RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummers : 03.108319.25, 96.052681.25 en 96.370256.24 (ttz.gev.) en Parketnummer : 03.214091.23 (tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortjaar] 1986,
gedetineerd in de P.I. Sittard.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J. Engels, advocaat kantoorhoudende te Venlo.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. [benadeelde partij 1] was ter zitting aanwezig. De gemachtigde D.M. Medenbach, casemanager Geweld Tegen Politie Ambtenaren, heeft namens beide benadeelde partijen het woord gevoerd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
in de zaak 03.108319.25:
in de zaak 96.052681.25:
- op 28 januari 2025 een auto heeft bestuurd, terwijl zijn rijbewijs geschorst was;
in de zaak 96.370256.24:
- op 14 augustus 2024 een auto heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed van cannabis, cocaïne en alcohol was.
3. Partiële nietigheid van de tenlastelegging
De rechtbank zal de dagvaarding in de zaak 03.108319.25 partieel nietig verklaren voor zover het betreft de zinsnede “en/of [bijrijdster verdachte] (bijrijdster van verdachte in de door hem bestuurde personenauto)”, zoals opgenomen in feit 1 primair en subsidiair. Daartoe overweegt zij als volgt.
Kern van die zaak betreft het inrijden van de verdachte met een door hem bestuurde auto op een dienstvoertuig waarin zich op dat moment twee politieambtenaren bevonden. Bij de verdachte in de auto bevond zich [bijrijdster verdachte] als bijrijdster. De verfeitelijking van de tenlastelegging is toegespitst op de gedragingen van de verdachte in verhouding tot het dienstvoertuig van politieambtenaren. De tenlastelegging verfeitelijkt echter niet of en zo ja, op welke wijze de verweten poging tot doodslag/zware mishandeling op [bijrijdster verdachte] betrekking heeft. In zoverre is de dagvaarding naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feitelijk en daarmee gedeeltelijk nietig.
4 De beoordeling van het bewijs
De rechtbank zal de ten laste gelegde feiten hierna in chronologische volgorde bespreken en beoordelen. Daarbij zullen de standpunten van de officier van justitie en de verdediging per feit geduid worden.
Vrijspraak rijden onder invloed op 14 augustus 2024 (zaak 96.370256.24)
De raadsvrouw heeft bepleit dat geen sprake is geweest van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), nu de strikte waarborg van artikel 13, eerste lid, onder d. van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit) niet is nageleefd. De onderzoeksresultaten kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt, waardoor de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de inzendingstermijn aan het laboratorium niets zegt over de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten en dat dit feit daarom wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.
De rechtbank stelt voorop dat van een ‘onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8, leden 2, 3 en 5 WVW slechts sprake is indien de strikte waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat een strikte waarborg niet is nageleefd, leidt dat er in beginsel toe dat geen sprake is van een ‘een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet.’
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d. van het Besluit bepaalt dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed binnen vier weken wordt of worden bezorgd bij het laboratorium. Dit voorschrift, evenals de voorschriften die betrekking hebben op het bewaren en het vervoeren van het afgenomen bloedmonster, behoren tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, WVW is omringd (Hoge Raad 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684).
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de op 14 augustus 2024 afgenomen buisjes bloed pas op 23 september 2024 zijn ontvangen door het laboratorium van het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam. De hiervoor genoemde vier weken-termijn is dus met twaalf dagen overschreden, waardoor geen sprake is van een ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, WVW. Het ten laste gelegde kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Rijden met een geschorst rijbewijs op 28 januari 2025 (zaak 96.052681.25)
Net als de officier van justitie acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft dit feit ook bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
het proces-verbaal artikel 9 WVV van 17 februari 2025, pg. 2 van het hiervoor onder A. genoemde dossier;
een geschrift, te weten een uitdraai van een RDW-systeembevraging van 28 januari 2025, pg. 8-9 van het hiervoor onder A. genoemde dossier;
de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 3 maart 2026.
Rijden met een geschorst rijbewijs op 21 maart 2025 (feit 2 in de zaak 03.108319.25)
Net als de officier van justitie acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft dit feit ook bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit. Daarom zal de rechtbank ook hier volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 26 maart 2025, pg. 12-15 van het hiervoor onder B. genoemde dossier;
het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 1] van 5 augustus 2025, p. 80 van het hiervoor onder B. genoemde dossier;
de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 3 maart 2026.
De poging doodslag / zware mishandeling op 21 maart 2025 (feit 1 in de zaak 03.108319.25)
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op beide agenten.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van de verdachte op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de politieambtenaren. Daartoe heeft zij kort gezegd gewezen op de consistente verklaringen van de verdachte dat het nooit zijn bedoeling was een ongeval te veroorzaken, de contra-indicatie van het afremmen en uitwijken, de contra-indicatie dat het risico zich tevens tot hemzelf uitstrekte en het ontbreken van betrouwbaar steunbewijs voor de innerlijke bewuste aanvaarding door de verdachte van de aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om verbalisant [benadeelde partij 1] te doden en verbalisant [benadeelde partij 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dat oordeel is gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen en overwegingen.
De bewijsmiddelen
1. Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 26 maart 2025, pagina’s 12 tot en met 15 van het hiervoor onder B. genoemde dossier, voor zover inhoudende:
Op 21 maart 2025 waren wij belast met de surveillance in de gemeente Gennep. Omstreeks 14.05 uur reden wij op de Nijmeegseweg te Gennep. Wij zagen dat er een [auto] reed met het Nederlandse kenteken [kenteken] . Ik, [verbalisant 2] , herkende de bestuurder ambtshalve als zijnde [verdachte] (geboren op [geboortjaar] ). Tevens wist ik dat [verdachte] geen voertuig mocht besturen, omdat zijn rijbewijs geschorst was. Het bovengenoemde voertuig vervolgde zijn weg via de Bredeweg in Ottersum. Ik gaf het voertuig een stopteken door middel van het stoptransparant gevestigd in het onopvallend dienstvoertuig. Wij zagen dat de bestuurder geen gehoor gaf aan het gegeven stopteken via het stoptransparant. Wij zagen dit doordat het voertuig met een hoge snelheid ervandoor ging.
Wij zagen dat het voertuig op de Horsestraat te Gennep in de richting van de Nijmeegseweg te Gennep reed. Wij zagen diverse keren na het veranderen van richting dat beide remlichten van het voertuig brandden. Wij zagen dat de Horsestraat een smalle weg betrof voor verkeer in beide richtingen. De berm is aan beide zijden ongeveer 0,5 meter breed. De berm is gelegen aan een heg van ongeveer 1 tot 1,5 meter hoog. Wij zagen dat je hier met één voertuig goed op kunt rijden, maar als er tegenovergesteld verkeer aan komt dat beide voertuigen moeten afremmen, elkaar de ruimte moeten geven en uit moeten wijken naar de berm.
Wij zagen dat onze collega's in een opvallend dienstvoertuig de weg blokkeerden. Wij zagen dat het dienstvoertuig met optische- en geluidsignalen aan stond. Wij zagen dat het dienstvoertuig in fend-off positie stond gepositioneerd. Deze fend-off is een positionering op de weg dat het dienstvoertuig schuin op de weg staat met een hoek van 45 graden ten opzichte van de lengteas van de weg. Daarbij kan de bestuurder zien aan de striping dat het een politieauto betreft en de doorgang geblokkeerd is. Doordat het dienstvoertuig op deze manier gepositioneerd stond, was de gehele rijbaan van de Horsestraat geblokkeerd. Wij zagen dat de weg zodanig was geblokkeerd dat het eerdergenoemde voertuig er niet langs kon.
Wij reden ongeveer 200 à 300 meter achter het eerdergenoemde voertuig en hadden ongeveer een snelheid van 100 kilometer per uur. Wij zagen dat wij niet dichter bij het eerdergenoemde voertuig kwamen.
Wij zagen dat het dienstvoertuig van verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in fend-off positie stond. Wij zagen dat het eerdergenoemde voertuig in eerste instantie op hen inreed. Wij zagen op het allerlaatste moment dat het dienstvoertuig achteruit reed. Wij zagen dat het dienstvoertuig dit met enige snelheid deed, omdat het eerdergenoemde voertuig de snelheid aanhield. Wij zagen dat de afstand van het voertuig en het dienst-voertuig minimaal was, een afstand van 50 à 100 meter. Wij zagen dat het eerdergenoemde voertuig een kleine stuurbeweging maakte naar de rechterzijde, waardoor het iets uitweek naar rechts. De afstand tussen beide voertuigen was naar schatting 5 à 10 centimeter. De remlichten van het voertuig brandden niet bij het naderen van het gepositioneerd opvallende dienstvoertuig. Deze functioneerden wel zoals eerder beschreven. Het voertuig reed zonder snelheid te minderen op het gepositioneerde opvallende voertuig in.
Wij zagen dat het eerdergenoemde voertuig op het laatste moment uitweek naar rechts, half door de berm reed en zo zijn weg vervolgde. Als het opvallende dienstvoertuig niet achteruit was gereden en het eerdergenoemde voertuig zijn rijrichting vervolgde, was het eerdergenoemde voertuig met de voorzijde frontaal op de rechterzijkant van het gepositioneerde dienstvoertuig ingereden, vermoedelijk ter hoogte van het rechter voorportier. Wij zagen dat beide collega's nog in het opvallende dienstvoertuig zaten. Wij zagen dat er ook geen mogelijkheid was om het opvallende dienstvoertuig te verlaten, doordat het eerdergenoemde voertuig zijn snelheid aanhield naar schatting van 100 kilometer per uur.
2. Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [benadeelde partij 2] , aspirant bij de Eenheid Limburg, en [benadeelde partij 1] , inspecteur bij de Eenheid Limburg, van 22 maart 2025, pagina’s 17 tot en met 19 van het hiervoor onder B. genoemde dossier, voor zover inhoudende:
Op 21 maart 2025, omstreeks 14.10 uur, kregen wij bericht van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Wij hoorden dat [verbalisant 2] zei dat zij achter een [auto] reden met kenteken [kenteken] op de Sint Jansstraat in Ottersum. Wij hoorden dat [verbalisant 2] zei dat hij een stopteken had gegeven op de Bredeweg in Ottersum, maar dat de bestuurder van het voertuig het stopteken negeerde. Wij hoorden dat [verbalisant 2] zei dat hij de bestuurder herkende als [verdachte] . Wij hoorden dat [verbalisant 2] zei dat [verdachte] de Aaldonksestraat op reed richting Milsbeek. Wij reden op de Sint Jansstraat richting Ottersum.
Ik, [benadeelde partij 1] , keerde de auto en draaide om op de Sint Jansstraat richting Milsbeek. Ik sloeg met de auto rechtsaf de Horsestraat op. Wij zagen dat de Horsestraat een smalle weg betrof bestemd voor verkeer in beide richtingen. Aan allebei de zijden zit een berm van ongeveer 0,5 meter. Deze weg is gelegen buiten de bebouwde kom en is een 60 km/u zone. Wij zagen dat je hier met één voertuig goed op kunt rijden, maar als er tegenover-gesteld verkeer aan komt dat beide voertuigen moeten afremmen, elkaar de ruimte moeten geven en uit moeten wijken naar de berm.
Wij zagen in de verte een zwarte auto rijden die met hoge snelheid op ons af kwam gereden. Wij schatten dat het voertuig meer dan 100 kilometer per uur reed. Wij herkenden dit voertuig als de [auto] met kenteken [kenteken] .
Ik, [benadeelde partij 1] , parkeerde de auto op het midden van de weg en draaide de auto een klein beetje naar links zodat we iets schuiner op de weg stonden. Wij zaten in het politie-voertuig met optische- en geluidssignalen aan. Ons politievoertuig blokkeerde de hele breedte van de Horsestraat. Wij keken recht naar de auto toe en zagen de bestuurder van de auto. Wij zagen de bestuurder op ongeveer 100 meter ons tegemoet komen rijden en konden de bestuurder allebei in zijn ogen kijken en herkenden hem als [verdachte] .
Wij zagen dat de [auto] nog steeds met hoge snelheid op ons afgereden kwam. Wij schatten dat deze snelheid meer dan 100 kilometer per uur betrof. In ieder geval meer dan de toegestane snelheid van 60 kilometer per uur.
Ik, [benadeelde partij 1] , zag dat het voertuig geen snelheid minderde en op ons voertuig af kwam gereden. Ik was bang dat het voertuig niet zou remmen en vol op ons in zou rijden. Ik, [benadeelde partij 2] , schrok ervan dat het voertuig geen snelheid minderde, ik maakte me schrap voor een harde botsing met het voertuig.
Op het allerlaatste moment besloot ik, [benadeelde partij 1] , om het politievoertuig van de weg te halen. Ik zette het voertuig in de achteruit en probeerde zo snel als ik kon achteruit te rijden. Ik weet zeker dat als ik dat niet gedaan had, [verdachte] vol op ons politievoertuig ingereden was met zijn auto. Als ik, [benadeelde partij 1] , het voertuig niet had verplaatst en [verdachte] had zijn rijrichting blijven vervolgen was deze met de voorzijde van het door [verdachte] bestuurde voertuig vol ingereden op de rechterzijkant van ons politievoertuig, vermoedelijk ter hoogte van het rechter voorportier, daar waar ik, [benadeelde partij 2] zat.
Wij zagen dat de [auto] ons voorbij kwam gereden. Wij schatten dat dit met dezelfde snelheid was, ongeveer 100 kilometer per uur. In ieder geval harder dan de toegestane 60 kilometer per uur. Wij schatten dat [verdachte] op ongeveer 5-10 centimeter ons politie-voertuig niet raakte.
Ik, [benadeelde partij 2] , heb doodsangsten uitgestaan toen het voertuig op ons afgereden kwam. Ik zag dat het voertuig geen vaart minderde. Ik, [benadeelde partij 1] , heb doodsangsten uitgestaan. Ik wilde met het politievoertuig op de weg blijven staan om het voertuig te doen stoppen. Op het laatste moment ging ik aan de kant. Gezien de gereden snelheid van [verdachte] en de afstand tussen beide voertuigen, had [verdachte] zijn voertuig niet tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand als ik het dienstvoertuig niet achteruit had gereden. Zelfs nadat ik bezig was met het ontwijken van het voertuig van [verdachte] , was ik in de veronderstelling dat we in botsing kwamen. Ik had echt het gevoel en de overtuiging dat ik het voertuig van [verdachte] niet meer kon ontwijken, zo snel kwam het voertuig op ons af.
De overwegingen van de rechtbank
Op 21 maart 2025 vond een bijna-aanrijding plaats tussen een door de verdachte bestuurde personenauto en een politieauto met daarin de verbalisanten [benadeelde partij 1] als bestuurder en [benadeelde partij 2] al bijrijder. Kern van de zaak is de vraag of de verdachte het opzet had om deze verbalisanten te doden of zwaar te verwonden. Niet is gebleken dat de verdachte uit is geweest op de dood van deze verbalisanten; van zogeheten vol opzet is niet gebleken. Toch kan de rechtbank het opzet van verdachte op de dood of de zware verwonding van de verbalisanten wel bewijzen als er sprake is geweest van zogeheten voorwaardelijk opzet.
Beoordelingskader
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij een ander – aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg drie condities dienen te zijn vervuld. Dat zijn:
de gedraging heeft een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven geroepen;
de verdachte heeft ten tijde van de gedraging wetenschap gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg door zijn gedraging zal intreden. Met andere woorden, de verdachte is zich van die aanmerkelijke kans bewust geweest;
de verdachte heeft die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedraging aanvaard.
Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af.
De verdachte is met ongeveer 100 kilometer per uur op een als zodanig herkenbare politie-auto ingereden. Dit vond plaats op een smalle weg, zo smal dat deze normaliter niet breed genoeg is om met twee auto’s eenvoudig langs elkaar te rijden. Daarvoor zouden beide auto’s moeten uitwijken en door de berm moeten rijden. De politieauto bevond zich bovendien niet op zijn eigen weghelft – als daarvan op de betreffende weg al kan worden gesproken -, maar blokkeerde de gehele weg door in een hoek van ongeveer 45 graden ten opzichte van de lengteas van de weg te gaan staan. De verdachte kon derhalve met geen mogelijkheid én op het wegdek blijven én langs de politieauto rijden. De verdachte maakte echter geen aanstalten om te stoppen of zelfs maar te remmen (getuige het feit dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , in tegenstelling tot eerder tijdens de achtervolging, geen geactiveerde remlichten zagen, en zij en verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de verdachte zagen rijden met een onverminderde snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur) en maakte pas een kleine uitwijkmanoeuvre nadat verbalisant [benadeelde partij 1] op het laatste moment ervoor had gekozen om een aanrijding te voorkomen door achteruit te rijden. Uiteindelijk reed de verdachte de politieauto voorbij op een afstand van 5 à 10 centimeter.
Het standpunt van de verdachte
De verdachte heeft betwist dat hij met 100 kilometer per uur op de agenten kwam ingereden, en stelt dat hij snelheid heeft geminderd en zelfs heeft geremd. Die verklaring wordt evenwel weerlegd door de relazen van de verbalisanten, zoals hiervoor beschreven. Ook voor het overige vindt die verklaring van de verdachte geen steun in het dossier.
De raadsvrouw heeft nog betoogd dat de uitwijkmanoeuvre van de verdachte een contra-indicatie is voor het opzet van de verdachte om de verbalisanten te doden of zwaar te verwonden. De rechtbank ziet dat anders. De uitwijkmanoeuvre van de verdachte kon namelijk alleen succesvol zijn omdat de politieauto op het laatste moment achteruit was gereden. Zonder die beweging van de politieauto had alsnog een aanrijding plaatsgevonden en was het kleine manoeuvre van de verdachte zonder betekenis gebleven.
Bewuste aanvaarding aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel
Het voorgaande leidt ertoe dat de verdachte bewust met zeer hoge snelheid op de rechter-flank van de politieauto is ingereden, op een moment dat de politieauto schuin de weg blokkeerde. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat iemand komt te overlijden, of op zijn minst zwaar lichamelijk letsel oploopt, bij een aanrijding in de flank aanmerkelijk te achten. Het kan niet anders dan dat ook de verdachte daarvan op de hoogte was.
De uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging van de verdachte (met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, zonder snelheid te minderen, op de flank van de politieauto inrijden, terwijl die weinig ruimte had om een aanrijding te voorkomen), is zozeer gericht op de dood of zwaar lichamelijk letsel van de inzittenden dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
De raadsvrouw heeft nog met een beroep op het Porsche-arrest (HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0139) bepleit dat het niet aannemelijk is dat de verdachte de kans op andermans en zijn eigen dood aanvaardde, onder meer gelet op de contra-indicaties in de vorm van het remmen en uitwijken. Over die contra-indicaties heeft de rechtbank zich hiervoor al uitgelaten. Daar komt bij dat de casus in het Porsche-arrest niet vergelijkbaar is met deze zaak. In die casus kon immers vastgesteld worden dat de verdachte diverse gedragingen verrichtte, kennelijk om ongevallen te vermijden, totdat hij bij een hernieuwde poging om in te halen op de rijstrook, bestemd voor het hem tegemoetkomende verkeer, frontaal botste op een voertuig dat in een tegengestelde rijrichting reed.
De Hoge Raad stelde daarbij inderdaad hoge motiveringseisen aan het opzet en de omstandigheid dat een verdachte mogelijk het risico op zijn eigen overlijden creëert in geval sprake is van roekeloos rijgedrag. Dergelijke hoge motiveringseisen worden echter niet gesteld in zaken waarin de verdachte zijn auto heeft ingezet als ‘wapen’ en deze inzet kan worden gezien als een ‘doelbewuste jegens een ander gerichte geweldshandeling.’ Het gaat dan immers niet meer om ‘gewone’ – zij het eventueel roekeloze – deelneming aan het verkeer door de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak daarvan sprake is. De verdachte is immers met hoge snelheid doelbewust afgereden op een politieauto, om koste wat kost te trachten aan aanhouding te ontkomen.
Conclusie
De verdachte is met zijn auto (met een snelheid van rond de 100 kilometer per uur) frontaal afgereden op de rechter flank van de politieauto. Dat is de bijrijderskant, waar op dat moment [benadeelde partij 2] zat. Indien er in die situatie een aanrijding zou hebben plaatsgevonden, zou er naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op het overlijden van [benadeelde partij 2] zijn geweest. De rechtbank oordeelt anders voor wat betreft [benadeelde partij 1] . Die zat op dat moment aan de andere kant van de auto, achter het stuur. Ook hij liep ernstig gevaar, maar naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer voor zijn leven, maar wel voor zwaar lichamelijk letsel.
Aan de verdachte is primair ten laste gelegd een poging doodslag op de verbalisanten en subsidiair een poging zware mishandeling van die verbalisanten. Nu in dit feit twee verbalisanten als beoogd slachtoffer zijn opgenomen, is sprake van een impliciet cumulatieve tenlastelegging. Dat biedt ook de mogelijkheid om de gedraging van de verdachte te beoordelen tegen beide verbalisanten afzonderlijk. Dat maakt dat de rechtbank, zonder de grondslag van de tenlastelegging te verlaten, kan bewezen verklaren: de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op verbalisant [benadeelde partij 2] en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van verbalisant [benadeelde partij 1] .
Voor het overige
De raadsvrouw heeft verder nog een betrouwbaarheidsverweer gevoerd over de verklaring(en) van de getuige [bijrijdster verdachte] . De rechtbank heeft die verklaring(en) niet gebruikt voor het bewijs. Daarom behoeft dat verweer geen verdere bespreking.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht ten laste van de verdachte bewezen dat:
in de zaak 03.108319.25 feit 1 primair:
hij op 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 2] (aspirant bij de Eenheid Limburg) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet,
met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto rijdend met een hoge snelheid (ongeveer 100 kilometer per uur) en zonder te remmen is ingereden op en/of is gereden in de richting van een dienstvoertuig met daarin [benadeelde partij 2] (terwijl hij met het dienst-voertuig een blokkade vormde op de rijbaan),
(vervolgens) het dienstvoertuig (zeer dicht) heeft genaderd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
In de zaak 03.108319.25 feit 1 subsidiair:
hij op 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] (inspecteur bij de Eenheid Limburg) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet,
met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto rijdend met een hoge snelheid (ongeveer 100 kilometer per uur) en zonder te remmen is ingereden op en/of is gereden in de richting van een dienstvoertuig met daarin [benadeelde partij 1] (terwijl hij met het dienst-voertuig een blokkade vormde op de rijbaan,
(vervolgens) het dienstvoertuig (zeer dicht) heeft genaderd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in de zaak 03.108319.25 feit 2:
hij op 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Bredeweg en de Horsestraat, een motorrijtuig (personenauto) van de categorie of categorieën waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;
in de zaak 96.052681.25 feit 1:
hij op 28 januari 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Molenweg, een motor-rijtuig (personenauto) van de categorie of categorieën waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;
De rechtbank heeft de tenlastelegging van feit 2 in de zaak 03.108319.25 verbeterd gelezen, met dien verstande dat Horsterweg gelezen is als Horsestraat. De verdachte is daarmee niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
in de zaak 03.108319.25 feit 1 primair en subsidiair:
poging tot doodslag
in eendaadse samenloop gepleegd met
poging tot zware mishandeling
in de zaken 03.108319.25 feit 2 en 96.052681.25 feit 1:
telkens: overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7. De straffen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen:
een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;
met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen/maatschappelijke opvang, verbod verdovende middelen en meewerken aan dagbesteding;
een rijontzegging van 3 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om te volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest en het bevel voorlopige hechtenis op te heffen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt.
De verdachte is met hoge snelheid afgereden op een politieauto met daarin twee politieambtenaren. Deze politieauto blokkeerde de weg voor de verdachte tijdens een achtervolging door een andere politieauto. Bij deze achtervolging reed de verdachte met snelheden van meer dan 130 kilometer per uur, waar slechts 60 kilometer per uur was toegestaan. Uiteindelijk reed hij met zo’n 100 kilometer per uur af de op politieauto die zijn weg versperde. Hiermee heeft hij de inzittende politieambtenaren ernstig in gevaar gebracht. Indien de agenten niet zelf op het laatste moment achteruit waren gereden, waren de gevolgen niet te overzien geweest en was de kans aanmerkelijk geweest dat in ieder geval een van de politieambtenaren, te weten degene die het dichtst bij de aanstormende auto zat, het leven zou laten. De andere politieambtenaar zou, zo kan gevoeglijk worden aangenomen, in ieder geval zwaar lichamelijk letsel aan een botsing hebben overgehouden. Het is ook niet voor niets dat, zo blijkt uit hun relaas, de agenten doodsangsten hebben uitgestaan op dat moment.
Een poging tot doodslag rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een jarenlange gevangenisstraf, ook als die poging niet met bijvoorbeeld (vuur)wapens, messen of ander fysiek geweld plaatsvindt, maar zoals in dit geval in het verkeer met een auto.
Er zijn echter ook nog andere feiten die bestraft dienen te worden. Naast de, gelijktijdig met de poging tot doodslag, begane poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de andere verbalisant, moet ook in ogenschouw worden genomen dat de verdachte die dag in de auto reed, terwijl zijn rijbewijs geschorst was. En dat was ook al zo twee maanden eerder. Het rijbewijs van de verdachte was geschorst in afwachting van de onderzoeksresultaten van twee vermeende gevallen van rijden onder invloed.
Met het vluchten voor de politie, het inrijden op twee agenten en het rijden terwijl zijn rijbewijs was geschorst, toont de verdachte aan niet alleen lak te hebben aan autoriteiten, maar ook lak te hebben aan de verkeersveiligheid. Dat is des te ernstiger nu de verdachte in februari 2024 ook al eens veroordeeld is voor gevaarlijk rijgedrag en hij naar aanleiding van die deels voorwaardelijke veroordeling ook een in proeftijd liep. Dit alles heeft de verdachte er niet van weerhouden toch weer in de auto te stappen en levensgevaarlijk te rijden.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel. Het reclasseringsadvies van 17 februari 2026 vermeldt weliswaar diverse risicofactoren zoals onder meer de houding van de verdachte en zijn psychosociaal functioneren en adviseert de oplegging van een deels voorwaardelijke straf, maar dit is wat de rechtbank betreft een gepasseerd station. Eerdere betrokkenheid van de reclassering en een eerdere voorwaardelijke veroordeling heeft de verdachte niet weerhouden van het plegen van deze feiten, zodat getwijfeld moet worden aan de meerwaarde en haalbaarheid van met een deels voorwaardelijke straf na te streven doelen. Het is nu aan de verdachte om aan te tonen dat hij niet meer aanraking hoeft te komen met politie en justitie.
Al met al oordeelt de rechtbank dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van voorarrest passend en geboden is.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Ter bescherming van de verkeersveiligheid oordeelt de rechtbank dat ook een rijontzegging passend en geboden is. Rekening houdend met de tijd die de verdachte nog in detentie zal verblijven, zal de rechtbank die bepalen op 3 jaren.
8. De benadeelde partijen
De vorderingen van de benadeelde partijen
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] vorderen elk schadevergoeding tot een bedrag van 653 euro aan immateriële schade als gevolg van feit 1 in de zaak 03.108319.25. Zij hebben daarbij verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft niet-ontvankelijkheid van beide benadeelde partijen bepleit gelet op het vrijspraakverweer.
Het oordeel van de rechtbank
De vorderingen zijn gebaseerd op artikel 6:106, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek. Dat bepaalt – voor zover hier relevant – dat vergoeding van immateriële schade in aanmerking komt bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze. De vorderingen specificeren niet op welke van deze drie gronden de vordering gebaseerd is. Nu van lichamelijk letsel en een aantasting in de eer of goede naam niet is gebleken, resteert aantasting van de persoon op ander wijze. Wil de benadeelde aanspraak maken op vergoeding van schade via deze weg, dan kan dat via twee routes (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793), namelijk:
als sprake is van door het bewezenverklaarde strafbare feit ontstaan geestelijk letsel. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aandragen op grond waarvan dit naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376);
zonder geestelijk letsel, wanneer de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen voor de benadeelde partij dat meebrengen;
a. waarbij het dan allereerst gaat om situaties waarin de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting;.
b. en waar buiten die (uitzonderlijke) situaties de benadeelde partij de aantasting in persoon met concrete gegevens zal moeten onderbouwen.
De rechtbank constateert dat de onderbouwing van de vordering grotendeels een beschrijving van de gebeurtenissen, het strafbare feit zelf, bevat en waarbij slechts summier de gevolgen voor de benadeelden zijn beschreven. De benadeelde [benadeelde partij 1] heeft die gevolgen, voor zover het hemzelf en niet zijn familieleden betreft, beschreven als een mentale impact, extra voorzichtigheid en angst. De benadeelde [benadeelde partij 2] heeft vooral beschreven wat en met wie hij de gebeurtenissen heeft besproken, maar concrete gevolgen, behalve onrust toen de verdachte nog niet was aangehouden, ontbreken.
Voormelde onderbouwingen kunnen niet leiden tot de vaststelling van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven. Dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting, is in deze casus naar het oordeel van de rechtbank niet aan orde. En in zo’n geval zal die aantasting met concrete gegevens onderbouwd moeten zijn. Zoals hiervoor al is gebleken, voldoet die onderbouwing daar niet aan.
De rechtbank realiseert zich dat beide benadeelden op het moment van de gebeurtenissen doodsangsten hebben uitgestaan. Die enkele angst, en onrust achteraf, zijn echter niet voldoende om de wettelijke “drempel” voor immateriële schadevergoeding te bereiken. Dat leidt ertoe dat de rechtbank de benadeelden niet-ontvankelijk moet verklaren in hun vordering.
9. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 21 februari 2024 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 20 uren.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting alsnog geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, zodat die na ommekomst van een gevangenisstraf nog als stok acht de deur zal resteren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft het oordeel aan de rechtbank overgelaten.
Het oordeel van de rechtbank
Nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, is in beginsel de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf op zijn plaats. Toch zal de rechtbank de vordering afwijzen overeenkomstig het gewijzigde standpunt van de officier van justitie.
10. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen:
11. De beslissing
Vrijspraak
De rechtbank:
Partiële nietigheid
- verklaart de dagvaarding in de zaak 03.108319.25 partieel nietig, voor zover het betreft de zinsnede “en/of [bijrijdster verdachte] (bijrijdster van verdachte in de door hem bestuurde personenauto)” zoals opgenomen in feit 1 primair en subsidiair in de zaak 03.108319.25;
- spreekt de verdachte vrij van het in de zaak 96.370256.24 ten laste gelegde;
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Bijkomende straf
- ontzegt de verdachte voor feit 1 primair in de zaak 03.108319.25 de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaren;
Benadeelde partijen (in feit 1 in de zaak 03.108319.25)
Vordering tenuitvoerlegging
- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03.214091.23 van de officier van justitie van 19 januari 2026.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Bax, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en
mr. M. el Jerrari, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 maart 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat
in de zaak 03.108319.25 feit 1 primair:
hij, op of omstreeks 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[benadeelde partij 1] (inspecteur bij de Eenheid Limburg) en/of [benadeelde partij 2] (aspirant bij de Eenheid Limburg) en/of [bijrijdster verdachte] (bijrijdster van verdachte in de door hem bestuurde personenauto) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet,
- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto rijdend met een hoge snelheid (ongeveer 100 kilometer per uur), althans enige snelheid, en/of zonder te remmen is ingereden op en/of is gereden in de richting van een dienstvoertuig met daarin voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] (terwijl zij met het dienstvoertuig een blokkade vormde(n) op de rijbaan),
- ( vervolgens) het voornoemde dienstvoertuig (zeer dicht) heeft genaderd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in de zaak 03.108319.25 feit 1 subsidiair:
hij, op of omstreeks 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [benadeelde partij 1] (inspecteur bij de Eenheid Limburg) en/of [benadeelde partij 2] (aspirant bij de Eenheid Limburg) en/of [bijrijdster verdachte] (bijrijdster van verdachte in de door hem bestuurde personenauto) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,
- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto rijdend met een hoge snelheid (ongeveer 100 kilometer per uur), althans enige snelheid, en/of zonder te remmen is ingereden op en/of is gereden in de richting van een dienstvoertuig met daarin voornoemde [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] (terwijl zij met het dienstvoertuig een blokkade vormde(n) op de rijbaan),
- ( vervolgens) het voornoemde dienstvoertuig (zeer dicht) heeft genaderd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in de zaak 03.108319.25 feit 2:
hij, op of omstreeks 21 maart 2025 te Ottersum, gemeente Gennep, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Bredeweg en/of de Horsterweg, een motorrijtuig, (een personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;
in de zaak 96.052681.25:
hij, op of omstreeks 28 januari 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Molenweg, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;
in de zaak 96.370256.24:
hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Siebengewald, gemeente Bergen (L) een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis en/of cocaïne en/of alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 1,5 microgram tetrahydrocannabinol (THC) per liter bloed en/of 250 microgram cocaïne per liter bloed en/of 0,22 milligram ethanol/alcohol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.