ECLI:NL:RBLIM:2026:2188

ECLI:NL:RBLIM:2026:2188

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 06-03-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer ROE 26/517
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening

Samenvatting

Omgevingsvergunning voor kappen van houtopstand. Afwijzing verzoek voorlopige voorziening op basis van belangenafweging en voorlopig rechtmatigheidsoordeel.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[naam] ,

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 26/517

[naam] en

[naam] , allen wonend te Roermond, verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, het college.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Port of Roermond Coöperatief U.A., gevestigd te Roermond (gemachtigden: mrs. R. Olivier, R.N. van der Velde en M.A.T. Schroots).

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2025 heeft het college aan Port of Roermond Coöperatief U.A. (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van bomen (circa 200) of het vellen van een houtopstand op de locatie nabij [adres] ongenummerd, 6041 TA, Roermond (hierna: de kapvergunning).

Verzoekers [naam] en [naam] hebben bij brief van 5 januari 2026 tegen de kapvergunning bezwaar gemaakt. Zij en verzoeker [naam] hebben op 2 maart 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft op 3 maart 2026 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Vergunninghoudster heeft bij brief van 3 maart 2026 op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gereageerd.

Verzoekers hebben op 4 maart 2026 bericht dat vergunninghoudster is gestart met de uitvoering van de omgevingsvergunning.

De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In artikel 8:83, vierde lid, van de Awb is bepaald - zakelijk weergegeven - dat de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak kan doen indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.

3. De voorzieningenrechter overweegt dat het college in de kapvergunning heeft bepaald dat de omgevingsvergunning in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking (artikel 16:79, tweede lid, van de Omgevingswet). Als binnen die termijn een verzoek om een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, treedt de omgevingsvergunning niet in werking voordat op het verzoek is beslist (artikel 16.79, vierde lid, van de Omgevingswet).

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers niet binnen de termijn van vier weken een verzoek om een voorlopige voorziening hebben ingediend. Dit betekent dat de kapvergunning in werking is getreden.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang nu op 4 maart 2026 een aanvang is gemaakt met de uitvoering van de kapvergunning en het verwijderen van de bestaande bomen en beplanting in beginsel onomkeerbaar is. Daarbij merkt de voorzieningenrechter wel op dat die onomkeerbaarheid relatief is gelet op de aard en leeftijd van de betreffende bomen: met herplant op dezelfde locatie zouden de gevolgen in dit geval in beginsel wel ongedaan gemaakt kunnen worden. Desalniettemin neemt de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang aan bij het verzoek om voorlopige voorziening.

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek van verzoeker [naam] moet worden afgewezen. Uit de stukken is de voorzieningenrechter namelijk niet gebleken dat verzoeker [naam] tegen de kapvergunning bezwaar heeft gemaakt en aldus voldoet aan het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

7. Over het verzoek van verzoekers [naam] en [naam] overweegt de voorzieningenrechter verder als volgt.

8. De voorzieningenrechter volgt, voorlopig oordelend, niet het standpunt van vergunninghoudster dat zij geen belanghebbenden zijn. Verzoekers lijken immers vanuit hun woonpercelen (direct) zicht op een deel van de bomen te hebben waarop de kapvergunning ziet.

9. Over de vraag of de hiervoor bedoelde onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

10. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat verzoekers, door met hun verzoek te wachten tot 2 maart 2026, het risico hebben genomen dat gebruik zou worden gemaakt van de kapvergunning. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar hetgeen onder 3 is vermeld: verzoekers hadden om inwerkingtreding van de vergunning te voorkomen, eerder een verzoek om voorlopige voorziening kunnen indienen.

11. Verzoekers noemen in hun verzoek om voorlopige voorziening en in hun bezwaarschrift ter onderbouwing van hun standpunt dat de kapvergunning niet verleend had mogen worden onder meer het verlies van broed- en leefplaatsen en het ontbreken van een deugdelijke compensatie daarvoor, de aantasting van het landschap - oftewel aantasting van de visuele buffer langs een deel van het bedrijventerrein en van hun uitzicht – en van de leefbaarheid door het plaatsen van stalen damwanden, het effect op de luchtkwaliteit en de toename van hittestress.

12. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in deze zaak gaat om schorsing van de kapvergunning en niet om schorsing van de omgevingsvergunning voor het realiseren van kademuren. Belangen die daarop zien kan de voorzieningenrechter dan ook niet betrekken bij de beoordeling van de kapvergunning.

13. De kapvergunning kan alleen worden geweigerd op grond van de in artikel 4:12a van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Roermond (hierna: APV) genoemde waarden. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers deels voor algemene belangen (zoals het faunabelang) en deels voor hun persoonlijke belangen (zoals verslechtering van hun uitzicht) opkomen. Voor zover de door verzoekers ingebrachte belangen niet zijn terug te voeren op een van de in de APV genoemde weigeringsgronden, gaat de voorzieningenrechter daaraan voorbij.

14. Op de resterende (algemene) belangen is het college in het besluit tot verlening van de kapvergunning ingegaan. Het college heeft gemotiveerd waarom deze belangen niet of slechts beperkt worden geschaad. Zo wordt tijdens de werkzaamheden met beheersmaatregelen rekening gehouden met de soorten, blijft na de kap in de omgeving voldoende leef- en foerageergebied beschikbaar en zijn in de bomen zelf geen vaste rust- of verblijfplaatsen aangetroffen. De landschappelijke- en beeldbepalende waarde is beperkt, omdat de houtopstanden voornamelijk bestaan uit relatief jonge bomen van geringer formaat, die via natuurlijke uitzaaiing zijn ontsproten op taluds en oevers. Bovendien is op grond van de APV een herplantverplichting van toepassing en is een daartoe strekkend voorschrift in de kapvergunning opgenomen.

15. De voorzieningenrechter acht, gelet op de verschijningsvorm van het groen, de stelling van het college dat sprake is van vanzelf ontsproten begroeiing zonder beeldbepalende en cultuur-historische waarden aannemelijk evenals de gemotiveerde standpunten dat geen sprake is van (onevenredige aantasting van) natuurwaarden en landschappelijke waarden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook het uitgevoerde ecologische onderzoek. De voorzieningenrechter is aldus van oordeel dat de belangen van verzoekers, gelet op het toetsingskader voor de kapvergunning en de daaruit voortvloeiende belangen die kunnen worden meegewogen, door verlening van die vergunning niet onevenredig worden geschaad.

16. Tegenover de belangen van verzoekers staat het belang van vergunninghoudster en ook het algemeen belang: de bomen worden gekapt om uitvoering van een project ter bescherming tegen hoogwater mogelijk te maken. Dat hiervoor mogelijk alternatieven bestaan, zoals verzoekers hebben aangedragen, is voor de voorzieningenrechter onvoldoende om de kapvergunning te schorsen. De korte tijd die de voorzieningenrechter heeft voor een voorlopig oordeel – ook gelet op het moment waarop het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend – leent zich niet voor een goede afweging van dergelijke alternatieven, nog daargelaten de vraag of het bestaan van een alternatieve uitvoering van het project ter bescherming tegen hoog water aanleiding zou kunnen zijn voor weigering van de gevraagde kapvergunning. Daar komt bij dat vergunninghoudster de aanvraag tijdig heeft gedaan en het college de kapvergunning tijdig heeft verleend om te kunnen gaan kappen voor het broedseizoen (omstreeks 15 maart) begint. Het treffen van een voorlopige voorziening zou kunnen betekenen dat de kap voor een lange periode uitgesteld moet worden. Nu voldoende gemotiveerd is dat geen van de weigeringsgronden voor de kapvergunning zich voordoet, is er ook geen reden voor het treffen van een dergelijke voorziening.

17. Uit het voorgaande volgt dat het belang bij het treffen van een voorlopige voorziening – dus het schorsen van de kapvergunning – naar het oordeel van de voorzieningenrechter minder groot is dan het belang van vergunninghoudster bij het verder kunnen gaan met uitvoering van hetgeen vergund is. Ook volgt uit het voorgaande dat, naar voorlopig oordeel, van onrechtmatigheid van de kapvergunning geen sprake is.

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat betekent dat verzoekers geen gelijk krijgen en de uitvoering van de kapvergunning doorgang mag vinden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. Het dictum van de uitspraak is op 4 maart 2026 omstreeks 16.30 uur telefonisch aan partijen medegedeeld. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.D.R.H. Lechanteur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?