ECLI:NL:RBLIM:2026:2153

ECLI:NL:RBLIM:2026:2153

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer ROE 23/997
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Last onder dwangsom vanwege overtreding van artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Sittard-Geleen. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen en ook in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid, maar dat hij niet bevoegd was om die dwangsom in te vorderen omdat niet aannemelijk is dat eiser opnieuw een overtreding heeft begaan. Het beroep, voor zover dat is ingediend tegen het invorderingsbesluit, is daarom gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen

Samenvatting

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 23/997

(gemachtigde: mr. J.M. McKernan),

en

(gemachtigde: mr. E.A. de Bruijne).

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser gericht tegen de last onder dwangsom die aan hem is opgelegd en de invordering daarvan. Aan eiser is een last onder dwangsom opgelegd voor het overtreden van het verbod zich op de openbare weg te begeven met het kennelijke doel verdovende middelen te verhandelen zoals bedoeld in artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Sittard - Geleen (APV). Eiser is het niet eens met deze aan hem opgelegde last. Eiser is het ook niet eens met het daarop volgende besluit van de burgemeester om vanwege een (herhaalde) overtreding van artikel 2:74 van de APV over te gaan tot invordering van een dwangsom van € 5.000,-. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank of de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom mocht opleggen en tot invordering van de dwangsom mocht overgaan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester weliswaar bevoegd was om een last onder dwangsom op te leggen van een overtreding van artikel 2:74 van de APV en ook in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid, maar dat de burgemeester niet bevoegd was om de dwangsom ook in te vorderen. De burgemeester heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiser opnieuw artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Dat betekent dat de burgemeester ten onrechte een invorderingsbesluit heeft genomen. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 31 maart 2022 (primair besluit 1) heeft de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat bij een volgende overtreding van het bepaalde in artikel 2:74 van de APV eiser een dwangsom zal verbeuren van € 5.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 20.000,- (de last onder dwangsom).

Bij besluit van 8 juni 2022 (primair besluit 2) heeft de burgemeester - nadat eiser zienswijzen naar voren heeft gebracht tegen het voornemen daartoe - aan eiser medegedeeld dat hij een dwangsom van € 5.000,- heeft verbeurd omdat is geconstateerd dat hij niet aan de opgelegde last heeft voldaan. De verbeurde dwangsom wordt van eiser ingevorderd (het invorderingsbesluit).

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten. Met de beslissing op bezwaar van 24 maart 2023 heeft de burgemeester de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit in stand gelaten.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, de waarnemend gemachtigde van de burgemeester en een medewerker van de gemeente Sittard-Geleen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De last onder dwangsom

Had de burgemeester een zienswijze moeten vragen?

3. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat hij ten onrechte niet de gelegenheid heeft gekregen om voorafgaande aan het opleggen van de last een zienswijze in te dienen.

De rechtbank overweegt dat van het opvragen van een zienswijze kan worden afgezien als (onder andere) de vereiste spoed zich daartegen verzet. In artikel 6 van de Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen houdende regels omtrent drugshandel op straat, leidend tot drugsoverlast en aantasting van het veiligheidsgevoel staat dat, om herhaling te voorkomen, van horen wordt afgezien bij overtreding van artikel 2:74 van de APV.

De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester heeft kunnen afzien van het opvragen van een zienswijze. Daarbij heeft de burgemeester terecht aangegeven dat de spoed daarin bestaat dat herhaling van handel moet worden voorkomen omdat drugshandel regelmatig zorgt voor aanzienlijke overlast, dat er (meerdere) meldingen zijn over drugshandel in het publieke domein en dat de handel in drugs zeer lucratief is. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet. In de bezwarenprocedure heeft eiser bovendien voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen en heeft hij daarvan ook gebruik gemaakt.

Heeft de burgemeester een last onder dwangsom mogen opleggen?

4. Op 25 maart 2022 heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage ontvangen van de Politie Basisteam Westelijke Mijnstreek. De bevindingen zoals opgenomen in de rapportage luiden - voor zover thans van belang - als volgt:

“Op maandag 28 februari 2022, omstreeks 03.00 uur, zag een politieagent via het camerasysteem dat er een groep personen liep over de Paardestraat te Sittard. Hij zag dat er op enig moment een persoon op een bromfiets stopte bij deze groep. Vervolgens zag hij dat een van de personen uit de groep, verder in deze rapportage aangeduid als betrokkene [toevoeging rechtbank: hiermee wordt eiser bedoeld], contact legde met de persoon op de bromfiets. Hij zag dat de betrokkene een, voor hem ambtshalve bekende, henneptop uit zijn schoudertas haalde en deze met open hand toonde aan de persoon op de bromfiets. Vervolgens ziet de medewerker van de politie dat de betrokkene de henneptop in een gripzakje stopt. Het is de politieagent ambtshalve bekend dat dit een methode is voor de handel in verdovende middelen waarbij eerst het aangeboden product wordt getoond aan de koper. Wat er vervolgens gebeurde met de hennep was niet zichtbaar voor de politieagent. Hierop werden enkele eenheden van de politie naar de locatie gestuurd. Ter plaatse controleerde de politie de personen. Bij de betrokkene werd in zijn schoudertas hennep aangetroffen. Deze hennep zat verpakt in meerdere gripzakjes. Tevens werden er tijdens de fouillering in zijn zak opgefrommelde geldcoupures aangetroffen. Dit betroffen 4 x 50 euro, 3 x 20 euro en 2 x 5 euro biljetten. Het totale gewicht van de aangetroffen hennep bleek later 12,8 gram te zijn. De betrokkene is hierop aangehouden. Bij een andere persoon, niet de bestuurder van de bromfiets, werd ook een gripzakje met een kleine hoeveelheid hennep aangetroffen. Dit bleek later te gaan om 0,8 gram hennep. Na onderzoek bleek dat het gripzakje identiek was aan de gripzakjes die bij de betrokkene zijn aangetroffen.”

Gelet op de waargenomen situatie waarbij de persoon op de bromfiets aan komt rijden en contact legt met eiser, laatstgenoemde vervolgens de hennep aan de persoon op de bromfiets toont en deze aansluitend in een gripzakje verpakt concludeert de politie in de rapportage dat het zeer aannemelijk is dat er handel in verdovende middelen heeft plaatsgevonden.

Eiser voert in het beroepschrift aan dat de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom ontbreekt, omdat geen sprake is van een overtreding van de APV. Uit de bestuurlijke rapportage die door de burgemeester aan de last ten grondslag is gelegd kan volgens hem niet worden opgemaakt dat hij drugs aan het verhandelen was of hiertoe het kennelijke doel heeft gehad. De aangetroffen middelen waren voor eigen gebruik en het contante geld dat hij op zak had, had hij van tevoren gepind. Eiser heeft geen hennep getoond aan iemand en daadwerkelijke handel van verdovende middelen is niet waargenomen. Hij heeft hierover ook een verklaring afgelegd bij de politie (en de Raad voor de Kinderbescherming) en zijn verklaring wordt ondersteund door zijn vriend. Strafrechtelijk is eiser ook alleen vervolgd voor het aanwezig hebben van verdovende middelen en niet voor handel. Voor zover geoordeeld wordt dat wel sprake is van een overtreding is de opgelegde last volgens eiser onevenredig gelet op het feit dat hij ten tijde van de gestelde overtreding minderjarig was en beschikte over beperkte financiële middelen. De burgemeester had ook kunnen volstaan met een waarschuwing of in ieder geval de hoogte van de dwangsom kunnen matigen.

5. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

In artikel 2:74 van de APV is bepaald dat het, onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, verboden is om op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Dat sprake is van een kennelijk doel om drugs te verhandelen moet door de burgemeester worden onderbouwd. Op de burgemeester rust de bewijslast. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de burgemeester, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid om het bewijs zelf vast te stellen, op grond van vaste rechtspraak in beginsel mag uitgaan van informatie in een bestuurlijke rapportage. Als de daarin opgenomen bevindingen worden betwist, moet worden onderzocht of, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen, dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat de bestuurlijke rapportage is gebaseerd op meerdere op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Zowel in de bestuurlijke rapportage als in de processen-verbaal en het mutatierapport (van de gemaakte camerabeelden) wordt vermeld wat de politieambtenaren hebben waargenomen. Op grond hiervan heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank terecht aannemelijk geacht dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Daarbij heeft de burgemeester met name in aanmerking genomen en dat ook mogen doen dat de bij eiser aangetroffen hennep was verpakt in meerdere gripzakjes, de hoeveelheid hennep een handelshoeveelheid betrof, meerdere geldcoupures zijn aangetroffen en dat het gripzakje dat is aangetroffen bij een andere persoon uit de groep, en hennep bevatte, identiek was aan de gripzakjes die bij eiser werden aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd geen twijfel wekt aan de betrouwbaarheid van de vastlegging in de bestuurlijke rapportage. Eiser heeft de bevindingen zoals opgenomen in de bestuurlijke rapportage inhoudelijk ook niet, althans onvoldoende, betwist. Hij heeft enkel verklaard dat hij niet meer wist of hij hennep heeft getoond. Ook zijn vriend heeft verklaard - zo blijkt uit het proces-verbaal van diens verhoor - niet meer te weten of eiser hennep heeft getoond.

De burgemeester heeft bovendien een overtreding van artikel 2:74 van de APV nog aannemelijker mogen vinden nu als onweersproken vaststaat dat eiser na zijn aanhouding de berichtgeschiedenis met de persoon die aan kwam rijden op de bromfiets van zijn mobiele telefoon heeft gewist en dat contact vervolgens heeft geblokkeerd. Met de burgemeester is de rechtbank van oordeel dat het vaste rechtspraak is dat het bestuursrecht eigen (bewijs)rechtelijke kaders kent die los staan van het strafrechtelijke traject. Dat eiser niet strafrechtelijk is vervolgd voor de handel in drugs is daarom niet van doorslaggevend belang. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij en de persoon op de bromfiets een vriendschappelijke band hebben, er in de telefoon van eiser geen aanwijzingen zijn gevonden voor drugshandel en het geld voor eigen gebruik was, is de rechtbank van oordeel dat dit niet afdoet aan de (diverse) bevindingen uit het rapportage die in onderlinge samenhang een sterke aanwijzing opleveren dat eiser zich op een openbare plek bevond met het kennelijke doel om verdovende middelen af te leveren, aan te bieden, te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te middelen. De bestuurlijke rapportage en de opgemaakte processen-verbaal bieden - gelet op het voorgaande - voldoende grondslag om aan te nemen dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden.

6. De rechtbank deelt verder het standpunt van de burgemeester dat de opgelegde last onder dwangsom in de onderhavige situatie een geschikte en noodzakelijke maatregel betreft. Het doel van de last onder dwangsom is het voorkomen van herhaling van de overtreding van artikel 2:74 van de APV. Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord. De last onder dwangsom is niet strafrechtelijk van aard en als eiser niet opnieuw de overtreding begaat, verbeurt hij ook geen dwangsom. De zwaarte van de maatregel is in die zin beperkt.

De rechtbank is van oordeel dat handhaving in dit concrete geval niet zodanig onevenredig is dat van handhaving had moeten worden afgezien. Uit de besluitvorming en het verweerschrift blijkt dat de burgemeester een deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Daarbij heeft de burgemeester het terugdringen van drugshandel binnen de gemeente Sittard-Geleen ten behoeve van een veilig woon-, werk- en leefklimaat zeer belangrijk mogen vinden. De omstandigheid dat eiser minderjarig was ten tijde van de overtreding, bij zijn ouders woonde en beperkte financiële middelen had, heeft de burgemeester minder zwaarwegend mogen vinden.

De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat eerst een waarschuwing of een lagere dwangsom had moeten worden opgelegd. De hoogte van een dwangsom moet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geschonden belang en het beoogde effect van de dwangsom. Daarbij merkt de rechtbank op dat de last zelf al als waarschuwing fungeert, aangezien zonder herhaalde overtreding geen dwangsom wordt opgelegd. Wat betreft de hoogte van de dwangsom wijst de burgemeester terecht op de vaste rechtspraak waarin dit bedrag als gebruikelijk wordt beschouwd. Hoewel de rechtbank erkent dat ook een dwangsom van € 2.000,- een prikkel vormt, staat dit er niet aan in de weg dat de burgemeester een hogere dwangsom mag vaststellen volgens het geldende beleid. Tot slot acht de rechtbank daarbij nog van belang dat als een last een jaar lang van kracht is geweest zonder overtreding, een overtreder (in dit geval eiser) een verzoek tot ontheffing mag indienen.Dit is ook ter zitting besproken.

7. Conclusie van het voorgaande is dat de burgemeester bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen bij overtreding van artikel 2:74 van de APV, dat hij dit in dit geval ook mocht doen en dat de hoogte van de dwangsom in stand kan en mag blijven.

Het invorderingsbesluit

8. Aan het invorderingsbesluit heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van 15 april 2022 ten grondslag gelegd. De bevindingen zoals opgenomen in de rapportage luiden - voor zover thans van belang - als volgt:

“Op woensdag 13 april 2022, omstreeks 19:35 uur, zag de politie een viertal personen bij elkaar staan op het (…). Op het moment dat één van de vier personen de politie zag, maakten zij direct een spichtige indruk. Kort hierna werd de politie door een, tot op heden onbekend persoon, aangesproken. Deze persoon zei tegen de politie: “dat hebben jullie goed gezien”. Op de vraag wat de persoon bedoelde zei deze persoon dat de vier personen aan het rommelen waren in een heuptasje en dat er op enig moment één persoon uit de groep zei: “politie, niks zeggen en stil blijven staan”.

Vervolgens kwam de politie ter plaatse bij de groep en zagen zij dat één persoon uit de groep een zwart heuptasje droeg. Deze persoon bleek een kleine hoeveelheid hennep in zijn heuptasje te hebben. De politie zag dat er in zijn heuptasje nog meer zat en vond een gripzak met hierin witte bolletjes. De witte bolletjes bleken na onderzoek te bestaand uit meerdere XTC pillen die gewikkeld waren in vloeipapier en verpakt in transparante folie. Het bleek uiteindelijk te gaan om 40 XTC pillen die verpakt zaten met twee of vijf pillen per bolletje. Tevens werd er nog 0,85 gram heroïne aangetroffen bij deze persoon. De hennep bleek 0,15 gram te zijn. Tevens was deze persoon in het bezit van een tweede mobiele telefoon.

Aansluitend werd een andere persoon uit de groep, later betrokkene genoemd [toevoeging rechtbank: hiermee wordt eiser bedoeld], gecontroleerd door de politie. Uit de binnenzak van zijn jas haalde betrokkene een grotere gripzak met daarin vijf gripzakjes met hasj (5,61 gram) en twee gripzakjes met hennep (1,78 gram). Beiden zijn vervolgens aangehouden door de politie.

(…)

Betrokkene verklaarde dat hij de verdovende middelen voor eigen gebruik bij zich had.

(…)

Uit de in deze bestuurlijke rapportage beschreven bevindingen concludeert de politie dat het zeer aannemelijk is dat de betrokkene zich op de openbare weg bevond met het doel het verkopen van verdovende middelen. (…)”

Ook ten aanzien van het invorderingsbesluit voert eiser in beroep aan dat uit de bestuurlijke rapportage niet blijkt van een (herhaalde) overtreding van artikel 2:74 van de APV, zodat in ieder geval de bevoegdheid van de burgemeester ontbreekt om een dwangsom in te vorderen. Bovendien dient de burgemeester af te zien van invordering dan wel de hoogte van de verbeurde dwangsom van € 5.000,- te matigen omdat het persoonlijke belang van eiser dient te prevaleren boven het algemene belang van de burgemeester om te handhaven.

De rechtbank herhaalt haar eerdere overweging dat de bewijslast bij de burgemeester rust om aannemelijk te maken dat eiser de APV heeft overtreden. Dit moet gebeuren op basis van een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden. Het is vervolgens aan eiser om dit vermoeden, indien daartoe aanleiding bestaat, te ontkrachten.

De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester niet in zijn bewijslast is geslaagd omdat hij op basis van de bestuurlijke rapportage niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser de kennelijke bedoeling heeft gehad om op 13 april 2022 drugs te handelen of daarbij behulpzaam te zijn. De kennelijke bedoeling om drugs te handelen of daarbij behulpzaam te zijn kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers of het waarnemen van transacties. Van het aanspreken van voorbijgangers of het waarnemen van transacties is geen sprake in dit geval. Dat een (onbekend gebleven) voorbijganger aan verbalisanten heeft gezegd 'dat hebben jullie goed gezien' en heeft gezien dat de vier personen aan het rommelen waren in een heuptasje is onvoldoende om uitsluitend op grond daarvan aan te nemen dat eiser de kennelijke bedoeling heeft gehad om drugs te verhandelen. Uit deze verklaring blijkt niet dat de voorbijganger daadwerkelijk drugshandel heeft waargenomen. Bovendien is de gemaakte opmerking te vaag en laat meerdere interpretaties toe.

De door de burgemeester aangedragen overige omstandigheden, die zijn opgenomen in de bestuurlijke rapportage, zijn naar het oordeel van de rechtbank ook niet genoeg om aan te nemen dat eiser ‘het kennelijke doel’ had om drugs te verhandelen. Anders dan de burgemeester kan dit niet worden opgemaakt uit het beschreven gedrag van eiser en de groep (zij maakte een ‘schichtige indruk’ en iemand uit de groep zou hebben gezegd ‘politie, niks zeggen en stil blijven staan’). Dat eiser een schichtige indruk maakte bij het zien van de verbalisanten is begrijpelijk. Hij had immers een (kleine) hoeveelheid softdrugs bij zich (waarvan hij heeft verklaard dat dit voor eigen gebruik was) en twee weken eerder was hij aangehouden, waarbij hem een last onder dwangsom was opgelegd wegens een overtreding van artikel 2:74 van de APV. Ten aanzien van het grote aantal XTC-pillen dat is aangetroffen bij een andere persoon uit deze groep overweegt de rechtbank dat de burgemeester dit niet aan eiser kan tegenwerpen, niet is gebleken dat eiser weet had van de aanwezigheid van drugs bij die persoon.

9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de burgemeester geen dwangsom mocht invorderen van eiser.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank is van oordeel dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd, maar dat onvoldoende is gebleken dat eiser zich op 13 april 2022 op of aan de weg postvatte of zich daar heen en weer bewoog met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Dat heeft tot gevolg dat de bevoegdheid tot het invorderen van de dwangsom ontbreekt. Zij vernietigt daarom de beslissing op bezwaar van 24 maart 2023 voor zover daarmee het invorderingsbesluit van 8 juni 2022 wordt gehandhaafd.

11. Verder ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien. Omdat niet is gebleken van een herhaalde overtreding bepaalt de rechtbank dat het bezwaar van eiser in zoverre gegrond is en herroept zij het invorderingsbesluit van 8 juni 2022. Deze uitspraak zal in plaats treden van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar.

12. Omdat de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de burgemeester aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.

13. De rechtbank veroordeelt de burgemeester tenslotte in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in beroep voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 5 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand