RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Zaaknummer: C/03/348229 / KG ZA 25-498
De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het volgende kort gedingvonnis gewezen
inzake
[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie] , eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna te noemen de moeder,
wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers, kantoorhoudend in Breda;
en:
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen de vader,
wonend in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A.M. Holmes, kantoorhoudend in Heerlen.
1. Het verloop van de procedure
De moeder heeft de vader gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 5 februari 2026, heeft de moeder gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vorderingen met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities.
De vader heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de moeder en een eis in reconventie ingesteld. De vader heeft ter zitting spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd.
De moeder heeft tevens een conclusie van antwoord in reconventie ingediend.
Na debat en een schorsing van de zitting hebben de ouders verzocht om aanhouding teneinde hen in de gelegenheid te stellen hun geschillen alsnog in der minne te regelen. De beslissing in kort geding is aangehouden, in afwachting van een reactie van de meest gerede partij.
De vader heeft op 19 februari 2026 om vonnis verzocht, waarbij de uitspraak is bepaald op heden.
2. De feiten
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie is geboren:
- [minderjarige] op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .
De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders oefenen samen het gezag uit over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2023 is, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afgewezen en een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] bepaald, waarbij [minderjarige] als volgt bij de vader verblijft:
- één weekend per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- gedurende vakanties van meer dan één week verblijft [minderjarige] evenveel tijd bij ieder van de ouders, waarbij het wisselmoment steeds op vrijdag zal zijn en [minderjarige] afwisselend in een
even jaar de eerste helft bij de moeder en de tweede helft bij de vader en in een oneven jaar
de eerste helft bij de vader en de tweede helft bij de moeder zal zijn; verder worden vakanties van een week niet gesplitst maar verblijft [minderjarige] in de even jaren bij haar moeder en in de oneven jaren bij haar vader;
daarbij geldt dat de reguliere weekendregeling wordt onderbroken door de vakanties,
hetgeen impliceert dat [minderjarige] na een vakantie bij de vader het direct daarop aansluitende
weekend bij de moeder dient te verblijven, ook als [minderjarige] het laatste deel van de vakantie bij
de vader heeft verbleven.
Daarnaast hebben de vader en [minderjarige] de ene week op woensdag en op zaterdag of zondag en de andere week op woensdag contact via FaceTime, telkens tussen 18.45 uur en 19.00 uur maar deze contacten vinden alleen plaats tijdens de reguliere contactregeling.
Bij beschikking van 30 november 2023 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is de beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2023 vernietigd voor wat betreft het gezag en is de vader belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . De beschikking is voor het overige bekrachtigd.
Bij beslissing van 24 januari 2025 van Juzgado de Primera Instancia in Estepona (Spanje) is de moeder bevolen om binnen een maand volledige uitvoering te geven aan de zorgregeling onder dreiging van periodieke dwangsommen en mogelijke wijziging van het gezags- en omgangsregime bij verdere niet-nakoming (Enforcement of foreign judicial title 1/2024).
Bij beslissing van voornoemde rechtbank van 4 juni 2025 is de moeder opnieuw bevolen om de zorgregeling binnen een maand na te leven, wederom onder dreiging van dwangsommen en wijzigingsmaatregelen.
Bij beslissing van voornoemde rechtbank van 14 juli 2025 is de moeder wederom bevolen om de zorgregeling na te komen, in die zin dat zij [minderjarige] onmiddellijk moest overdragen aan de vader voor de zomervakantie, met voortzetting van het reguliere contact daarna.
Tussen de ouders is, geëntameerd door de moeder, bij de Spaanse rechtbank een procedure aanhangig (Modificación de medidas 629/2025) strekkende tot wijziging van de zorgregeling.
3. Het geschil
De moeder vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:
- de vader te gebieden om per direct, althans binnen twee dagen na betekening van
het in deze te wijzen vonnis, de executie van de beschikking van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch van 30 november 2023 te staken;
- de vader te veroordelen om aan de moeder een dwangsom te betalen van € 1.000 voor
iedere dag of gedeelte daarvan indien de vader niet voldoet aan het uit te spreken
vonnis in kort geding, met de veroordeling van de vader in de kosten van dit geding.
De vader heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de moeder en gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de moeder te bevelen om met onmiddellijke ingang volledig en onverkort
uitvoering te geven aan de geldende omgangsregeling tussen vader en [minderjarige]
zoals vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Limburg van 22 mei 2023
en bevestigd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij
beschikking van 30 november 2023, waaronder begrepen zowel
de fysieke omgangsmomenten als de vastgestelde digitale contactmomenten
(FaceTime);
II. de moeder te bevelen [minderjarige] op de eerstvolgende, volgens de regeling geldende omgangsdatum aan vader af te geven en vervolgens iedere volgende omgangs-
en contactperiode stipt en zonder enige belemmering of vertraging na te leven;
III. aan de bevelen onder I. en II. een dwangsom te verbinden van € 10.000 per dag
of dagdeel dat de moeder in gebreke blijft aan één of meer van deze bevelen te
voldoen, met een maximum van € 500.000, zulks ter verzekering van naleving
van de omgangsregeling en ter voorkoming van verdere frustratie van de
omgang, althans een dwangsom met een daaraan te verbinden maximum als de voorzieningenrechter juist en proportioneel acht;
In conventie en reconventie:
de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie en, voor zover
mogelijk, ook in conventie.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Buiten beschouwing gebleven stukken
Op grond van artikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken worden processtukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de mondelinge behandeling worden ingediend in beginsel buiten beschouwing gelaten. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026 om 15.00 uur. De moeder heeft haar (aanvullende) productie 14 echter pas op 4 februari om 16.11 uur ingediend. Dat is minder dan 24 uur vóór de mondelinge behandeling, zodat de voorzieningenrechter deze productie buiten beschouwing laat.
Op grond van artikel 3.15 van voornoemd procesreglement is een vertaling van producties in beginsel noodzakelijk als dit geschreven is in een andere vreemde taal dan in de Engelse, Duitse of Franse taal. De voorzieningenrechter constateert dat productie 3, 5 en 11 en 13 van de moeder in de Spaanse taal zijn opgesteld, waarvan enkel productie 13 is vertaald en wel ‘machine translated by Google’ en aldus niet door een beëdigd vertaler. Omdat de moeder heeft nagelaten voornoemde producties (beëdigd) te vertalen, laat de voorzieningenrechter ook deze producties buiten beschouwing.
In conventie
Bevoegdheid
Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering van de moeder kennis te nemen. De vader betwist immers de bevoegdheid van de Nederlandse rechter omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Spanje zou hebben. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
De vordering van de moeder ziet op staking van de executie door de vader van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 november 2023. Uit de stukken en de verklaring van de moeder ter zitting leidt de voorzieningenrechter af dat dit feitelijk betekent dat zij wil dat de vader stopt met het doen van aangiftes en het laten opnemen van mutaties door de politie jegens haar, welke handelingen volgens de moeder onzorgvuldig en onrechtmatig zijn (misbruik van recht) en die haar en [minderjarige] in een noodtoestand brengen. De moeder beoogt hiermee dat de vader geen aanspraak meer kan maken op de in de beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2023 bepaalde zorgregeling tussen hem en [minderjarige] , die in voornoemde (volgens haar achterhaalde) beschikking van het Hof is bekrachtigd.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vordering van de moeder materieel een vordering over de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 2 lid 7 van de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (Brussel II-ter) betreft, omdat het rechten en verplichtingen zijn die met betrekking tot de persoon van [minderjarige] bij een rechterlijke beslissing zijn toegekend aan de vader. Onder het begrip ouderlijke verantwoordelijkheid valt op grond van artikel 1 lid 1 aanhef en onder b) juncto artikel 1 lid 2 aanhef en onder a) Brussel II-ter immers (mede) het gezagsrecht en het omgangsrecht. De moeder wenst feitelijk dat de vader geen aanspraak meer kan maken op dit omgangsrecht.
Op grond van artikel 7 Brussel II-ter zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt.
Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ genoemd in de bepalingen van Brussel II-ter dient volgens vaste rechtspraak aldus te worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De rechter dient bij het invullen van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ rekening te houden met alle feitelijke omstandigheden van de concrete situatie. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat.
Niet ter discussie staat dat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Spanje heeft. Dat is ook reeds in meerdere procedures tussen de ouders vastgesteld, laatstelijk nog in de beschikking van het gerechtshof in Den Haag van 30 mei 2024 (productie 11 van de vader, r.o. 5.7.). Daarmee komt in beginsel de Spaanse rechter rechtsmacht toe. Dit is slechts anders indien sprake zou zijn van een situatie genoemd in de daaropvolgende genoemde artikel 8 tot en met 10 of in het spoedeisend geval als bedoeld in artikel 15 Brussel II-ter. Van een situatie genoemd in artikel 8 tot en met 10 en met name het aanvaarden van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter is geen sprake. In een spoedeisend geval dient het dan te gaan om voorlopige en bewarende maatregelen over een kind dat zich in die lidstaat (Nederland in dit geval) bevindt of vermogensbestanddelen van een kind dat zich in die lidstaat bevindt. Daarvan is in dit geval eveneens geen sprake. [minderjarige] bevindt zich in Spanje. Ook op deze grond komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe.
Datzelfde geldt voor het gegeven dat er sprake is van een executiegeschil ex artikel 438 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Omdat, zoals hiervoor is overwogen, de vordering van de moeder is op te vatten als een vordering over de ouderlijke verantwoordelijkheid en daarmee Brussel II-ter van toepassing is, verzet dit zich er tegen dat, buiten deze verordening om, in een zodanige zaak nog nadere bepalingen van toepassing zouden zijn die een van deze verordening afwijkende rechtsmacht impliceren. De commune regels inzake rechtsmacht komen pas aan de orde, wanneer verdragen en EU-verordeningen niet van toepassing zijn.
Gelet op al het voorgaande is de Nederlandse (voorzieningen)rechter onbevoegd van de vordering van de moeder kennis te nemen.
In reconventie
Bevoegdheid
De vorderingen van de vader zien op nakoming van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 november 2023, althans de beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2023, voor zover die ziet op de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] . De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat uitsluitend de Spaanse rechter bevoegd is om van de vorderingen van de vader kennis te nemen, omdat in Spanje meerdere procedures lopen over [minderjarige] die de Nederlandse voorzieningenrechter niet kan doorkruisen.
Evenals bij de vordering van de moeder in conventie, overweegt de voorzieningenrechter dat de vorderingen van de vader materieel vorderingen over de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 2 lid 7 Brussel II-ter betreffen. De vader probeert immers te bewerkstelligen dat hij zijn omgangsrecht (weer) kan uitoefenen. Omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Spanje heeft en zoals onder 4.7 overwogen niet gebleken is van een uitzonderingsgrond, komt de Spaanse rechter rechtsmacht toe. Ter zitting heeft de vader desgevraagd nog gesteld dat ook ten aanzien van zijn vorderingen sprake is van een executiegeschil ex artikel 438 Rv. De voorzieningenrechter verwijst volledigheidshalve naar haar oordeel hierover onder 4.8. Gelet op al het voorgaande is de Nederlandse (voorzieningen)rechter eveneens onbevoegd van de vorderingen van de vader kennis te nemen.
Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat het feit dat zij onbevoegd is om van de vorderingen van de vader kennis te nemen, niet betekent dat de vader geen aanspraak meer kan maken op zijn omgangsrecht. De beschikking van deze rechtbank van 22 mei 2023, althans de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 november 2023 is geldend. De voorzieningenrechter volgt de moeder niet in haar standpunt dat voornoemde beschikkingen achterhaald zijn. Indien de moeder van mening is dat de daarin bepaalde zorgregeling niet meer kan of mag worden uitgevoerd omdat er sprake is van – zoals zij stelt – extreem nieuwe en gewijzigde omstandigheden, dan had het op de weg van de moeder gelegen om daar in onderling overleg met de vader nieuwe afspraken over te maken, dan wel een procedure tot wijziging van de zorgregeling te starten. De moeder stelt dat laatste inmiddels in Spanje te hebben gedaan, doch totdat daarop is beslist, blijft de huidige zorgregeling in stand.
In conventie en in reconventie
Litispendentie
Geheel ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog dat uit de stukken en ter zitting is gebleken dat er in Spanje diverse procedures lopen, dan wel gelopen hebben over nakoming van de zorgregeling door de moeder. De vader stelt daarover dat executie procedures zijn afgedaan en dat de moeder meermaals is bevolen om de zorgregeling na te komen. De moeder stelt dat – zo begrijpt de voorzieningenrechter – deze beslissingen zijn gegeven zonder dat de moeder verweer heeft gevoerd en dat zij daar in een later stadium nog tegen in bezwaar kan gaan. Dit is volgens de moeder de gebruikelijke gang van zaken in Spanje in dergelijke procedures. Volgens de moeder heeft zij dat bezwaar ook daadwerkelijk ingesteld. De voorzieningenrechter overweegt dat zij het standpunt van de moeder, dat deze procedure(s) in Spanje nog niet zijn afgerond niet kan verifiëren, omdat de moeder geen (beëdigde) vertaalde stukken hiervan in het geding heeft gebracht. Echter, tussen partijen staat vast dat er nog een procedure loopt waarin de moeder heeft verzocht tot aanpassing van de zorgregeling zodat dat betekent dat de Nederlandse (voorzieningenrechter) onbevoegd is van de vorderingen over en weer kennis te nemen. Artikel 12 Rv stelt immers dat indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling kan aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd.
Proceskosten
De voorzieningenrechter zal de proceskosten compenseren. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die moeten leiden tot een afwijking van de regel dat in dit soort zaken ieder van partijen de eigen kosten dient te dragen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
In conventie en in reconventie
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van de ouders kennis te nemen;
compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. van Uum, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
CS