De emotionele veiligheid van de kinderen is al te lang in het gedrang.
De partner van de moeder
De partner van de moeder geeft aan dat de kinderen de emoties die met deze procedure gepaard gaan meekrijgen. Het is en blijft voor alle partijen een hele ingewikkelde situatie. De kinderen hebben veel spanning voor de contactmomenten en de gesprekken met de hulpverlening. Deze spanning ziet hij de dag ervoor al bij de kinderen opbouwen. De kinderen worden zo goed mogelijk voorbereid, in die zin dat ze gestimuleerd worden om te zeggen wat ze willen. Er is geen goed of fout.
C/03/337579 / JE RK 24-2094, C/03/337580 / JE RK 24-2095 en C/03/334730 / FA RK 24-2831
De moeder
De moeder is het niet eens met het verzoek van de GI en vraagt dan ook het verzoek af te wijzen. Na het contactmoment tussen de vader en de kinderen op 9 december 2025 heeft de moeder veel teleurstelling en boosheid gezien bij beide kinderen. [minderjarig kind 1] heeft geen antwoorden gekregen op de vragen die hij aan zijn vader heeft gesteld. Wel heeft [minderjarig kind 1] tegen de moeder gezegd dat hij blij is dat hij het met papa zou kunnen oplossen. [minderjarig kind 2] was ook boos omdat ze niet heeft durven zeggen tegen haar vader wat ze had willen zeggen. Dat er pas één contactmoment is geweest, is niet te wijten aan de moeder. De moeder werkt de hulpverlening niet tegen. Ze zit er juist heel erg bovenop. Ze heeft tijdig gecommuniceerd als het niet lukte om naar een afspraak te komen. Ook heeft ze alternatieve data voorgesteld in het weekend. De moeder had graag meer willen doen de afgelopen jaren, maar werd beperkt door de GI en de hulpverlening. Ze mocht niet zelf contact opnemen met de vader om dingen op te pakken. Ook werd de moeder getemperd wanneer ze met ideeën kwam. [Medewerker] van Yvoor heeft tegen de moeder gezegd: “laat het maar los, wij hebben de regie”. Dit heeft de moeder ook proberen te doen. Met betrekking tot het benaderen van de leerplichtambtenaar geeft de moeder aan dat ze alleen wilde weten wat er juridisch gezien zou gebeuren als de contactmomenten op iedere woensdag en vrijdag zouden zijn. De school heeft immers aangegeven dat overleggen met de leerplichtambtenaar altijd mag. De moeder heeft in ieder geval niet met de verkeerde intenties contact opgenomen met de leerplichtambtenaar. De kinderen horen weer naar hun vader te gaan, dat is het uiteindelijke doel. Het contact moet wel op een kindvriendelijke manier worden opgebouwd, zodat de kinderen zich veilig voelen. De moeder is van mening dat er op dit moment al de juiste stappen worden gezet om het doel te bereiken. De moeder heeft vertrouwen in de inzet van Yvoor en Koach&Co. Bij Yvoor wordt ook naar de moeder gekeken. Dit hangt samen met de hulpverlening die ziet op het contactherstel. De moeder probeert het juiste te doen voor de kinderen. Voor haar gevoel doet ze het heel goed. De moeder voelt een enorme druk om te voorkomen dat de kinderen uit huis geplaatst worden. Dit hangt al een hele lange tijd boven haar hoofd. Als de kinderen uit huis worden geplaatst bij de vader betekent dat voor de moeder dat zij en de kinderen geen eerlijke kans hebben gekregen. Daarnaast zal het een enorme impact hebben op de kinderen. Het is een zeer vergaande en ingrijpende maatregel. De kinderen weghalen uit hun vertrouwde omgeving zal zorgen voor grote weerstand bij de kinderen. Ze komen dan ook in een nieuwe omgeving terecht met mensen die ze niet kennen. De moeder werkt in het schoolgebouw van de kinderen, dus als de kinderen bij de vader worden geplaatst zal dit ingewikkeld worden. Het is voor de moeder geen optie om op een andere locatie te werken in verband met vervoer. Ook heeft ze geen vrije dagen meer om op te nemen. De kinderen doen het goed op school en zouden daar niet weg moeten hoeven. De moeder is van mening dat er minder ingrijpende alternatieven zijn die nog niet geprobeerd zijn. Een deskundige zou bijvoorbeeld nog onderzoek kunnen doen. De moeder vraagt daarom een NIFP-onderzoek te gelasten met benoeming van Formaat Jeugdforensische Diagnostiek. Zij kunnen ook een persoonlijkheidsonderzoek bij de volwassenen doen en zo nodig de interactie tussen de ouders en de kinderen observeren. De moeder geeft tot slot aan dat op het moment dat de kinderen nu uit huis geplaatst worden, ze blijvend getraumatiseerd zullen worden en het vertrouwen in de hulpverlening zullen verliezen.
De vader
De vader staat nog steeds achter het verzoek van de GI om de kinderen uit huis te plaatsen bij hem. Er is op 9 december 2025 een eerste contactmoment geweest tussen de vader en de kinderen. Hoewel hij het fijn vond om de kinderen weer te zien, vond hij het ook heel moeilijk. Het is voor de vader lastig om te zien dat de kinderen zo klem zitten. Waar er voorheen bij [minderjarig kind 1] meer ruimte leek te zijn voor contact dan bij [minderjarig kind 2] , is dat nu omgedraaid. [minderjarig kind 1] zit nu meer in de weerstand dan [minderjarig kind 2] . Dat er sinds de vorige zitting pas één contactmoment heeft plaatsgevonden, is heel erg jammer. Alles loopt steeds weer vertraging op. Als de kinderen bij de vader thuis worden geplaatst, dan zal de vader in de eerste periode volledig thuisblijven en zelf, met ondersteuning van de hulpverlening, de zorg voor de kinderen op zich nemen. Wanneer de kinderen geland zijn zullen de partner van de vader en zijn verdere netwerk ook meehelpen. De kinderen zijn, voor zover de vader weet, niet op de hoogte dat zij bij de vader een broertje hebben. Het broertje zal in de beginfase worden ondergebracht bij zijn opa en oma. De vader woont ongeveer acht kilometer bij de moeder en ongeveer twee kilometer van de huidige school van de kinderen vandaan. De vader verwacht bij een uithuisplaatsing weerstand van de kinderen. De vader hoopt hierin de kinderen te kunnen geruststellen. Daarnaast zullen ze ook tijd nodig hebben om te landen en los te komen van de moeder. De hulpverlening van Yvoor en Koach&Co zal dan intensief betrokken zijn om het proces te begeleiden en de vader handvaten te geven. De vader heeft er vertrouwen in dat een uithuisplaatsing van de kinderen ervoor zal zorgen dat de kinderen minder klem komen te zitten tussen de ouders en uiteindelijk met beide ouders onbelast contact kunnen hebben. Er moet nu echt iets gaan veranderen. In januari 2023 lag er al een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing en toen had de vader wel nog contact met de kinderen. Ondertussen heeft de vader de kinderen al een jaar niet meer gezien en lijkt er hoe langer het duurt steeds minder ruimte te zijn bij de kinderen voor contactherstel. De vader is van mening dat er genoeg kansen zijn geweest om op een andere manier het onbelast contact tussen hem en de kinderen weer op gang te krijgen. Het lukt de moeder nog steeds niet om de kinderen emotionele toestemming te geven om contact te hebben met de vader. Het is nu tijd voor een rigoureuze verandering. Als de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend, dan vraagt de vader om zijn verzoek met betrekking tot het gezag, de hoofdverblijfplaats en zorgregeling aan te houden. Op deze manier kan er dan bijvoorbeeld in augustus 2026 gekeken worden naar hoe de situatie zich heeft ontwikkeld. In het verzoek van de moeder om opnieuw een deskundige te betrekken ziet de vader geen toegevoegde waarde. Het is duidelijk wat er aan de hand is, hiervoor is geen aanvullend onderzoek nodig.
6. Het advies van de Raad
De Raad geeft aan het eerder ingenomen standpunt te handhaven en nog steeds aan te sluiten bij het verzoek van de GI. Het verslag van Yvoor bevestigt de standpunten van de GI en de Raad. Al het mogelijke is ingezet, maar helaas zonder het gewenste resultaat. Het is logisch dat de kinderen bij het contactmoment van 9 december 2025 weerstand hebben laten zien. De kinderen zijn in de war en zitten klem. Het is belangrijk om nu in te grijpen, om te voorkomen dat de kinderen in deze situatie blijven hangen. De grote afstand die er nu is tussen de vader en de kinderen is schadelijk voor hun ontwikkeling. Het negatieve vaderbeeld is gebaseerd op een beeld dat de kinderen hebben ontwikkeld en niet op huidige ervaringen. Het lukt onvoldoende om ruimte voor de vader te creëren. Het is niet de intentie om de moeder aan de kant te schuiven met een uithuisplaatsing. Het is de bedoeling dat de kinderen ruimte krijgen voor beide ouders. Het ontbreekt de moeder aan voldoende zelfreflectie en dat staat in de weg aan het zetten van stappen vooruit. Als de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend, ligt er voor de vader een zware taak. Hij kan het maar één keer goed doen en dat brengt druk met zich mee. Voor de Raad maakt het niet uit via welke juridische route de beslissing wordt genomen, in de zin of dat nu via een machtiging uithuisplaatsing gaat of via wijziging van het hoofdverblijf. De Raad is in ieder geval van mening dat de kinderen nu bij de vader moeten zijn. De Raad pleit er in ieder geval voor om in alle zaken een eindbeslissing te nemen, zodat er rust en duidelijkheid komt.
7. De mening van [minderjarig kind 1]
voelt zich niet gehoord door de GI, omdat zij niet naar hem luisteren en hij gedwongen wordt om dingen te doen die hij niet wil. Over zijn vader geeft [minderjarig kind 1] aan dat er geen ruimte is voor contact. [minderjarig kind 1] heeft geen fijne herinneringen aan zijn vader en heeft veel verwijten richting de vader. Zo zou de vader hem en zijn zusje mishandeld hebben in het verleden. [minderjarig kind 1] geeft verder aan niet van school te willen wisselen, omdat hij bang is om zijn vrienden kwijt te raken.
8. De beoordeling
C/03/337579 / JE RK 24-2094 en C/03/337580 / JE RK 24-2095
De rechtbank is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 12 augustus 2026, noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
Er zijn al lange tijd ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] . De rechtbank constateert dat de kinderen zich niet meer onbelast bewegen tussen de ouders sinds de relatiebreuk in 2020. Er zijn al een hele lange tijd ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] . De rechtbank constateert dat de kinderen zich niet meer onbelast bewegen tussen de ouders sinds de relatiebreuk in 2020. Al sinds de eerste ondertoezichtstelling in 2022 wordt door de rechtbank vastgesteld dat de kinderen de dupe zijn van de forse aanhoudende ex-partnerstrijd van de ouders. Uit de procedures, onderzoeken en hulpverleningsverslagen die volgen komen steeds dezelfde zorgen terug. De kinderen bevinden zich in een ernstig loyaliteitsconflict en het lukt met name de moeder onvoldoende om de kinderen emotionele toestemming te geven om contact te hebben met hun vader. De rechtbank moet helaas concluderen dat de knelpositie waar de kinderen zich vlak na de relatiebreuk van de ouders in bevonden niet alleen onveranderd is, maar zelfs erger is geworden. De kinderen raken steeds verder klem tussen de ouders en er kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de kinderen gebukt gaan onder de aanhoudende spanningen en de strijd. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van de kinderen op het gebied van emotionele veiligheid, loyaliteit, identiteit, hechting, probleemoplossend vermogen en emotieregulatie. De kinderen hebben ondertussen al meer dan een jaar geen enkel contact met hun vader (gehad) en hebben daarbij een ontzettend negatief beeld van hem. Hoewel de moeder stelt dat dit beeld voortkomt uit de eigen ervaringen en herinneringen van de kinderen, heeft de rechtbank hier twijfels over. De rechtbank heeft de indruk dat de kinderen het negatieve beeld van de moeder aanvoelen en (onbewust) overnemen. Het lukt de moeder nog steeds niet om de kinderen emotionele toestemming te geven om contact met hun vader te hebben. Dat er kindermishandeling heeft plaatsgevonden, zoals de moeder in het verleden heeft gesteld, is nooit vast komen te staan en wordt ook niet door de Raad of andere betrokken hulpverleningsinstanties vermoed. De rechtbank heeft zelf in het kindgesprek met [minderjarig kind 1] ervaren dat als er wordt doorgevraagd op het negatieve beeld dat hij heeft van de vader, hij eigenlijk geen goed antwoord weet te geven. Ook herhaalt hij precies dezelfde verhalen die hij eerder bij de Raad en andere hulpverleningsinstanties heeft verteld. Waar er tijdens het kindgesprek met [minderjarig kind 1] in januari 2025 nog ruimte leek te zijn voor herstel van het contact met zijn vader, is die ruimte er volgens [minderjarig kind 1] nu niet meer. Hoe dit zo is gekomen, weet [minderjarig kind 1] eigenlijk zelf ook niet. Het lijkt erop dat, hoe langer het duurt, des te kleiner de ruimte bij de kinderen wordt. Dit acht de rechtbank zeer zorgelijk. Het is algemeen bekend dat het niet (kunnen) zien van (een van) beide ouders voor kinderen schadelijk is voor hun ontwikkeling en zelfs traumatisch kan zijn. Het is niet gelukt om vanuit de huidige situatie, waarbij de kinderen bij de moeder wonen, te komen tot contactherstel en de zorgen over de kinderen te verminderen. De emotionele veiligheid van de kinderen is al te lang in het gedrang. Om blijvend contactverlies en verdere schade bij de kinderen te voorkomen moet er nu echt iets gaan veranderen en dat moet naar het oordeel van de rechtbank met een machtiging uithuisplaatsing bij de vader met gezag.
De rechtbank ziet, anders dan de moeder, geen andere optie dan het uithuisplaatsen van de kinderen bij de vader. De rechtbank betreurt het dat het zover moet komen, maar is ervan overtuigd dat deze ingrijpende maatregel nodig is om een verandering te bewerkstelligen. Er is in de afgelopen jaren veel geprobeerd om de situatie voor de kinderen te verbeteren. In het vrijwillig kader is door het CJG ingezet op ouderschapsreorganisatie, maar dit is vroegtijdig beëindigd vanwege onvoldoende medewerking van de ouders. Vervolgens is Anacare betrokken, maar daar is door de moeder geen toestemming gegeven aan de hulpverlening om met de kinderen te spreken. Daarna zijn er onder regie van de GI in het gedwongen kader ook verschillende hulpverleningstrajecten ingezet of in ieder geval aangedragen. Zo is onder andere hulpverlening ingezet bij de Mutsaersstichting en bij Pactum, een schottenaanpak opgestart, een kindercoach ingeschakeld, solo parallel ouderschap geprobeerd, aangedrongen op individuele hulpverlening, zijn er veiligheidsafspraken gemaakt en is de zorgregeling meerdere keren gewijzigd om de kinderen zo min mogelijk te belasten met de strijd van de ouders. Sommige trajecten, zoals de schottenaanpak, zijn wel afgerond, maar hebben onvoldoende effect gehad. Andere trajecten zijn niet of met veel vertraging maar net van de grond gekomen. Hierbij wordt er door de GI en de hulpverleningsinstanties een patroon gezien waarbij de moeder aangeeft mee te willen werken, maar vervolgens afspraken structureel niet naleeft en aanwijzingen en adviezen niet opvolgt. Ook de laatste poging via systemische hulpverlening bij Yvoor heeft aanzienlijke vertraging opgelopen en lijkt tevens onvoldoende toereikend te zijn om de hardnekkige patronen en dynamieken te doorbreken vanuit de huidige situatie. De moeder heeft ruim de tijd en mogelijkheid gehad om aan zichzelf te werken met individuele hulpverlening, maar tot op heden heeft zij niet kunnen laten zien dat zij dit ook echt gedaan heeft.
De moeder stelt dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn, die nog niet geprobeerd zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat er onmiddellijk wordt ingegrepen. De rechtbank ziet geen meerwaarde in een deskundigenonderzoek omdat zij zich voldoende in- en voorgelicht acht om een beslissing te nemen op de voorliggende verzoeken en de belangen van de kinderen verzetten zich ook tegen een verder uitstel van de beslissing. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder dan ook afwijzen. De rechtbank acht het ook niet in het belang van de kinderen om het verloop van de hulpverlening bij Yvoor of een andere instantie af te wachten. Nog daargelaten dat er genoeg tijd en kansen zijn geweest, heeft de rechtbank er ook onvoldoende vertrouwen in dat kan worden volstaan met de inzet van hulpverlening om tot onbelast contactherstel te komen. Ook Yvoor geeft in het evaluatieverslag aan dat verandering sterk afhankelijk is van de ruimte die de kinderen krijgen om hun eigen ervaringen op te doen, los van de spanningen die zij in hun huidige omgeving voortdurend waarnemen. De rechtbank is ervan overtuigd dat de band tussen de kinderen en de ouders valt of staat met de houding van de ouders en de emotionele toestemming die zij over en weer geven om contact te hebben met de andere ouder. Dit is de kern van de hardnekkige patronen en dynamiek die al jaren, ondanks alle inzet, niet doorbroken worden.
De rechtbank acht het daarom in het belang van de kinderen nodig dat er naast intensieve hulpverlening een uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader komt. De rechtbank is namelijk met de GI en de Raad van oordeel dat er bij de vader meer ruimte lijkt te zijn voor het contact met de andere ouder dan bij de moeder.
De rechtbank beseft dat de plaatsing van de kinderen bij de vader een grote impact zal hebben op de kinderen. Zij hebben de vader, los van één recent contactmoment, al ruim een jaar niet gezien en hebben een zeer negatief beeld van hem. De rechtbank ziet echter ook dat er goed is nagedacht over hoe de plaatsing zo zorgvuldig en voorzichtig mogelijk uitgevoerd kan worden. Er is een plan opgesteld en de vader heeft geregeld dat hij in ieder geval in de beginfase volledig beschikbaar is voor de kinderen. Daarbij zal, naast de GI, ook de hulpverlening van Yvoor en Koach&Co nauw betrokken zijn in dit proces. Er zal gegarandeerd weerstand zijn bij de kinderen, maar de rechtbank heeft er vertrouwen in dat dit goed wordt opgepakt door de vader en de betrokken hulpverlening.
De rechtbank realiseert zich ook dat de uithuisplaatsing niet alleen een grote impact zal hebben op de kinderen, maar ook op de moeder, haar partner en overige directe omgeving van de kinderen. De rechtbank neemt deze beslissing dan ook niet licht.
De rechtbank benadrukt dat de kinderen beide ouders nodig hebben in hun leven. Het doel van de uithuisplaatsing is toewerken naar een situatie waarbij de kinderen over en weer onbelast tussen de ouders kunnen bewegen. Het is daarom belangrijk dat er gedurende de uithuisplaatsing voldoende aandacht is voor het contact tussen de moeder en de kinderen op een voor de kinderen veilige manier.
Om de plaatsing bij de vader een zo groot mogelijke kans van slagen te geven is het van belang dat er duidelijke afspraken worden gemaakt met de moeder over haar aanwezigheid op de school van de kinderen en dat deze afspraken ook structureel worden na worden gekomen. Het zou voor de (sociale en emotionele) ontwikkeling van de kinderen het beste zijn als zij gedurende de uithuisplaatsing op dezelfde school zouden kunnen blijven. De rechtbank begrijpt dat dit veel van de moeder vraagt. De rechter hoopt dat de moeder kan inzien hoe belangrijk het is voor het proces van de kinderen om tijdelijk een stap terug te doen. De rechtbank gaat ervanuit dat de moeder, in samenwerking met de school, de hulpverlening en de GI, ervoor zorgt dat de kinderen niet nog verder belast worden in deze al zeer kwetsbare periode. Mocht blijken dat het niet mogelijk is om tot duidelijke afspraken te komen, om welke reden dan ook, dan zal er gekeken moeten worden naar een andere oplossing in de vorm van een andere school voor de kinderen. De rechtbank hoopt echter dat het niet zo ver hoeft te komen.
De rechtbank wil tot slot beide ouders nogmaals meegeven dat de strijd nu echt moet stoppen. Het wordt hen al jarenlang in bijna iedere procedure op het hart gedrukt, maar het lijkt nog onvoldoende binnen te komen, met name bij de moeder. De kinderen hebben voor hun jonge leeftijd al veel te veel meegemaakt. Er moet rust en ruimte bij de kinderen komen. Pas dan kunnen zij zich weer focussen op hun eigen ontwikkeling en verwerkingsproces.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
C/03/334730 / FA RK 24-2831
De voorgaande beoordeling over de machtiging tot uithuisplaatsing maakt dat de situatie, op grond waarvan de over en weer gedane verzoeken in het kader van de ouderlijke verantwoordelijkheden zijn gedaan, aanzienlijk is gewijzigd. Het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing heeft tot gevolg dat de kinderen binnen afzienbare tijd vanuit de thuissituatie van de moeder overgeplaatst zullen worden naar de vader en dat die nieuwe situatie na verloop van tijd opnieuw beoordeeld zal moeten worden. De rechter acht het gelet hierop vooralsnog niet mogelijk om een definitieve beslissing te nemen op de verzoeken van de vader, nu de situatie op het punt staat te wijzigen en nog niet duidelijk is wat de gevolgen en mogelijkheden hiervan zullen zijn. De rechtbank zal daarom iedere verdere beslissing over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de kinderbijdrage aanhouden in afwachting van de resultaten van de machtiging uithuisplaatsing. De nadere mondelinge behandeling zal worden gepland op 8 juli 2026 om 9.00 uur. De betrokkenen worden verzocht de rechtbank uiterlijk een week voor die zitting schriftelijk te informeren over de stand van zaken.
Gelet op de aanzienlijke wijzing van de situatie van de kinderen in de komende periode, acht de rechtbank het van belang dat [minderjarig kind 1] in juli 2026 opnieuw in de gelegenheid gesteld wordt om zijn mening over de verzoeken kenbaar te maken bij de rechtbank. De rechtbank zal [minderjarig kind 1] daarom tegen die tijd opnieuw oproepen voor een kindgesprek aan het adres van de vader.
Als de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk acht en hiertoe een verzoek zal indienen, zullen de zaken waar mogelijk gecombineerd worden behandeld. De huidige ondertoezichtstelling loopt tot 12 augustus 2026. Dat geldt tevens voor de afgegeven machtiging uithuisplaatsing.
Het aanvullende verzoek van de moeder om ook in de zaak die ziet op de ouderlijke verantwoordelijkheden over te gaan tot een NIFP-onderzoek met benoeming van Formaat Jeugdforensische Diagnostiek of soortgelijk instituut, danwel een deskundigenbericht te bevelen met daarin een opdracht voor een forensisch mediator, zal de rechtbank afwijzen. De moeder heeft aangevoerd dat zij recht heeft op een second opinion/ contra expertise ten aanzien van de noodzaak van uithuisplaatsing. De rechtbank leest daarin dat zij daarmee ook heeft bedoeld de noodzaak van een plaatsing van de kinderen bij de vader middels een wijziging hoofverblijfplaats, zoals verzocht door de vader in deze zaak. Nu de kinderen middels een machtiging uithuisplaatsing bij de vader geplaatst zullen worden, is de rechtbank van oordeel dat de moeder geen belang meer heeft bij haar aanvullend verzoek. Het doel van het verzoek, namelijk het voorkomen van de plaatsing van de kinderen bij de vader, is immers met de verleende machtiging tot uithuisplaatsing achterhaald. Daarbij heeft de rechtbank in de beoordeling over de uithuisplaatsing reeds geoordeeld over de inzet van een deskundigenonderzoek.
9. De beslissing
De rechtbank:
C/03/337579 / JE RK 24-2094 en C/03/337580 / JE RK 24-2095
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] bij de vader met gezag met ingang van 29 januari 2026 tot 12 augustus 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het verzoek van de moeder af.
C/03/334730 / FA RK 24-2831
bepaalt dat de behandeling wordt voortgezet tijdens de mondelinge behandeling die zal worden gehouden op 8 juli 2026 te 09:00 uur in het gerechtsgebouw te Roermond, Willem II singel 67, waarvoor partijen opnieuw zullen worden opgeroepen;
bepaalt dat [minderjarig kind 1] opnieuw wordt opgeroepen om voorafgaand aan de nadere mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld te worden zijn mening kenbaar te maken;
verzoekt de ouders en de GI om uiterlijk een week voor de nadere mondelinge behandeling de rechtbank te informeren over de meest recente stand van zaken;
wijst het verzoek van de moeder af;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C.M. van der Meijden (voorzitter), mr. S.J. Vogels en mr. K.G.J. Noelmans-Verbong, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026, in aanwezigheid van mr. M.C. Bouvrie als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.