RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.086617.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1975,
gedetineerd in [P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. L.M. van den Dungen, advocaat kantoorhoudende te Venlo.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. K.D. Regter, advocaat kantoorhoudende te Heerlen. Tevens hebben de ouders van [naam 1] , te weten [naam 2] en [naam 3] , zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces, eveneens bijgestaan door mr. K.D. Regter. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1: op 3 maart 2025 in de gemeente Venlo [naam 1] heeft verkracht;
feit 2: in de periode van 17 oktober 2024 tot en met 3 maart 2025 in de gemeente Venlo [naam 1] heeft aangerand;
feit 3: in de periode van 1 november 2024 tot en met 30 november 2024 in de gemeente Venlo een sleutel (een loper) van [zorggroep 1] heeft gestolen.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaringen van [naam 1] die onder meer ondersteund worden door de eigen waarnemingen van het zorgpersoneel, het op 3 maart 2025 aangetroffen DNA van de verdachte op de pyjama en het beddengoed van [naam 1] en het op 3 maart 2025 aangetroffen bloed dat geen menstruaal bloed betreft en niet wordt verklaard door externe verwondingen op haar lichaam.
Uit de verklaringen van getuigen en de verslaglegging van ‘ [zorggroep 1] ’ volgt dat de aanrandingen op 17 oktober en 28 december 2024 moeten zijn gebeurd. [naam 1] is niet in staat op een normale manier te praten, maar [naam 1] is wel in staat om dingen te begrijpen zolang deze op een voor haar begrijpelijke wijze worden uitgelegd. Zij uit zich als zij dingen niet begrijpt en is ook in staat om aan te geven welke seksuele handelingen er niet zijn verricht. De verklaringen van [naam 1] zijn voldoende gedetailleerd en consistent om als authentiek en betrouwbaar aangemerkt te worden.
Ook acht de officier van justitie feit 3 wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte en het feit dat de sleutelbos bij de doorzoeking van de woning van de verdachte werd aangetroffen in diens woonkamer.
De officier van justitie acht de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig, nu deze verklaringen soms aantoonbaar leugenachtig en in strijd met andere bewijsmiddelen in het dossier zijn en de verdachte wisselende verklaringen heeft gegeven voor het door de politie aangetroffen bewijsmateriaal.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe heeft zij ten aanzien van feit 1 en feit 2 onder meer het volgende aangevoerd. Er is geen DNA van de verdachte op en in het lichaam van [naam 1] aangetroffen. Het aangetroffen DNA van de verdachte op het dekbed, de kleding en de luier kan worden verklaard door de werkzaamheden die hij heeft verricht binnen de zorginstelling en meer specifiek de wasserette en de voorraadkast. Ook het aangetroffen spermaspoor op het dekbed kan worden verklaard: gedurende zijn werkzaamheden binnen de instelling heeft de verdachte incidenteel pornografisch materiaal bekeken en zichzelf daarbij bevredigd. Daarnaast is het sperma uitsluitend aangetroffen op het dekbed en niet op of in het lichaam van aangeefster. Het forensisch onderzoek levert derhalve geen ondersteuning voor de stelling dat sprake is geweest van seksueel contact tussen de verdachte en [naam 1] . Voorts is de verklaring van [naam 1] niet afgenomen conform de gebruikelijke zedenverhoormethodiek en voldoet niet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen (gesloten vragen, inmenging van de moeder van [naam 1] en pictogrammen van [naam 1] niet als bijlage bij verhoor bijgevoegd), hetgeen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de verklaring.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft verklaard de loper in zijn bezit te hebben gehad vanwege de uitvoering van zijn werkzaamheden. Hij heeft deze loper via een collega verkregen en vertrouwd op de informatie van deze collega. Hij heeft de loper enkel gebruikt bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. Na het beëindigen van de werkzaamheden bij de zorginstelling heeft de verdachte de loper nimmer meer gebruikt.
Subsidiair heeft de raadsvrouw ook vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten, omdat deze niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen in de omvang zoals deze zijn geformuleerd. De verklaring van [naam 1] vormt het enige directe bewijsmiddel voor de tenlastegelegde handelingen die geen steun vinden in andere bewijsmiddelen.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
[naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 1991 en nu 34 jaar oud, woont op zorglocatie ‘ [zorggroep 1] ’ in Venlo, een locatie waar mensen verblijven met niet-aangeboren hersenletsel, vanwege haar beperking veroorzaakt door niet aangeboren hersenletsel. Doordat [naam 1] is geboren met een zuurstofgebrek, is zij meervoudig gehandicapt en motorisch volledig afhankelijk van anderen. Zij is immobiel en heeft last van spasmen waardoor zij niet zelfstandig kan lopen, moeite heeft met bewegen en niet iedere alledaagse handeling kan uitvoeren. Cognitief kan [naam 1] vragen wel begrijpen en kan zij ook antwoord geven op de gestelde vragen. Echter is [naam 1] verbaal beperkt en communiceert zij middels een spraakcomputer, gebaren en pictogrammen/kaarten. Ook wordt er gecommuniceerd middels de ‘ja/nee’-methode waarbij de ander beide vuisten naar voren doet. De ene vuist staat voor ‘ja’ en de andere vuist staat voor ‘nee’. [naam 1] geeft dan voor het beantwoorden van een ‘ja/nee’-vraag met haar hand een tik op een van de vuisten.
Op 3 maart 2025 ontvingen zorgmedewerkers van zorglocatie ‘ [zorggroep 1] ’ een noodoproep van [naam 1] . De desbetreffende zorgmedewerker hoorde gestommel op de slaapkamer van [naam 1] . Vervolgens trof de zorgmedewerker [naam 1] in bed aan zonder haar eerder door de zorgmedewerkers aangetrokken pyjamabroek en onderbroek. Ook zat de luier van [naam 1] niet meer zoals het hoorde en werd er bloed op haar vagina, billen, de luier en het laken aangetroffen.
[naam 1] maakte op de voor haar bekende manier kenbaar dat er een man op haar kamer was geweest en dat deze man haar had aangeraakt. Hierop werd door de desbetreffende zorgmedewerker de politie gebeld waarna de politie ter plaatse kwam. Het onderzoek werd door de afdeling zeden verder opgepakt.
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3
Op 4 maart 2025 vond er een gesprek plaats met [naam 1] tezamen met de behandelend psycholoog L. Teunissen, haar moeder [naam 2] en verbalisant [naam 4] . Tijdens dit gesprek werd er gewerkt en gesproken met behulp van een boek met pictogrammen van [naam 1] . Ook werd er gesproken met behulp van losse pictogrammen. Deze werden meegenomen door de verbalisant [naam 4] . De psycholoog noemde deze losse pictogrammen, waarvan zij er enkele tijdens het gesprek met [naam 1] aan [naam 1] toont, plaatjes. Dit gesprek is woordelijk uitgewerkt en hierin is onder meer het volgende vermeld:
Vrouw 1: psycholoog L. Teunissen;
Vrouw 2: [naam 1] ;
Vrouw 3: [naam 2] ;
Vrouw 4: verbalisant [naam 4] .
(…)
Vrouw 3: Was je wakker?
Vrouw 2 maakt geluid dat klinkt als ‘Ja’.
(…)
Vrouw 3: (…). Was je geschrokken?
Vrouw 2 maakt geluid dat klinkt als ‘ja’. Wijst aan met behulp van het boek.
(…)
Vrouw 2 wijst aan in het boek.
Vrouw 3: Bed. In jouw bed? Op de slaapkamer hier?
Vrouw 2 maakt geluid dat klinkt als ‘ja’.
Vrouw 1 en 3: Ja.
Vrouw 1: Wat was er gebeurd op jouw slaapkamer?
Vrouw 2 wijst naar iets buiten de camera.
Vrouw 3: Door de deur?
Vrouw 1: Was er iemand door de deur gekomen?
Vrouw 2 maakt een geluid dat klinkt als ‘ja’.
Vrouw 2 wijst aan met behulp van het boek.
Vrouw 1: En was het een meneer (steekt linkerhand naar voren) of een mevrouw (steekt rechterhand naar voren).
Vrouw 2 tikt met hand de linkerhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Was het dezelfde meneer als de vorige keer die er was geweest, ja (steekt linkerhand naar voren) of nee (steekt rechter hand naar voren).
Vrouw 2 tikt de linkerhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Ja, het was dus dezelfde. En is het nu drie keer dezelfde geweest of twee keer. Dus twee keer (steekt rechterhand naar voren) of drie keer (steekt linkerhand naar voren).
Vrouw 2 tikt de linkerhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Drie keer.
(…)
Vrouw 1: Had ie ook al.. die meneer.. hoe zag die meneer eruit?
Vrouw 3 pakt het boek erbij en begint te bladeren.
Vrouw 2 wijst aan met behulp van het boek.
Vrouw 3: Bedoel je dan de kleur haren?
Vrouw 2 maakt een geluid dat klinkt als ‘ja’.
Vrouw 3: En welke kleur?
Vrouw 2 wijst aan met behulp van het boek.
Vrouw 3: Die? Zilverkleurig haar. Grijze haren?
Vrouw 2 maakt een geluid dat klinkt als ‘ja’.
(…)
Vrouw 1: Had die meneer een bril (steekt linkerhand naar voren ) of niet (steekt rechterhand naar voren).
Vrouw 2 tikt rechterhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Niet! Geen bril. (…)
Vrouw 1: (…) En de haren.. waren de grijze haren kort (steekt de linker hand naar voren) of waren die lang (steekt rechter hand naar voren).
Vrouw 2 tikt met hand de rechterhand van vrouw 1 aan.
(…)
Vrouw 1: (…) Die meneer, is die bij jou op bed gekomen ja (steekt rechterhand vooruit) of nee (steekt linkerhand vooruit).
Vrouw 2 tikt de rechterhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Ja! Uhm, en ..wilde je nog iets zeggen?
Vrouw 3: (Bladert in het boek). Ja...
Vrouw 2 wijst iets aan in het boek en maakt geluid dat klinkt als ‘ja’.
Vrouw 1: Ja. Heeft hij aan je billen gezeten?
Vrouw 2 maakt een geluid dat klinkt als ‘ja’.
Vrouw 1: Ja! Heeft hij aan nog meer gezeten?
Vrouw 2 wijst naar het boek.
Vrouw 3: De mond?
Vrouw 2 maakt een geluid dat klinkt als ‘Ja’.
Vrouw 1: Ook aan de mond gezeten?
Vrouw 1: Heeft hij aan de mond gezeten?
Vrouw 2 maakt een geluid dat klinkt als ‘ja’.
Vrouw 1: Heeft hij ook aan de borsten gezeten?
Vrouw 2 maakt een geluid dat klinkt als ‘ja’.
Vrouw 1: Ja. Had hij ook nog aan je vagina en aan je plasser gezeten?
Vrouw 2 maakt een geluid dat klinkt als ‘ja’.
Vrouw 1: Ja. (…) met wat heeft die meneer daar aan gezeten? Met zijn handen (steekt linkerhand naar voren) of met wat anders (steekt rechter hand naar voren)?
Vrouw 2 tikt met hand linkerhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Met de handen!
Vrouw 2 tikt ook rechterhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: En iets anders! Allebei. Met de handen en wat anders!
Vrouw 1: [naam 1] , we hebben hier een aantal plaatjes. En die plaatjes laten zien wat er gebeurd kan zijn. Dus die laten we je kijken en dan kan je aangeven of het wel of niet gebeurd is. Dit is een plaatje dat die meneer je gekust heeft. Is dat gebeurd, ja (steekt rechterhand naar voren) of nee. (Opmerking van de verbalisant: te zien is dat aan [naam 1] enkele pictogrammen worden getoond).
Vrouw 2 tikt rechterhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Ja, dat is zo.
Vrouw 1: (…) dit is een plaatje dat die meneer met de hand aan je vagina heeft gezeten aan je plasser ja (steekt rechterhand naar voren) en nee (steekt linkerhand naar voren).
Vrouw 2 tikt de rechterhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Ja!
(…)
Vrouw 1: [naam 1] er is best wel wat bloed gevonden op het bed, weet jij waar dat vanaf komt, ja (steekt rechterhand vooruit) of nee (steekt linkerhand vooruit).
Vrouw 2 tikt de rechterhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Ja. En is dat gekomen omdat die meneer daar met zijn hand aan heeft gezeten? Ja (steekt rechterhand vooruit) of nee (steekt linkerhand vooruit).
Vrouw 2 tikt met de hand de rechterhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Ja!
(…)
Vrouw 1: Heeft hij op het bed gelegen, ja (steekt rechterhand naar voren) of nee (steekt linkerhand naar voren).
Vrouw 2 tikt met hand op de rechter hand van vrouw 1.
Vrouw 1: Ja!
Vrouw 1: Heeft hij toen aan je borsten gezeten, ja (steekt rechterhand naar voren ) of nee (steekt linkerhand naar voren).
Vrouw 2 beweegt met haar hand over haar buik en schaamstreek.
Vrouw 1: En aan de plasser.. de vagina...
Vrouw 2 tikt met haar hand de rechterhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Ja. Ja!
(…)
Vrouw 1: Heeft die meneer een snor? Ja (vrouw 1 steekt haar rechterhand naar voren) of nee (vrouw 1 steekt haar linkerhand naar voren).
Vrouw 2 tikt met haar hand op de linkerhand van vrouw 1.
Vrouw 1: Nee.
Vrouw 1: Heeft die meneer een baard? Ja (steekt rechterhand naar voren) of nee (steekt linkerhand naar voren).
Vrouw 2 tikt met haar hand tegen de linkerhand van vrouw 1.
Vrouw 1: Ook nee.
(…)
Vrouw 1: Je zei dat hij grijze haren had, wat langer, maar had hij die los of vast?
Vrouw 1 steekt beide handen naar voren en zegt op het moment dat ze de rechterhand naar
voren steekt ‘los’ en op het moment dat ze haar linkerhand naar voren steekt ‘vast’.
Vrouw 2 tikt met haar hand de linkerhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Vast? Ja.
Vrouw 3: In zo’n staartje meer?
Vrouw 2 slaakt een kreet die door vrouw 3 en vrouw 1 als ‘ja’ geïnterpreteerd wordt.
Vrouw 3: Ja.
(…)
Vrouw 3: Een goeie vraag ...toen hij bij jou op bed zat kon je niet bellen?
Vrouw 2 slaakt een geluid dat door vrouw 1 en vrouw 3 als ‘nee’ geïnterpreteerd wordt.
Vrouw 1: Nee.
(…)
Vrouw 1: Heeft die meneer jouw handen vast gehouden ja (vrouw 1 steekt haar rechterhand naar voren) of nee (vrouw 1 steekt haar linker hand naar voren).
Vrouw 2 tikt met haar hand de rechterhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Ja.
Vrouw 1: (…) was dat om jouw handen vast te houden of wilde hij voorkomen dat je hem weg deed duwen of wilde bewegen? Dus deed hij je vasthouden gewoon (vrouw 1 steekt haar rechterhand naar voren ) of voorkomen dat je wilde bewegen? (Vrouw 1 steekt haar linkerhand naar voren).
Vrouw 2 wijst naar iets wat op de camera niet te zien is, maar wat door vrouw 3 geïnterpreteerd wordt als ‘bellen’.
Vrouw 3: Ze wijst nu naar de bel.
Vrouw 1: Ja.
Vrouw 1: O, om te voorkomen dat je wilde bellen.
Vrouw 1: Ja (steekt haar rechterhand naar voren ) of nee? (Vrouw 1 steekt haar linkerhand naar voren).
Vrouw 2 tikt met haar hand de rechterhand van vrouw 1 aan.
Vrouw 1: Ja.
(…)
In de forensisch medische letselrapportage van de Forensische Dienst Limburg van 26 maart 2025 is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld:
Op 4 maart 2025 vond het forensisch medisch onderzoek van [naam 1] plaats. Er was sprake van krasverwondingen in de rechter hals, de buik, het linkerbeen en de linkerpols, een schaafverwonding van de rechterlies en roodheid rondom de anus.
[naam 2] , de moeder van [naam 1] , deed aangifte van verkrachting gepleegd op de [adres 1] te Venlo (de zorglocatie [zorggroep 1] ). Bij de aangifte is ook de vader van [naam 1] , [naam 3], aanwezig. Zij beantwoordden vragen tegelijk en vulden elkaar aan. Zij hebben – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op 17 oktober 2024 was het eerste incident. Toen werd ze ‘s morgens in paniek wakker, heel erg overstuur. We dachten dat het een nachtmerrie was, maar achteraf bleek dat niet zo te zijn. We hebben 28 december 2024 weer een telefoontje van een medewerkster van de woongroep ontvangen. [naam 1] zou weer dezelfde nachtmerrie hebben gehad volgens hen. Dit had ze aangegeven bij hen vroeg in de ochtend net voor de overdracht. Ze had zelf haar persoonsalarm ingedrukt en was in paniek toen de zorgmedewerker van de nachtdienst haar aantrof. Ik ga er nu vanuit dat dit het tijdstip is geweest dat de man bij haar is geweest en haar dus aangerand heeft. [naam 1] had bevestigd aan hen met dezelfde vraagstellingen als bij het eerste incident dat eenzelfde man aan haar borsten en billen had gezeten. Ik heb haar ook uitgevraagd en continue zei ze: “het is geen droom, ik heb wel eens gedroomd vroeger thuis.” Ze werd boos en ze zei: “het is geen droom, er was iemand aan het bed, weer dezelfde man.” [naam 5] heeft geregeld op 1 januari 2025 dat er bij de kamerdeur van [naam 1] een bewegingsmelder werd geplaatst. U vraagt mij wat [naam 1] over het eerste incident, 17 oktober 2024, tegen mij heeft gezegd. [naam 1] bleef heel de dag zeggen dat iemand aan haar had gezeten. Ze kan de billen bij zichzelf niet aanwijzen omdat ze op bed ligt, maar als het via de pictogrammen/kaarten gaat dan wijst ze wel de billen aan. Ze geeft dan aan dat iemand via de kamerdeur naar binnen is gekomen en aan haar billen en borsten heeft gezeten. Ik heb ook doorgegeven bij de zedenpolitie dat [naam 1] nu een hele profielbeschrijving heeft gegeven na 3 maart 2025 bij de psycholoog en de zedenpolitie. Daar was ik, moeder, ook bij. Hij zou haar gekust hebben. Ze zei namelijk dat ze niet kon schreeuwen. Hij heeft de handen vastgehouden, zodat ze niet kon bellen. De bewegingsmelder is afgegaan. Sinds 1 januari 2025 is die nooit eerder afgegaan. Dit was de allereerste keer. U vraagt mij wat het seksueel misbruik bij [naam 1] heeft gedaan. Ze is heel emotioneel. Steeds erop terugkomen en slaan tegen boven- en onderlichaam. Wij hebben gemerkt dat ze nog steeds veel pijn heeft bij de schaamstreek en de anus. Ze geeft dit ook bij de verzorging steeds aan van de pijn en ze duidt het steeds met handgebaren aan. Ze wordt tussendoor ook steeds flink boos. Als ze boos wordt, wordt ze heel overbeweeglijk. Dan komen er vuisten en kan ze bij iemand aan de haren trekken of bij zichzelf. Eigenlijk een soort agressie naar haarzelf of naar anderen. Gisteren wilde ze bijvoorbeeld niet terug. Ze is bang en paniekerig. Met logeren vroeg ze bij ons of er niemand door de voordeur kon. Zij heeft haar slaapkamer bij ons beneden. Ik merk dan dat ze bang is.
Bij de aangifte zijn dagrapportages uit het systeem ‘ [naam 6] ’ gevoegd en daarin is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende opgenomen:
17 oktober 2024:
[naam 1] heeft een nare ervaring gehad in de nacht, waardoor ze zich nu niet veilig voelt.
28 december 2024 6:31 uur:
[naam 1] belde vannacht een keer, klonk erg onrustig via de telefoon. Toen ik bij [naam 1] aan kwam was [naam 1] ook erg onrustig, gevraagd was er aan de hand was. [naam 1] gaf aan erg geschrokken te zijn.
28 december 2024 13:18 uur:
[naam 1] was vanmorgen erg onrustig gaf duidelijk aan dat ze erg geschrokken was vannacht en dat ze verder de nacht onrustig geslapen had.
28 december 2024 22:00 uur:
[naam 1] was vanavond erg onrustig/anders dan normaal. Tijdens het douchen kreeg ik haar stemming niet naar de vrolijke [naam 1] die we gewend zijn. Eenmaal in bed ook onrustig/beweeglijk.
Getuige [naam 7] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik was werkzaam als verpleegkundige op de locatie die is gelegen aan de [adres 1] te Venlo, gemeente Venlo. Ik was samen met mijn collega [naam 8] verantwoordelijk voor de bewoners op de locatie genaamd [zorggroep 1] . Dit betreft een zorggroep voor mensen in de leeftijd vanaf 18 jaar, met meervoudige handicaps, die veelal zijn veroorzaakt door niet-aangeboren hersenletsel. Op deze locatie is ook cliënt [naam 1] woonachtig. [naam 1] is woonachtig in groepswoning [letter 1] . Op 3 maart 2025, te 22.54.18 uur, ontving ik op mijn mobiele telefoon een melding. Ik zag dat deze melding afkomstig was van de kamer van [naam 1] . Dit betrof een melding afkomstig van de deursensor. Deze melding wilde op dat moment zeggen dat er zich mogelijk iemand in de kamer van [naam 1] bevond. Te 22.54.31 uur ontving ik wederom een melding. Ditmaal wederom van [naam 1] , echter een persoonlijk alarm. De alarmknop was dus door [naam 1] zelf ingedrukt. Deze kon ik wel beantwoorden. Eenmaal een open verbinding met [naam 1] , hoorde ik [naam 1] en eveneens gestommel. Ik hoorde enigszins paniek. Ik ben hierop direct opgestaan en naar de groepswoning gelopen. Tussentijds is er nog een deursensor melding geweest te 22.55.55 uur. Eenmaal in de kamer van [naam 1] zag ik [naam 1] op bed liggen. Ze lag op haar rug. [naam 1] was in paniek. Ze was zeer beweegelijk. Wat mij opviel was dat zij geen onderkleding droeg. Haar pyjama en onderbroek lagen links onder in haar bed. Vreemd vond ik, want deze draagt ze altijd. Daarnaast vreemd, omdat [naam 1] gezien haar handicap zelf haar kleding niet uit kan trekken. Ook viel me op dat [naam 1] haar incontinentieluier vreemd droeg. Doorgaans sluit de bovenzijde ongeveer ter hoogte van de navel. [naam 1] droeg dit keer de incontinentieluier strak rondom haar liezen. Aan het beddengoed viel me op dat het laken waarop ze lag bebloed was. Het laken was bebloed ter hoogte van haar onderlichaam.
Ik heb nog even kort met [naam 1] gesproken. [naam 1] kan zichzelf verwoorden door haar een keuze van twee antwoorden te geven en hierbij gesloten vragen te stellen. Uit deze manier van communiceren met [naam 1] werd mij het volgende duidelijk:
- de dader zou een man betreffen;
- de dader zou haar hebben verkracht;
- de dader zou in haar lichaam zijn geweest;
- de dader zou grijze haren hebben;
- de dader zou een slank postuur hebben;
- de dader zou lang qua lichaamslengte zijn;
- de dader sprak goed Nederlands;
- de dader zou geen medewerker van [zorggroep 1] zijn geweest;
- de dader zou geen cliënt zijn geweest.
De reden dat [naam 1] een deursensor heeft is, omdat zij eerder meldingen heeft gemaakt van een vreemde man op haar kamer. Dit zou zijn geweest op 17 oktober 2024 en 28 december 2024.
Getuige [naam 7] heeft over 3 maart 2025 ook – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik zag als eerste het bloed. [naam 1] was heel erg overstuur. Ze schopte heel erg met haar benen en ze was aan het schreeuwen, maakte schreeuwende geluiden. [naam 1] lag op haar rug. Ik zag vooral bloed op het laken. Ik zag dat het incontinentiemateriaal (luier) niet goed zat. Ik zag dat de luier lager zat en de voorzijde van de luier wat verfrommeld was. Hierdoor kon ik het schaambeen van [naam 1] zien en dat zag er rood uit. Ik heb direct de luier opengemaakt. Ik zag toen bloed aan de voorkant, aan de zijkant van de luier. Haar vagina zat helemaal onder het bloed. Ik heb [naam 1] gevraagd om zich om te draaien. [naam 1] ging op haar zij liggen. Aan de achterkant op haar billen, op de luier en het laken zag ik nog meer bloed. Toen is denk ik [naam 8] binnengekomen. Ik heb toen de hoeken van het hoeslaken losgemaakt en toen zag ik de onderbroek en de pyjamabroek van [naam 1] links onder in de hoek van haar bed liggen. [naam 1] kan absoluut niet zelf haar onderbroek en/of pyjamabroek uitdoen.
Verbalisant [naam 9] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Op de kamer van [naam 1] bevindt zich een geplaatste sensor. Deze wordt geactiveerd bij beweging op de kamer van [naam 1] . Daarnaast bevindt zich ter hoogte van alle kamers van cliënten een sensor welke geactiveerd wordt bij beweging aan de buitenzijde van de deur. Tot slot is iedere kamer voorzien van een persoonsalarm dat geactiveerd wordt bij het indrukken van een knop. Van het persoonsalarm en de aparte sensor op de kamer van [naam 1] krijgen de dienstdoende medewerkers een melding op de diensttelefoon.
Uit de gegevens is het volgende naar voren gekomen:
De kamer van [naam 1] betreft kamer [cijfer] . Hier is tot 21.39.27 uur beweging waargenomen die
onderzocht is en te linken is aan de dienstdoende medewerkers. Hierna komt om 22.42.27 uur weer de eerste melding van de bewegingssensor op de kamer van [naam 1] . Deze melding wordt pas doorgezet als het eerste toestel zich om 22.47.42 uur aanmeldt. Vervolgens komt er om 22.54.18 uur weer een melding van de sensor op de kamer van [naam 1] . Snel daarna volgt er een melding van het persoonsalarm van [naam 1] om 22.54.31 uur. Hier wordt door de dienstdoende medewerker op gereageerd en er ontstaat een open verbinding. Vervolgens komt er weer een melding binnen van de sensor op de kamer van [naam 1] om 22.55.55 uur. Dit is de dienstdoende medewerker die de kamer van [naam 1] op komt. Hiervoor wordt er twee keer beweging waargenomen buiten de kamer van [naam 1] . Dit is om 22.54.35 uur en om 22.54.38 uur.
Getuige [naam 10] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik ben werkzaam als verzorgende IG (individuele gezondheidszorg) op [zorggroep 1] , groepswoning [letter 1] . Het klopt dat [naam 1] later nog iets kenbaar had gemaakt bij mij. Dat was op 8 maart 2025. [naam 1] krijgt drie keer per dag een zetpil, paracetamol. Ik deed een handschoen aan om die zetpil in te brengen. [naam 1] bleef maar naar de handschoen kijken. Ik vroeg toen aan [naam 1] of daar iets mee was. Ik vroeg toen of dat iets te maken had met die maandagavond (de rechtbank begrijpt: op 3 maart 2025). Daarop knikte [naam 1] ‘ja’. Ik heb toen gevraagd of dat ook iets te maken had met waar ik die zetpil ging plaatsen. Ik hoorde dat [naam 1] ‘ja’ zei. Ik vroeg of hij ook een handschoen aan had. Daar schudde [naam 1] ‘nee’ op. Toen wilde ik [naam 1] iets hoger op de douchebrancard leggen en ik deed mijn hand over haar rechterbeen en dan onder haar linkerbeen. Dit doe ik altijd zo, maar blijkbaar schrok [naam 1] hiervan en daardoor schrok ik ook. Ze spande haar hele lichaam aan en gaf een kreet als geluid. Ik heb toen gevraagd waarom [naam 1] schrok. Ik vroeg: “Schrik jij nu vanwege die maandagavond?” en “Heeft die persoon jou ook zo vast gehouden?” [naam 1] maakte toen een geluid wat ik ken als ‘ja’.
Getuige [naam 11] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik ben verpleegkundige. Ik ben [naam 1] haar contactpersoon en voor de rest doe ik gewoon de zorg rondom [naam 1] . Het klopt dat [naam 1] bij mij iets kenbaar heeft gemaakt wat haar overkomen zou zijn. Ik kwam ‘s morgens op die kamer en ze reageerde heel anders dan anders. Ik ben haar later pas uit bed gaan halen en toen reageerde ze weer heel anders. Hierop vroeg ik haar of er iets was gebeurd die nacht waarop ze duidelijk zei: “Ja”. Toen zei ik iets in de trend van alleen maar leuke dingen. Toen gaf [naam 1] duidelijk aan dat er iets niet leuks was gebeurd. Ze lag in bed en haar gezicht stond heel sip. Ze wilde toen rechtop zitten, dat wil ze normaal nooit. Ze wilde niet uit bed. Mijn collega [naam 5] vond dit ook al vreemd. [naam 1] lag heel gespannen in bed. Normaal is ze heel vrolijk als we haar kamer op komen. Dat was nu dus niet het geval. Wat misschien ook wel goed is om aan te geven is dat mijn stagiaire, [naam 12] , om 06.45 uur op de groep was. De enige die op dat moment aanwezig was op de groep was de schoonmaker. Ik kan mij herinneren dat [naam 1] dus wel anders in bed lag dan normaal. Dit was op 17 oktober 2024.
Bij de verklaring van [naam 11] is een door haar handgeschreven brief als bijlage gevoegd over hoe het gesprek tussen haar en [naam 1] is verlopen in de ochtend van 17 oktober 2024. Hierin is onder meer het volgende opgeschreven:
(…) Waarop ik heb samengevat: was er vannacht een onbekende man hier op je kamer?
[naam 1] : ja.
(…) [naam 1] gaf via haar communicator aan dat deze onbekende man aan haar billen en borsten had gezeten. (…) In de tussentijd had [naam 1] bij mij aangegeven dat ze zich had proberen te weren en dat ze de nd. (de rechtbank begrijpt: de nachtdienst) had gebeld. (…) Dus ik zei: was het de meneer van [schoonmaakbedrijf] . Daarop zei [naam 1] : ja. (…)
Getuige [naam 13] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Het klopt dat [naam 1] bij mij iets kenbaar heeft gemaakt wat haar overkomen zou zijn. Volgens mij was het in de winter 2024, kreeg ik [naam 1] op de bel. Het was rond 04.00 uur a 05.00 uur. Met ‘kreeg ik [naam 1] op de bel’ bedoel ik dat zij op haar bed een rode knop heeft waar ze tegen aan kan slaan en daar had ze op geduwd. Ik kwam op haar kamer en ze oogde onrustig. Ik zag dat ze beweeglijk was met haar armen en benen. [naam 1] belt eigenlijk nooit, dus het viel op. Ik liep naar haar bedrand en ik zei dat ik er was. Ik vroeg wat er was. [naam 1] kan dus niet praten en ze werd direct onrustiger. Ze bewoog meer met haar armen en benen. Haar ademhaling werd hoger. Ik vroeg of ze bang was, want zo kwam het op mij over. Toen zei ze op haar manier ‘ja’. Ze kan die klanksoort een beetje zeggen. Voor mij is het dan duidelijk dat ze ‘ja’ zei. Ik zei dat de deur/het raam op slot was, maar ze bleef onrustig. Ze werd wat rustiger, ik liep naar haar bed en pakte haar hand. Ze werd toen wel wat rustiger, maar toch zag ik dat ze niet helemaal gekalmeerd was. Ze keek bang, ze had van die geschrokken bange ogen en haar ademhaling bleef hoog en ik bleef nog even bij haar. Ik heb in die nachtdienst iets gerapporteerd. In elk geval dat [naam 1] onrustig was.
Verbalisant [naam 14] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Op 5 maart 2025 werd een vordering [ex artikel] 126nc gestuurd naar het bedrijf [schoonmaakbedrijf] . Hierin werd gevraagd om de gegevens aan te leveren van de persoon/personen die werkzaam zijn geweest vanuit [schoonmaakbedrijf] bij zorginstelling [zorggroep 1] te Venlo en ongeveer vier maanden geleden (geteld vanaf maart 2025) ontslagen c.q. overgeplaatst werd vanwege een incident dat gespeeld zou hebben binnen zorginstelling [zorggroep 1] . Op 6 maart 2025 omstreeks 14:45 uur ontving het onderzoeksteam informatie terug vanuit de juridische afdeling van het bedrijf [schoonmaakbedrijf] . Hierin werden de gegevens aangeleverd van een (1) werknemer binnen het bedrijf [schoonmaakbedrijf] die voldeed aan de vraagstelling van het onderzoeksteam. Het betroffen de gegevens van de volgende persoon:
[verdachte] .;
Geboortedatum: [geboortedag 1] 1975;
[adres 2]
.
Naar aanleiding van een vordering op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering heeft [schoonmaakbedrijf] onder meer beantwoording van de in de vordering gestelde vragen verstrekt. Hierin is onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld:
De start- en einddatum van de werkzaamheden van [verdachte] , geboren [geboortedag 1] 1975 via [schoonmaakbedrijf] bij [zorggroep 1] in Venlo waaronder ook de laatste dag dat [verdachte] rechtmatig toegang had tot [zorggroep 1] voor zijn werkzaamheden bij [schoonmaakbedrijf] :
• startdatum: 08-07-2024;
• einddatum: 13-02-2025.
De aard en precieze locaties van de werkzaamheden van [verdachte] via [schoonmaakbedrijf] bij [zorggroep 1] in Venlo:
• [zorggroep 1] woongroepen [letter 2] en [letter 1] en appartementen [letter 2] en [letter 3] en [zorggroep 2] . [verdachte] startte tussen 06:00-07:30 bij de woongroepen met het schoonmaken van de badkamers, de woonkamers, entree, de personeelstoilet, toiletten teamkamer en washokken. Om 09:00 ging [verdachte] weer terug naar [zorggroep 1] om hier de appartementen van de cliënten, de gangen, personeelstoilet, teamkamer en de trappen schoon te maken.
De redenen en incidenten die hebben geleid tot het overplaatsen van [verdachte] naar een andere locatie dan [zorggroep 1] in Venlo, inclusief de communicatie die vanuit [zorggroep 1] in Venlo hierover is gedaan aan [schoonmaakbedrijf] en de datums waarop die incidenten zijn gemeld:
Op 17-10-2024 kreeg ik, [naam 15] , telefoon van [naam 16] , onze contactpersoon bij [zorggroep 1] , dat er een incident had plaatsgevonden met een cliënt/bewoner. Ik ben meteen naar locatie [zorggroep 1] gegaan voor een gesprek met de teamleiders op locatie. Hier hebben we een gesprek gehad en we kregen toen te horen dat er een man bij de cliënt/bewoner van [zorggroep 1] op de kamer was geweest. Wij, [naam 17] , de teamleiders en ik, hebben er toen voor gekozen om hem bij locatie weg te halen en hem te plaatsen naar een andere locatie om onrust op locatie te voorkomen, aangezien hij de enige mannelijke medewerker was die er schoongemaakt heeft. We hebben de heer [verdachte] toen ook over het voorval verteld.
Op 4 maart 2025 is onder [naam 1] ondergoed (goednummer PL2300-2025034890-1784653), beddengoed (laken) (goednummer PL2300-2025034890-1784656), een incontinentieluier (goednummer PL2300-2025034890-1784671), beddengoed (dekbedovertrek) (goednummer PL2300-2025034890-1784674) en een pyjamabroek (PL2300-2025034890-1784848) in beslag genomen.
Door verbalisant [naam 18] werd op 4 maart 2025 een forensisch onderzoek verricht aan onderstaande sporendragers:
Goednummer: PL2300-2025034890-1784653;
SIN: AAPP1328NL;
Object: kleding (ondergoed);
Goednummer: PL2300-2025034890-1784656;
SIN: AAPP1329NL;
Object: beddengoed (laken);
Merk/type: hoeslaken;
Bijzonderheden: bebloed hoeslaken;
Goednummer: PL2300-2025034890-1784671;
SIN: AAPP1326NL;
Object: verband;
Merk/type: luier;
Bijzonderheden: incontinentieluier;
Goednummer: PL2300-2025034890-1784674;
SIN: AAPP1327NL;
Object: beddengoed (dekbedovertrek);
Goednummer: PL2300-2025034890-1784848;
SIN: AAPP1325NL;
Object: kleding (nacht);
Merk/type: pyjamabroek.
Op 5 maart 2025 heeft voornoemde verbalisant de onderbroek, het hoeslaken, de luier, het dekbedovertrek en de pyjamabroek verpakt in een nieuwe ademende sealbag voorzien van genoemde SIN’s.
In het rapport forensisch DNA-onderzoek van dr. M. Hidding van 20 maart 2025 is
– zakelijk weergegeven – het volgende vermeld:
Pyjamabroek AAPP1325NL
De pyjamabroek is aan de binnen- en buitenzijde met de phadebas speeksel afdrukmethode onderzocht op de aanwezigheid van amylase, een bestandsdeel van speeksel. Hierbij is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van speeksel op vier plekken aan de buitenzijde: ter hoogte van het rechterbovenbeen, de binnenzijde van rechterdijbeen, de knie en ter hoogte van het kruis. De vlek ter hoogte van het kruis is uitgeknipt en ingezet voor DNA-onderzoek (#05).
Luier AAPP1326NL
Van de luier zijn de sluitingen aan de binnen- en buitenzijde links en rechts bemonsterd (#01 en #02).
Onderbroek AAPP1328NL
Van de onderbroek is de tailleband aan de binnen- en buitenzijde ter hoogte van beide heupen bemonsterd (#01 t/m #04). De onderbroek is aan de binnen- en buitenzijde met de phadebas speeksel afdrukmethode aan de buitenzijde onderzocht op de aanwezigheid van amylase, een bestandsdeel van speeksel. Hierbij is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van speeksel op drie plekken aan de buitenzijde: aan de voorkant ter hoogte van de tailleband, ter hoogte van de venusheuvel en ter hoogte van het kruis. De vlek ter hoogte van het kruis is uitgeknipt en ingezet voor DNA-analyse (#05).
Pyjamabroek amylase positieve vlek kruis AAPP1325NL#05
DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.
Mogelijk donor van DNA: verdachte [verdachte] (DNA-hoofdprofiel). Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard.
Luier sluiting links AAPP1326NL#01, onderbroek tailleband buitenkant t.h.v. linkerheup
AAPP1328NL#01, onderbroek tailleband binnenkant t.h.v. linkerheup AAPP1328NL#02 en onderbroek amylase positieve vlek kruis AAPP1328NL#05
Mogelijke donor van DNA: verdachte [verdachte] .
In het rapport forensisch DNA-onderzoek van dr. P.J. Herbergs van 1 mei 2025 is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld:
Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van verdachte [verdachte] in de bemonstering AAPP1326NL#01, AAPP1328NL#01, AAPP1328NL#02 en AAPP1328NL#05 is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen. Deze hypothesen zijn geformuleerd onder de aanname dat derde [naam 1] donor is.
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van [naam 1] , [verdachte] en één onbekende persoon.
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van [naam 1] en twee onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
In het NFI-rapport van dr. P.A. Maaskant-Van Wijk en J.M.A. Kruithof-Van Esch van 26 juni 2025 is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld:
Hoeslaken AAPP1329NL
Het onderzoeksmateriaal betreft een hoeslaken waaruit een stuk van circa 10x10cm ontbreekt. Uit informatie in de aanvraag van de politie volgt dat dit stuk is uitgeknipt door de forensische opsporing. Het hoeslaken is met een forensische lichtbron en de zure fosfatasetest onderzocht op de aanwezigheid van sperma(vloeistof). Hierbij is, met name rondom de bloedsporen en nabij het uitgeknipte stuk, op meerdere locaties een indicatie verkregen voor de aanwezigheid sperma(vloeistof). Op basis van dit onderzoek zijn zes bemonsteringen van het hoeslaken genomen. Drie bemonsteringen, AAPP1329NL#01,
#02 en #03, zijn genomen van bloedsporen waarbij ook een indicatie is verkregen voor de aanwezigheid van sperma(vloeistof). De bemonsteringen zijn veiliggesteld voor een DNA- en RNA-onderzoek.
AAPP1329NL#01
DNA kan afkomstig zijn van minimaal twee personen: verdachte [verdachte] en slachtoffer [naam 1] .
AAPP1329NL#03
DNA kan afkomstig zijn van minimaal twee personen: verdachte [verdachte] en slachtoffer [naam 1] .
AAPP1329NL#01 en #03
Voor deze bemonsteringen is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen en dat slachtoffer [naam 1] één van de donoren is.
DNA-mengprofielen AAPP1329NL#01 en #03 zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [naam 1] en verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [naam 1] en een willekeurige onbekende persoon.
Bemonsteringen AAPP1329NL#01 en #03
Voor deze bemonsteringen is het resultaat van de RNA-celtypering ten aanzien van spermacellen en/of spermavloeistof geëvalueerd. De bewijskracht van de resultaten van het RNA-onderzoek naar de aanwezigheid van spermacellen en/of spermavloeistof is berekend met een gevalideerd statistisch rekenmodel. In dit model wordt de aanwezigheid van spermacellen en/of spermavloeistof gezamenlijk geëvalueerd.
Het resultaat van het RNA-onderzoek aan bemonsteringen AAPP1329NL#01 en #03 is beschouwd onder het volgende hypothesepaar:
Hypothese 1:
De bemonstering bevat spermacellen en/of spermavloeistof en mogelijk andere type(n) cellen.
Hypothese 2:
De bemonstering bevat geen spermacellen en/of spermavloeistof maar wel mogelijk andere type(n) cellen.
Het resultaat van het RNA-onderzoek is voor beide bemonsteringen veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is dan wanneer hypothese 2 waar is. Dit betekent dat het resultaat van het RNA-onderzoek aan elk van de bemonsteringen veel waarschijnlijker is wanneer de betreffende bemonstering spermacellen en/of spermavloeistof bevat, dan wanneer de bemonstering alleen andere typen cellen bevat.
Met de term ‘veel waarschijnlijker’ wordt bedoeld dat de kans op het waarnemen van de onderzoeksresultaten 100 tot 10.000 keer groter wordt geacht wanneer de ene hypothese waar is, dan wanneer de andere hypothese waar is.
[naam 19] deed namens [zorggroep 1] , [adres 3] te Venlo, aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik doe aangifte van diefstal van een sleutelbos. Deze sleutelbos is in eigendom van [zorggroep 1] . De sleutelbos die is weggenomen werd gebruikt tijdens nachtdiensten. Deze sleutelbos bevond zich in een afgesloten sleutelkast. In deze sleutelkast bevond zich een aantal sleutelbossen, waaronder de sleutelbos voor de nachtdienst. Deze sleutelkast was afgesloten door middel van een slot, dat opengemaakt moest worden met een sleutel. De sleutel die toegang had tot deze sleutelkast zat opgeborgen in een afzonderlijk sleutelkastje. Dit sleutelkastje was afgesloten door middel van een cijferslot. Beide sleutelkasten bevonden zich in het activiteitencentrum. De medewerkers van [zorggroep 1] en de schoonmakers hadden kennis van de cijfercode en hadden daardoor toegang tot het sleutelkastje. Op 12 november 2024, tijdens de aanvang van de nachtdienst, zagen medewerkers van de nachtdienst dat de sleutelbos van de nachtdienst miste uit de sleutelkast. De medewerkers zagen dat verder alle sleutelbossen aanwezig waren. De medewerkers die constateerden dat de sleutelbos miste, verstuurden een bericht naar alle collega’s met de vraag of iemand de sleutelbos mee naar huis had genomen. Hier kwam geen reactie op. In de weken daarop deden we vanuit [zorggroep 1] meerdere oproepen richting collega’s met de vraag of iemand de sleutelbos in bezit had. Ook hier kwam geen reactie op. Aan de sleutelbos die is weggenomen, hing een sleutel met de letters ‘GHS’ erin gegrafeerd. Dit staat voor Generale Hoofdsleutel. Dit houdt in dat je met deze sleutel alle gebouwen en kamers binnen kunt komen van de locatie van [zorggroep 1] aan de [adres 1] . Alle sloten van deze locatie konden opengemaakt worden met deze sleutel. Ook stond er een cijfercode op gegrafeerd, namelijk ‘ [cijfercode] ’. Deze code staat voor de locatie aan de [adres 1] . Dit is een unieke combinatie. De politie toonde mij tijdens het aangiftegesprek een foto van een sleutelbos die is aangetroffen. Ik zag op deze foto dat er een sleutel aan de sleutelbos zat waarop de letters ‘GHS’ en de cijfercode ‘ [cijfercode] ’ stonden. Ik wist dat op de sleutel die wij misten deze codes ook stonden. Ook zag ik dat de label en andere sleutels die wij misten aan de sleutelbos op de foto zaten. De sleutelbos op de getoonde foto herken ik als de sleutelbos die is weggenomen bij [zorggroep 1] .
Getuige [naam 20] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Alle medewerkers die de code wisten, konden aan de nachtdienstloper. Voor de appartementen pakt de huishouddienst de loper, maar dat is niet uit het nachtdienstkastje. Dat is uit een algemeen kastje. Alleen hingen nachtdienstlopers er toen ook bij en dat is later veranderd toen die sleutel kwijtraakte. De sleutel die weg is, is de nachtdienstloper die toegang geeft tot de gebouwen en de kamers van de cliënten.
Verbalisant [naam 21] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Op 20 maart 2025 trad ik binnen in de woning [adres 2] bewoond door [verdachte] . In de woning werd een sleutelbos van [zorggroep 1] in beslag genomen.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en feit 2
De betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer
De rechtbank stelt vast dat [naam 1] uitgebreid, gedetailleerd en consistent heeft verklaard over wat is voorgevallen op 17 oktober 2024, 28 december 2024 en 3 maart 2025 in de gemeente Venlo. [naam 1] heeft verklaard dat met haar seksuele handelingen (waaronder handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [naam 1] ) zijn verricht, te weten het zoenen op de mond, het betasten van de borsten en de billen en het plaatsen van vingers in en op de vagina en anus van [naam 1] . Ook heeft zij steeds hetzelfde signalement van de dader vermeld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [naam 1] niet is afgenomen conform de gebruikelijke zedenverhoormethodiek en niet voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen, maar [naam 1] is gehoord door een zedenrechercheur die tevens gecertificeerd is in het horen van kwetsbare getuigen, in het bijzijn van de haar bekende behandelend psycholoog L. Teunissen en haar moeder, hetgeen, gelet op de situatie van [naam 1] , begrijpelijk is. [naam 1] is namelijk niet in staat op een normale manier te praten, maar zij is wel in staat om dingen te begrijpen zolang deze op een voor haar begrijpelijke wijze worden uitgelegd, zich te uiten als zij dingen niet begrijpt en ook in staat aan te geven welke seksuele handelingen er niet zijn verricht. De rechtbank heeft dan ook geen enkele reden om aan de verklaring van [naam 1] te twijfelen, te meer nu haar verklaring op cruciale punten wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen. De rechtbank neemt haar verklaring dan ook als uitgangspunt van de bewijsvoering.
Betrokkenheid van de verdachte
De verdachte was vanaf 8 juli 2024 via [schoonmaakbedrijf] werkzaam bij [zorggroep 1] in Venlo. Hij werkte onder andere bij [zorggroep 1] en deed de schoonmaak bij onder meer woongroep [letter 1] , waar [naam 1] verblijft. Na de melding op 17 oktober 2024, waarbij gebleken is dat een man de billen en borsten van [naam 1] heeft betast, is de verdachte bij deze locatie weggehaald en geplaatst op een andere locatie, nu hij de enige mannelijke medewerker was die daar had schoongemaakt.
Na het voorval op 3 maart 2025 waarbij seksuele handelingen zijn verricht met [naam 1] is het laken, het dekbedovertrek, het ondergoed, de luier en de pyjamabroek van [naam 1] forensisch onderzocht. Op deze goederen is DNA-celmateriaal aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte, op basis waarvan de rechtbank vaststelt dat de verdachte ook daadwerkelijk de donor is van dat celmateriaal. De bevindingen dat er aanwijzingen zijn dat er spermacellen en/of spermavloeistof op het hoeslaken zijn aangetroffen, waarbij de verdachte donor kan zijn van het aangetroffen DNA-mengprofiel, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders opgevat worden dan dat het om sperma van de verdachte gaat. De rechtbank is van oordeel dat de aangetroffen sporen kunnen worden gezien als dadersporen. Deze feiten en omstandigheden, die alleszins wijzen op het daderschap van de verdachte, behoeven een aannemelijke verklaring van de verdachte, die hij niet heeft gegeven.
Vanaf 12 november 2025 werd een sleutelbos van de nachtdienst van [zorggroep 1] vermist. Op 20 maart 2025 is bij de doorzoeking van de woning van de verdachte deze sleutelbos, waaraan de nachtdienstloper zat waarmee toegang kan worden verkregen tot de gebouwen en de kamers van de bewoners, aangetroffen.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er dan ook van uit dat het de verdachte is geweest die met [naam 1] seksuele handelingen heeft verricht (die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam), te meer nu [naam 1] ook heeft verklaard dat het drie keer dezelfde man betrof. Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario vindt zijn weerlegging in de hierboven opgenomen bewijsmiddelen.
Opzetverkrachting- en aanranding
Van opzetverkrachting en -aanranding is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen (die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam) heeft verricht, terwijl hij – al dan niet in voorwaardelijke zin – wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet te willen en de verdachte dit seksuele contact toch heeft voortgezet.
De rechtbank is van oordeel dat bij [naam 1] de wil tot seksueel contact met de verdachte ontbrak en dat dit voor de verdachte duidelijk was. Zo heeft de verdachte haar handen vastgehouden om te voorkomen dat zij zou gaan bellen, zodat een zorgmedewerker zou worden opgeroepen. Los van het voorgaande, merkt de rechtbank op dat [naam 1] vanwege haar beperkingen al kan worden gezien als iemand die machteloos en willoos is.
Conclusie
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [naam 1] op 3 maart 2025 heeft verkracht en in de periode van 17 oktober 2024 tot en met 3 maart 2025 meermalen heeft aangerand.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3
Ook acht de rechtbank, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, feit 3 wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van de verdachte dat hij de sleutel van een stagiaire zou hebben ontvangen en nooit meer heeft ingeleverd, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu hij nooit een naam van die stagiaire heeft gegeven en zijn verklaring aldus niet verifieerbaar is.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
1
op 3 maart 2025, in de gemeente Venlo, met een persoon, te weten [naam 1] seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
- het zoenen op de mond van die [naam 1] ,
- het betasten van de borsten van die [naam 1] ,
- het betasten van de billen van die [naam 1] ,
- het plaatsen van zijn vinger(s) in en op de vagina van die [naam 1] ,
- het plaatsen van zijn vinger(s) in en op de anus van die [naam 1] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [naam 1] daartoe de wil ontbrak;
2
in de periode van 17 oktober 2024 tot en met 3 maart 2025, in de gemeente Venlo, telkens meermalen, met een persoon, te weten [naam 1] seksuele handelingen heeft verricht, te weten:
- het zoenen op de mond van die [naam 1] ,
- het betasten van de borsten van die [naam 1] ,
- het betasten van de billen van die [naam 1] ,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [naam 1] daartoe de wil ontbrak;
3
in de periode van 1 november 2024 tot en met 30 november 2024, in de gemeente Venlo, een sleutel (een loper), die aan [zorggroep 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1: opzetverkrachting;
in eendaadse samenloop gepleegd met
feit 2: opzetaanranding, meermalen gepleegd;
feit 3: diefstal.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
C.M.A. Matton, psychiater, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 3 juli 2025 een rapport uitgebracht.
In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.
Bij de verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling met ernstige beperkingen in de vorm van een licht verstandelijke beperking. De licht verstandelijke beperking was tijdens alle feiten aanwezig. De psychiater kan geen uitspraak doen over of de licht verstandelijke beperking de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten beïnvloedde, omdat er geen zicht is gekomen op het delictscenario doordat de verdachte de feiten ontkent en hij geen openheid over zijn seksualiteitsbeleving geeft. Hierdoor kan er voor geen van de feiten een advies over het toerekenen worden gegeven.
W.A. van Eeden, GZ-psycholoog, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 4 juli 2025 een rapport uitgebracht.
In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.
Er is sprake van een licht verstandelijke beperking met daarmee samenhangend een beperkt algemeen adaptief functioneren en een beperkt sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau. Dit was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Door de ontkennende houding van de verdachte en het ontbreken van een delictscenario is geen zicht gekomen op zijn beweegredenen of denkprocessen ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Hierdoor kan niet worden vastgesteld óf en op welke wijze de beperkingen, voortkomend uit de licht verstandelijke beperking, daadwerkelijk hebben doorgewerkt in zijn gedragskeuzes en in zijn vermogen hierop te sturen. Er kan worden vastgesteld dat de verdachte – ondanks zijn beperking – in staat wordt geacht het ontoelaatbare van het hem tenlastegelegde gedrag in te zien en het is niet aannemelijk dat er sprake was van het volledig ontbrekend inzicht of zelfsturing. Tegelijkertijd geldt dat, gezien de beperkte cognitieve en sociaal-emotionele capaciteiten van de verdachte, onzeker is in hoeverre hij de gevolgen van zijn gedrag volledig heeft kunnen overzien, de negatieve consequenties adequaat heeft kunnen inschatten, en zijn gedrag daarop heeft kunnen afstemmen. Ook is onduidelijk of hij de emotionele impact van het tenlastegelegde op het slachtoffer volledig begrijpt. Ten aanzien van de mate van toerekenen met betrekking tot alle tenlastegelegde feiten moet worden geconcludeerd dat op basis van het huidige onderzoek geen advies mogelijk is. Zowel volledig als verminderd toerekenen kan niet met voldoende onderbouwing worden geadviseerd, maar ook niet worden afgeraden.
Hoewel de deskundigen geen advies kunnen geven over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de rapportages aanleiding geven feit 1 en feit 2 in licht verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen, nu sprake is van een licht verstandelijke beperking die ten tijde van de tenlastegelegde feiten aanwezig was en de verdachte hoogstwaarschijnlijk de gevolgen van zijn handelen niet volledig heeft kunnen overzien en zijn gedrag daarop heeft kunnen afstemmen.
Daar er geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar. De rechtbank heeft de mate van toerekening bij haar oordeelsvorming over de op te leggen straf en maatregel betrokken.
6. De straf en de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. De duur van de tbs-maatregel is niet gemaximeerd, nu een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van [naam 1] . Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen. De officier van justitie heeft bij het formuleren van de eis rekening gehouden met het strafblad van de verdachte, de dubbelrapportage, het reclasseringsrapport, de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, de ernst van de feiten, de proceshouding van de verdachte en de kwetsbare positie van [naam 1] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij het opleggen van een straf en/of maatregel rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte functioneert op een licht verstandelijk beperkt niveau, leeft een eenzaam bestaan en heeft slechts een zeer beperkte kring van sociale contacten. De verdediging is het niet eens met het advies van de deskundigen tot de oplegging van de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege. De tbs-maatregel met voorwaarden biedt voldoende waarborgen. Tot slot betwist de verdediging de noodzaak van de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel na oplegging van een tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege, nu de tbs-maatregel reeds voorziet in intensieve behandeling, toezicht en terugvalpreventie.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De strafbare feiten
De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer vijf maanden op drie dagen schuldig gemaakt aan aanranding en verkrachting van [naam 1] . De seksuele handelingen bestonden uit het zoenen op de mond, het betasten van de borsten en billen en het plaatsen van zijn vingers in en op de vagina en anus van [naam 1] . [naam 1] is meervoudig gehandicapt, immobiel en heeft last van spasmen waardoor zij onder meer moeite heeft met bewegen. [naam 1] is aldus een kwetsbare, fysiek onmachtige vrouw en kon zich lichamelijk geheel niet weren. De verdachte heeft bij zijn handelen zijn wetenschap over de lichamelijke beperkingen en het hem bekende gegeven dat [naam 1] kwetsbaar was volledig naast zich neergelegd. Daar komt bij dat deze seksuele handelingen plaatsvonden in de kamer van [naam 1] , terwijl zij in haar bed lag en dit bij uitstek een plek is waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. De verdachte heeft daartoe voor de laatste twee dagen de nachtdienstloper gestolen om zodoende toegang te verkrijgen tot de groepswoning waar [naam 1] verblijft. Deze berekenende handelswijze rekent de rechtbank de verdachte aan.
Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [naam 1] . Zij was en is zeer kwetsbaar. Slachtoffers van zulke feiten ondervinden vaak langdurig psychisch nadelige gevolgen. Dat geldt ook voor [naam 1] . [naam 1] kampt met gevoelens van onveiligheid, stress en angst en slaapt slecht. De verdachte heeft haar fysieke en psychische welzijn ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften.
De straf
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere reactie dan oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat de verdachte ver terug ook in het verleden zich schuldig heeft gemaakt aan onder meer het bezit van kinderporno en het hebben van seks met een minderjarige. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd.
De rechtbank houdt rekening met de Pro Justitia rapportages zoals hiervoor genoemd, waaruit blijkt dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking en de conclusie van de rechtbank dat de door hem gepleegde feiten onder invloed van deze problematiek zijn gepleegd en dat feit 1 en feit 2 in licht verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.
Alles afwegende komt de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De maatregel van terbeschikkingstelling
Indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien zij tot het oordeel komt dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld (artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht). Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan de rechtbank tevens verpleging van overheidswege gelasten (artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht).
C.M.A. Matton (psychiater) heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerapporteerd:
Gebaseerd op de gescoorde risicotaxatie-instrumenten wordt het recidiverisico op soortgelijke zedendelicten als hoog ingeschat. Geadviseerd wordt om de verdachte in een kliniek te plaatsen waar onderzocht kan worden of er nog mogelijkheden voor behandeling zijn gericht op zijn seksualiteit en ter vermindering van het hoge recidiverisico. Wil een behandeling enige kans van slagen hebben, dan zal de verdachte openheid over zijn seksualiteit moeten geven. Mocht hij dit niet kunnen of niet willen, dan is een (nieuwe) behandelpoging ter verlaging van het recidiverisico niet zinvol. Dit omdat de in 2018 geboden behandeling in de FPA (de rechtbank begrijpt: in het kader van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor onder meer het onttrekken van een minderjarige (beneden de twaalf jaren oud) aan het wettig gezag en het bezit van kinderporno) volgens de klinisch neuropsycholoog destijds niet heeft geleid tot verlaging van het hoge risico op zijn seksueel grensoverschrijdend (delict)gedrag. Wanneer behandeling ter vermindering van het hoge recidiverisico niet mogelijk is, dan resteert alleen externe begrenzing en controle om het risico te verlagen. Er zal dan een omgevingsprothese moeten worden gecreëerd, waarbij vanuit een klinische setting wellicht toegewerkt kan worden naar een beschermde woonvorm. Geadviseerd wordt om een tbs-maatregel met dwangverpleging aan de verdachte op te leggen vanwege het hoge recidiverisico op zedendelicten en de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling met ernstige beperkingen bij een onduidelijke seksualiteitsbeleving. Gezien de ernst van de beperkingen voortkomend uit zijn verstandelijke beperking is het aannemelijk dat de verdachte niet (voldoende) begrijpt welk effect zijn seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft op het slachtoffer, (mede) waardoor hij niet (voldoende) intrinsiek gemotiveerd is en/of kan raken om zijn gedrag aan te passen en te (laten) onderzoeken of behandeling hierbij kan helpen. Een tbs-maatregel met voorwaarden is niet haalbaar door ontbrekend probleembesef en probleeminzicht van de verdachte en de vermoedelijke afwezige responsiviteit voor behandeling. Hoewel de verdachte zich vermoedelijk wel aan alle voorwaarden zal houden zal dit hoogstwaarschijnlijk niet leiden tot gedragsverandering, waardoor het recidiverisico zal oplopen zodra de externe begrenzing wordt verlaagd.
W.A. van Eeden (GZ-psycholoog) heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerapporteerd:
Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Geadviseerd wordt de verdachte te plaatsen in een klinische behandelsetting die gespecialiseerd is in de behandeling van zedendelinquenten met een licht verstandelijke beperking (LVB). Gezien het verhoogde recidiverisico wordt een behandelsetting met een passend beveiligingsniveau noodzakelijk geacht. Indien de verdachte bij een hernieuwde behandelpoging wederom weigert openheid te geven over zijn seksualiteit en het delictgedrag, wordt geadviseerd de behandeling tijdig te richten op risicobeheersing en het versterken van beschermende factoren. Hierbij kan gedacht worden aan het opbouwen van een zinvolle dagbesteding, passend bij zijn cognitieve en sociaal-emotionele mogelijkheden, gecombineerd met voldoende toezicht om het recidiverisico beheersbaar te houden. Op termijn kan worden toegewerkt naar plaatsing binnen een forensisch beschermde woonvoorziening. De rechtbank wordt geadviseerd om aan de verdachte een tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Dit advies is gebaseerd op het hoge recidiverisico en het gevaar dat de verdachte voor de maatschappij kan vormen, wat de noodzaak tot beveiliging van de maatschappij en risicohantering verantwoord. Binnen het kader van de tbs-maatregel is het mogelijk om gericht te werken aan de eerder genoemde behandeldoelen en geleidelijk toe te werken naar eventuele resocialisatie. Daarbij kan het behandeltraject flexibel worden aangepast aan het actuele recidiverisico en de benodigde maatregelen om risico’s te beheersen en de veiligheid van derden te waarborgen. Hoewel de verdachte zich in het verleden aan voorwaarden heeft kunnen houden in engere zin, is zijn behandelmotivatie gering gebleken en heeft hij zich beperkt geconformeerd aan inhoudelijke behandeling. Gezien zijn verstandelijke beperking is het bovendien de vraag in hoeverre hij eventuele gestelde voorwaarden en de consequenties van het overtreden daarvan volledig kan overzien. Om die reden wordt een tbs met voorwaarden als onvoldoende haalbaar geacht.
Gelet op het bewezenverklaarde en hetgeen hiervoor (ook onder 5.) met betrekking tot de rapportages van de deskundigen is opgenomen, wordt voldaan aan de vereisten om een tbs-maatregel op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat het onverantwoord is om de verdachte zonder enige vorm van behandeling op termijn weer deel te laten nemen aan de samenleving. Er bestaat immers een groot risico dat als de verdachte onbehandeld blijft hij opnieuw een delict zal plegen waarbij de veiligheid van personen ernstig gevaar zal lopen. Mede gelet op de problematiek van de verdachte is dan ook een verplicht zorgkader nodig. Uit het advies van de deskundigen blijkt dat een tbs met voorwaarden vanwege onder meer ontbrekend probleembesef en probleeminzicht en zijn geringe behandelmotivatie niet tot de mogelijkheden behoort. Een eerdere behandeling van de verdachte in 2018 in een FPA heeft ook niet tot verlaging van het recidiverisico geleid, omdat de verdachte onder meer geen openheid wenste te geven over zijn seksualiteit. De rechtbank concludeert, mede op grond van bovenstaand advies, dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van tbs noodzakelijk maken. De rechtbank zal derhalve de verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2 ter beschikking stellen en bevelen dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
De maatregel van tbs met verpleging van overheidswege wordt mede opgelegd voor een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten opzetverkrachting en opzetaanranding, meermalen gepleegd. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan en zal derhalve niet worden gemaximaliseerd.
De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr
Op grond van artikel 38z Sr kan de rechtbank – ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen – een verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen. Dit betreft – kort gezegd – een toezichtsmaatregel die na afloop van de gevangenisstraf en de tbs-maatregel tenuitvoergelegd kan worden.
In het reclasseringsrapport van 30 januari 2026 is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld:
De reclassering onderschrijft het hoog ingeschatte risico op herhaling van zedenfeiten als de verdachte terugkeert in de samenleving zonder externe begrenzing. De factoren die hebben bijgedragen aan het plegen van de tenlastegelegde feiten zullen, indien de verdachte terugkeert in de maatschappij, aanwezig zijn. Er is sprake van een hoog risico op recidive, een gebrek aan probleembesef en probleeminzicht en daarnaast heeft hij geen profijt gehad van eerder doorlopen behandeling. Gebleken is dat de behandeling niet geleid heeft tot gedragsverandering. Men adviseerde destijds vanuit FPA Stevig vooral in te zetten op een omgevingsprothese. Dit alles overwegend maakt dat de reclassering inschat dat er een aannemelijk gevaarsrisico in de verdere toekomst is, en dat bescherming van de veiligheid van de maatschappij noodzakelijk is. De reclassering adviseert dan ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Deze maatregel maakt het mogelijk om, voor het aflopen van het opgelegde juridische kader, opnieuw een risicotaxatie af te nemen van het dan aanwezige gevaarsrisico. Daarmee kan een plan van aanpak worden opgesteld ter voorkoming van nieuw delictgedrag en ter voorkoming van belastend gedrag ten aanzien van slachtoffers en getuigen.
Mede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte, ook na beëindiging van de tbs-maatregel, langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt daarom de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr op aan de verdachte.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
Vordering benadeelde partij [naam 1] (feit 1 en feit 2)
Namens de benadeelde partij [naam 1] heeft mr. K.D. Regter met betrekking tot feit 1 en feit 2 een schadevergoeding gevorderd van € 100,- ter zake van materiële schade, bestaande uit de post ‘kleding en beddengoed’, en € 15.000,- ter zake van immateriële schade. Tevens is namens [naam 1] verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering benadeelde partij [naam 2] (feit 1 en feit 2)
De benadeelde partij [naam 2] , de moeder van [naam 1] , heeft met betrekking tot feit 1 en feit 2 een schadevergoeding gevorderd van € 17.500,- ter zake van affectieschade. Tevens heeft [naam 2] verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering benadeelde partij [naam 3] (feit 1 en feit 2)
De benadeelde partij [naam 3] , de vader van [naam 1] , heeft met betrekking tot feit 1 en feit 2 een schadevergoeding gevorderd van € 17.500,- ter zake van affectieschade. Tevens heeft [naam 3] verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
Vordering benadeelde partij [naam 1] (feit 1 en feit 2)
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. De vordering is voldoende onderbouwd.
Vorderingen benadeelde partijen [naam 2] (feit 1 en feit 2) en [naam 3] (feit 1 en feit 2)
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hoewel de hoogte van het bedrag voldoende is onderbouwd, is het de vraag of op dit moment is vast te stellen dat aan het wettelijke criterium voor het toekennen is voldaan. De wet (art. 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) vereist immers dat er sprake is van blijvend letsel en dat volgt nog onvoldoende uit de nu voorhanden zijnde rapportages. Wel is het begrijpelijk dat hetgeen [naam 1] is aangedaan impact heeft (gehad) en zal hebben op haar ouders dat om een financiële genoegdoening vraagt.
Het standpunt van de verdediging
Vordering benadeelde partij [naam 1] (feit 1 en feit 2)
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft zij verzocht het gevorderde schadebedrag flink te matigen, gelet op vergelijkbare zaken.
Vorderingen benadeelde partijen [naam 2] (feit 1 en feit 2) en [naam 3] (feit 1 en feit 2)
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsvrouw primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft zij tevens verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering dan wel de vorderingen af te wijzen, nu de wettelijke grondslag voor toewijzing van affectieschade ontbreekt. Objectief kan niet worden vastgesteld dat het tenlastegelegde heeft geleid tot ernstig en blijvend letsel bij [naam 1] . Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vorderingen sterk te matigen.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering benadeelde partij [naam 1] (feit 1 en feit 2)
De onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde feiten zijn bewezenverklaard. De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van die bewezenverklaarde strafbare feiten schade heeft geleden.
De materiële schade bestaande uit de post ‘kleding en beddengoed (€ 100,-)’ is door de verdediging inhoudelijk niet betwist. De vordering komt de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de vordering met betrekking tot de materiële schade voor toewijzing in aanmerking komt.
[naam 1] heeft lichamelijk letsel opgelopen. Zij is ook onder behandeling van een psycholoog. Uit de brief van de psycholoog blijkt dat het vanwege de complexe beperkingen van [naam 1] moeilijk is vast te stellen of [naam 1] ook geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. Gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en gevolgen die het voor [naam 1] heeft gehad is evenwel evident dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. De rechtbank acht een bedrag van € 15.000,- billijk.
De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van (€ 100,- + € 15.000,- =) € 15.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 3 maart 2025. De rechtbank zal over dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten door de benadeelde partij, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil.
Vorderingen benadeelde partijen [naam 2] (feit 1 en feit 2) en [naam 3] (feit 1 en feit 2) Voor toewijzing van affectieschade, zoals bedoeld in artikel 6:107 lid 1 sub b BW, is onder meer vereist dat ernstig en blijvend letsel is ontstaan bij het slachtoffer (te weten: bij [naam 1] ). Hoewel het verdriet van de ouders en de enorme impact goed voorstelbaar is, kan de rechtbank op basis van de stukken op dit moment niet vaststellen dat er sprake is van ernstig en blijvend letsel bij [naam 1] . De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen hun vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
8. Het beslag
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder de verdachte inbeslaggenomen sleutelbos wordt teruggegeven aan de rechthebbende: zorglocatie ‘ [zorggroep 1] .’
De rechtbank zal de teruggave van de sleutelbos gelasten aan de rechthebbende.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 55, 57, 241, 243 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel
- legt aan de verdachte op de maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking;
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Beslag
- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de rechthebbende:
1 STK Sleutel (PL2300-2025034890-G1789182).
Dit vonnis is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, mr. A.K. Kleine en mr. B. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.
Buiten staat
Mr. A.K. Kleine is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 3 maart 2025, in de gemeente Venlo, met een persoon, te weten [naam 1] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten:
- het zoenen op en/of in de mond van die [naam 1] ,
- het betasten van de borsten van die [naam 1] ,
- het betasten van de billen van die [naam 1] ,
- het plaasten van zijn vinger(s) in en/of op de vagina van die [naam 1] ,
- het plaatsen van zijn vinger(s) in en/of op de anus van die [naam 1] ,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [naam 1] daartoe de wil ontbrak;
2
hij in of omstreeks de periode van 17 oktober 2024 tot en met 3 maart 2025, in de gemeente Venlo, telkens meermalen, althans eenmaal met een persoon, te weten [naam 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:
- het zoenen op en/of in de mond van die [naam 1] ,
- het betasten van de borsten van die [naam 1] ,
- het betasten van de billen van die [naam 1] ,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [naam 1] daartoe de wil ontbrak;
3
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2024 tot en met 30 november 2024, in de gemeente Venlo, een sleutel (een loper), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [zorggroep 1]
, in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.