ECLI:NL:RBLIM:2026:2486

ECLI:NL:RBLIM:2026:2486

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 10-03-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer C/03/25/27 F
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Afwijzing verzoek omzetting faillissement naar schuldsaneringsregeling, geen boekhouding en geen belastingaangifte

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

Toezicht / insolventies

insolventienummer: C/03/25/27 F

datum vonnis: 10 maart 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 TE [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,voorheen handelend onder de naam [naam VOF] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [KvK nummer] ,

verzoeker.

1. Het verloop van de procedure

Het verzoekschrift strekt tot opheffing van het op 28 januari 2025 uitgesproken faillissement van verzoeker en het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Het faillissement van verzoeker is uitgesproken op eigen aangifte.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026. Daarbij zijn verschenen:

- verzoeker;

- mr. S.M.V. Hafkamp, namens curator.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. De beoordeling

De rechtbank dient het verzoek te toetsen aan de criteria genoemd in artikel 288 Faillissementswet (Fw).

Bij de beoordeling van het in artikel 288 lid 1 onder b Fw bedoelde te goeder trouw zijn van de schuldenaar wordt een gedragsmaatstaf gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Het is daarbij aan de schuldenaar om bedoelde goede trouw aannemelijk te maken.

In bijlage III Procesreglement rechtbanken inhoudende ‘landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling’ wordt het begrip goede trouw nader ingevuld. Blijkens die bepaling is van goede trouw in beginsel geen sprake indien in de periode van drie jaren voorafgaand aan de indiening van het verzoek de schuldenaar een eigen onderneming heeft gevoerd en (nagenoeg) geen boekhouding heeft bijgehouden en beschikbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend “te goeder trouw” is geweest, zoals de wet dat bedoelt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

In zijn advies aan de rechter-commissaris vermeldt de curator onder punt 2 dat er in het geval van verzoeker sprake is van:

een eigen onderneming voeren en (nagenoeg) geen boekhouding bijhouden en beschikbaar zijn;

schulden aan het UWV of de belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting.

Met betrekking tot punt a vermeldt de curator onder punt 10 in zijn advies dat de administratie die de verzoeker de curator ter beschikking heeft gesteld niet volstond. Op datum faillissement bleek er geen adequate debiteuren- en crediteurenadministratie te zijn. Ook beschikte verzoeker niet over enige financiële administratie als jaarrekeningen, tussentijdse cijfers, kolommenbalansen of vergelijkbare documenten, althans hij heeft deze niet aan de curator overgelegd. Uit het omzettingsverzoek blijkt dat dergelijke informatie toch wel beschikbaar is. Daar zijn de jaarstukken over de jaren 2021 en 2022 overgelegd. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat zijn boekhouding tot de laatste twee kwartalen is bijgewerkt. Daarna kon hij zijn boekhouder niet meer betalen. Echter, over de jaren 2023 en 2024 zijn er geen jaarstukken overgelegd. Niet bij de curator en niet bij het indienen van het omzettingsverzoek. Daarnaast laat de crediteurenlijst gevoegd bij het verzoek zien dat verzoeker, doordat hij geen goede administratie heeft gevoerd, niet in staat was bij enige schuld een ontstaansdatum te vermelden. Deze informatie is uit de lijst van de curator afgeleid.

Door het ontbreken van de jaarstukken over de jaren 2023 en 2024 wordt geen, of in elk geval onvoldoende, inzicht gegeven in het ontstaan van de zakelijke schulden die ook nog grotendeels in die periode zijn ontstaan. Dit komt voor risico van verzoeker nu de schuldenlast van verzoeker voornamelijk uit zakelijke schulden bestaat. Bovendien kan door het ontbreken van de boekhouding niet worden nagegaan welke lasten zijn betaald, waaraan de omzet is besteed en of de uitleg over de inventaris en voorraad op juistheid berust. Door het ontbreken van de financiële gegevens heeft verzoeker niet aannemelijk kunnen maken dat hij ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden te goeder trouw is geweest.

Daarbij blijkt uit de analyse van de curator dat:

het businessmodel sterk verouderd was, waardoor er geen markt voor een dergelijke onderneming was;

verzoeker mogelijk niet snel genoeg de conclusie heeft getrokken dat zijn onderneming niet levensvatbaar was en daardoor een verlieslijdende exploitatie heeft doorgezet;

verzoeker ook niet geschikt is om te ondernemen. Verzoeker heeft onvoldoende grip op verplichtingen van een ondernemer, naast de verkoopaspecten, zoals het voeren van een gedegen boekhouding, bewaren van liquiditeitsposities en het maken van reserveringen voor af te dragen belastingen.

Met betrekking tot punt b wordt in het advies van de curator onder punt 10 vermeld dat uit de ontvangen correspondentie van de belastingdienst blijkt dat er over de jaren 2023 en 2024 in ieder geval geen aangifte inkomstenbelasting is gedaan. Verzoeker ontkent dit ter zitting, maar heeft deze aangiftes of de daaropvolgende aanslagen niet overgelegd. Hierdoor acht de rechtbank het aannemelijk dat verzoeker geen aangifte over de betreffende jaren heeft gedaan. Als de aangiftes wel waren gedaan, had de curator daarvan immers bericht van de belastingdienst gekregen. Daarnaast is er ook een vordering bij het UWV die deels betrekking heeft op niet afgedragen pensioenen.

Ten slotte is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verzoeker zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. In de rapportage van de schuldhulpverlener wordt vermeld dat verzoeker door de doelmatigheidscoach van de gemeente Venlo is vrijgesteld van de arbeids- en sollicitatieplicht om eerst te leren sociale contacten buiten de deur te krijgen en dan te kijken naar de mogelijkheden van groeipotentieel. De betreffende beslissing is niet toegevoegd aan het verzoek, waardoor onduidelijk is wanneer deze beslissing is afgegeven, voor welke periode en of dit is gebaseerd op een (medisch) onderzoek. Feit is dat de genoemde vrijstelling in de schuldsaneringsregeling geen reden is om iemand vrij te stellen van de arbeids- en sollicitatieplicht. Verzoeker heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij niet helemaal arbeidsongeschikt is en dat hij geen lichamelijke klachten heeft. Hij slikt wel medicatie tegen de stress, maar kan daardoor sneller agressief worden. Verzoeker heeft niet aangegeven in welke gevallen dit speelt. Verzoeker heeft jaren heel veel gewerkt en zegt te moeten herstellen van deze periode. Als iemand zorgt dat verzoeker een baan krijgt, dan wil verzoeker wel gaan werken. Dat is echter niet hoe de schuldsaneringsregeling werkt. Tijdens de schuldsaneringsregeling geldt een sollicitatieplicht waarbij minimaal vier keer per maand schriftelijk gesolliciteerd dient te worden naar diverse banen en niet alleen in de kring van vrienden en kennissen van verzoeker, zoals verzoeker van plan is. De verwachting is dan ook dat verzoeker zijn arbeids- en sollicitatieplicht onvoldoende zal nakomen.

3. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans, rechter, en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 10 maart 2026 in tegenwoordigheid van N.W.M. Clement, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.E.J. Noelmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?