ECLI:NL:RBLIM:2026:2267

ECLI:NL:RBLIM:2026:2267

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 24-02-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer NL:TZ:2503645:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Afwijzing verzoek toelating wsnp; nog niet stabiel

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Team Insolventie

Zittingsplaats Maastricht

Rekestnummer: NL:TZ:2503645:R-RK

Vonnis van 24 februari 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats]

verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,

tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Samenvatting

[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

De rechtbank wijst het verzoek af.

1. De procedure

De procedure bestaat uit:

- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;

- de zitting van woensdag 11 februari 2026, waarbij aanwezig waren:

- dhr. [verzoeker] ;

- dhr. [naam schuldhulpverlener 1] , schuldhulpverlener namens Gemeente Heerlen;

- mw. [naam schuldhulpverlener 2] , schuldhulpverlener namens Gemeente Heerlen.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2. Het verzoek

[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen.

3. De beoordeling

De rechtbank dient het verzoek te toetsen aan de criteria genoemd in artikel 288 van de Faillissementswet (Fw). Het komt er in dit geval op neer dat een verzoeker alleen kan worden toegelaten in de schuldsanering, als hij bewijst:

- (lid 1, onder b:) dat hij “te goeder trouw” is geweest bij de schulden die in de laatste drie jaren zijn ontstaan of die in die periode onbetaald zijn gelaten, en

- (lid 1, onder c:) dat hij de verplichtingen die bij de schuldsaneringsregeling horen, kan en zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk geld voor de boedel te verwerven (ten behoeve van de schuldeisers).

Bij de beoordeling van het in artikel 288 lid 1 onder b Fw bedoelde te goeder trouw zijn van de schuldenaar wordt een gedragsmaatstaf gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Het is daarbij aan de schuldenaar om bedoelde goede trouw aannemelijk te maken.

Uit het verzoekschrift blijkt een totale schuldenlast van € 60.693,35 verdeeld over 22 schuldeisers. Het grootste deel van de vorderingen zijn meer dan drie jaar voor de indiening van het verzoekschrift ontstaan. Voor een drietal schulden is dit anders, namelijk een huurvordering van € 1.323,24 ontstaan in 2024, een energievordering van € 880,36, ontstaan in 2023, en de aanslag BsGW over de jaren 2021 tot en met 2025. Ter zitting is gebleken dat de huurvordering middels extra betalingen wordt afgelost, hetgeen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat alle schuldeisers een evenredig deel ontvangen van hun vordering. De energievordering is ontstaan door het aangaan van een driejarig contract. Waarom deze vordering uiteindelijk onbetaald is gebleven, is niet duidelijk geworden. Voorts is ten aanzien van de BsGW vordering door de schuldhulpverlening ter zitting verklaard dat het lopende jaar steeds in een schuldregeling als schuld wordt meegenomen. Hiermee ontstaat willens en wetens een nieuwe schuld, namelijk (in dit geval) de lopende verplichting over het jaar 2025 en de verplichting gedurende zes maanden in 2024. De rechtbank acht dit kwalijk te meer nu er sinds juli 2024 al sprake was van budgetbeheer.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen onder rechtsoverweging 3.3 vermeld staat niet hoeft te leiden tot een afwijzing van het verzoek, nu deze vorderingen immers een klein percentage van de totale schuldenlast beslaan. Voorts moet worden aangenomen dat [verzoeker] in deze heeft vertrouwd op de schuldhulpverlening en de budgetbeheerder en daarom kan zulks hem niet ten volle worden aangerekend. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] toch voldoende aannemelijk gemaakt heeft dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend “te goeder trouw” is geweest, zoals de wet dat bedoelt. Aan die voorwaarde (zie hiervoor onder rechtsoverweging 3.1) is dus in voldoende mate voldaan.

Aan de andere voorwaarde, ook aangegeven onder rechtsoverweging 3.1. hierboven (tweede gedachtestreepje), is echter (nog) niet voldaan. Op dit punt is van belang dat de rechtbank moet toetsen aan de landelijke uniforme beoordelingscriteria voor toelating tot de schuldsaneringsregeling. Die criteria geven op dit punt aan:

Ingeval van psychosociale problematiek wordt een verzoeker in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsanering indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. De beheersbaarheid van de problemen dient te worden bevestigd door een hulpverlener of hulpverlenende instantie.

Duidelijk is dat van een situatie dat “deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn” nog geen sprake is. Uit de in het verzoekschrift gevoegde brief, gedateerd 13 november 2025, van Mondriaan, opgesteld naar aanleiding van de intake in september 2025, blijkt als volgt:

“Er is geen sprake van een depressie in engere zin, eerder agitatie dan somberheid. Patiënt is in het verleden vier keer op uitzending geweest tijdens zijn diensttijd. Eventuele PTSS klachten werden uitgevraagd, maar worden niet herkend. Zijn coping bestaat uit praten over gebeurtenissen, deze een plek geven en vervolgens doorgaan”. Er zal worden ingezet op het onder controle krijgen van agressieve impulsen en het verbeteren van emotieregulatie. Hiertoe zal - kort samengevat - een signaleringsplan worden opgesteld waarnaast passende modules behandeld worden, zo blijkt uit de brief van Mondriaan.

Ter zitting heeft [verzoeker] hierover verklaard dat een concreet plan nog niet is opgesteld. Hij verwacht dit over ongeveer drie weken. Ten aanzien van het verrichten van betaalde arbeid heeft hij verklaard dat hij hier momenteel, en gedurende de periode van zijn ziektewetuitkering tot 5 november 2026, niet aan zal kunnen voldoen. Voor de toekomt wordt vooralsnog gedacht aan thuiswerk, in elk geval een baan waarin hij zo min mogelijk prikkels ervaart. Hij verwacht wel dat, indien hij zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, dit zijn herstel ten goede zal komen.

Hieruit blijkt voor de rechtbank dat [verzoeker] nog een lange weg te gaan heeft. Het is positief te constateren dat voor de psychische problematiek hulp inmiddels is ingeschakeld, maar de daadwerkelijke behandeling moet echter nog starten. Gebleken is immers dat de behandelplannen nog niet zijn opgesteld. Een objectieve, gemotiveerde bevestiging van een hulpverlener waaruit blijkt dat de psychosociale problemen al enige tijd beheersbaar zijn, ontbreekt eveneens. Een toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling acht de rechtbank dan ook op dit moment te vroeg. Het risico dat [verzoeker] de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling vanwege zijn psychische problemen niet zal kunnen nakomen en dat de schuldsaneringsregeling dan tussentijds beëindigd zou moeten worden, is reëel. [verzoeker] zou dan geen “schone lei” krijgen. Dat zou niet in zijn belang zijn en overigens ook niet in het belang van de schuldeisers.

De rechtbank realiseert zich dat het een harde beslissing voor [verzoeker] is. Nu de plannen ten aanzien van de gespecialiseerde hulp nog opgesteld moeten worden en de beheersbaarheid van de problemen in elk geval nog niet kan worden bevestigd door een hulpverlenende instantie, kan de rechtbank niet tot een ander oordeel komen. De schuldsaneringsregeling is nu eenmaal geen vorm van hulpverlening, maar een zwaar traject om schulden te saneren, waarbij ook met belangen van schuldeisers rekening moet worden gehouden. De wet verlangt van de rechtbank dat zij kritisch beoordeelt of een verzoeker in dit soort gevallen aan de voorwaarden voor toelating voldoet. Dat heeft de rechtbank in dit geval gedaan en de conclusie is dus dat het verzoek op dit moment (nog) moet worden afgewezen.

Volhouden, starten met het volgen van een behandeling voor de psychische problemen en die problemen beheersbaar krijgen, dát is de weg die [verzoeker] moet volgen. Als hij dat doet, kan hij te zijner tijd mogelijk wél met succes een beroep doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling.

4. De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans, rechter, en uitgesproken ter openbare trechtzitting van 24 februari 2026 in tegenwoordigheid van M.P.J. Huijs, griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.E.J. Noelmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?