RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11944127 \ CV EXPL 25-4389
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: mr. M. Spruit,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek met producties 1 en 2, - de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] is met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan, uit hoofde waarvan [gedaagde] iedere maand premie moet betalen aan CZ.
[gedaagde] heeft de premie van mei 2025 niet betaald.
Bij brief van 10 juli 2025 heeft CZ aan [gedaagde] medegedeeld dat, als het bedrag van € 160,95 niet binnen veertien dagen wordt betaald, zij haar vordering uit handen zal geven aan een incassogemachtigde. Het betreffende bedrag is niet binnen de door CZ gestelde termijn betaald.
Bij brief van 2 oktober 2025 heeft de incassogemachtigde van CZ [gedaagde] vervolgens gesommeerd tot betaling van de openstaande premie, de rente en de buitengerechtelijke kosten. Ook daarop is niets betaald aan CZ.
3. Het geschil
CZ vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 159,99, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
CZ legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst is aangegaan en dat hij op grond van die overeenkomst aan haar periodiek premie verschuldigd is. [gedaagde] heeft een bedrag van € 159,99 aan premie over de periode van 1 mei tot en met 31 mei 2025 niet betaald.
[gedaagde] erkent de vordering van CZ, maar stelt dakloos te zijn en daarom de premie niet te kunnen betalen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] het bedrag van € 159,99 aan premie over de maand mei 2025 niet aan CZ heeft betaald. [gedaagde] stelt echter wel dat hij eerder pogingen heeft gedaan om de premie te betalen, maar omdat hij dakloos is dat niet is gelukt.
De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst de maandelijkse premies moet betalen. De persoonlijke situatie van [gedaagde], hoe vervelend deze ook is, maakt dat niet anders. [gedaagde] zal dan ook de premie van € 159,99 over de maand mei alsnog moeten betalen.
Verder heeft [gedaagde] verzocht om de rente en de buitengerechtelijke incassokosten kwijt te schelden of te verminderen, maar deze kosten zijn door CZ niet gevorderd, waardoor dit verzoek verder buiten beschouwing wordt gelaten.
Gelet op al het voorgaande zal het door CZ gevorderde bedrag van € 159,99 worden toegewezen.
Proces- en nakosten
[gedaagde] heeft ook verzocht om de proceskosten kwijt te schelden of te verminderen. De kantonrechter overweegt dat het niet betalen van de premie over de maand mei 2025 de reden is geweest voor het starten van deze procedure. CZ heeft daarvoor kosten moeten maken. In dat verband heeft CZ gesteld dat [gedaagde] een betalingsregeling had kunnen treffen waarmee hij een gang naar de rechter had kunnen voorkomen. Op grond van artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten veroordeeld. Op deze regel bestaan een aantal uitzonderingen, echter doen deze zich in onderhavige zaak niet voor.
Omdat [gedaagde] in het ongelijk is gesteld moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
€
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
387,95
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 159,99,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 387,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.