RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11930140 \ CV EXPL 25-4478
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
de vereniging [V.V.E.],
statutair gevestigd te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CASA B.V.,
statutair gevestigd te Roermond,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Casa,
gemachtigde: mr. T.G.M. Scheers.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek tevens houdende een wijziging van eis,- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Casa is eigenaresse van het appartementsrecht, staande en gelegen aan [adres] . Casa is van rechtswege lid van de VvE.
De VvE heeft bij diverse vergaderbesluiten, overeenkomstig de bepalingen in de splitsingsakte en het (model)regelement, de door de appartementseigenaars te betalen maandelijkse voorschotbijdragen in de kosten van beheer en onderhoud van het appartementencomplex vastgesteld.
De maandelijkse voorschotbijdrage bedraagt € 775,92 per maand.
De gemachtigde van de VvE heeft Casa bij brieven van 10 juli 2025 (bedrag ad
€ 775,92 over de maand juli 2025) en 1 augustus 2025 (bedrag ad € 1.551,84 over de maanden juli en augustus 2025) gesommeerd om tot betaling van deze bedragen over te gaan.
Casa heeft op 4 september 2025 drie betalingen gedaan van elk € 775,92 (totaal
€ 2.327,76) door middel van overboeking van deze bedragen naar het bankrekeningnummer van de VvE.
Op 30 september 2025 heeft de VvE het volledige bedrag van totaal € 2.327,76 teruggestort naar Casa. De VvE heeft Casa bij e-mail van 30 september 2025 meegedeeld dat de betaling niet kon worden geaccepteerd omdat het dossier inmiddels was overgedragen aan haar gemachtigde Rijssenbeek Advocaten. Daarbij heeft de VVE tevens medegedeeld dat het incassotraject reeds was opgestart en dat hiervoor kosten waren gemaakt en dat, indien de betaling niet via haar gemachtigde zou lopen, deze kosten niet konden worden verhaald.
Vervolgens heeft de VvE deze procedure aanhangig gemaakt.
3. Het geschil
De VvE vordert, na haar eis bij conclusie van repliek te hebben vermeerderd, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Casa veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 5.078,00 (inclusief de buitengerechtelijke incassokosten ad
€ 422,48) met veroordeling van Casa in de proceskosten.
Casa voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering een en ander met veroordeling van de VVE in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
4. De beoordeling
De wijziging van eis
De VvE heeft bij conclusie van repliek haar eis vermeerderd. Casa heeft geen bezwaar gemaakt tegen die eisvermeerdering als zodanig. Wel heeft Casa inhoudelijk verweer gevoerd. Gelet hierop en op het feit dat de kantonrechter ook geen aanleiding ziet om de eiswijziging op de voet van artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) ambtshalve buiten beschouwing te laten, zal de kantonrechter bij de beoordeling rekening houden met de vermeerdering van eis.
De voorschotten over juli, augustus en september 2025
De VvE legt aan haar vordering ten grondslag dat Casa als eigenaresse van het appartementsrecht gehouden is bij te dragen aan de kosten van de VvE en dat zij uit dien hoofde maandelijks een voorschot op die bijdrage is verschuldigd. Volgens de VvE heeft Casa de over de maanden juli, augustus en september 2025 verschuldigde voorschotten van € 775,92 per maand onbetaald gelaten.
Casa betwist niet dat zij als appartementseigenaresse een bedrag van € 775,92 per maand aan de VvE moet voldoen als voorschot op de bijdrage in de kosten van de VvE. Zij betoogt dat zij de verschuldigde voorschotbijdragen over juli, augustus en september 2025 op 4 september 2025 heeft betaald. Ter onderbouwing daarvan heeft zij betalingsbewijzen overgelegd. Volgens Casa heeft de VvE de ontvangen bedragen vervolgens op 30 september 2025 teruggestort en heeft de VvE mede gedeeld dat de betaling niet kon worden geaccepteerd, omdat de incassokosten niet zouden kunnen worden verhaald in het geval de betaling niet via de derdengeldenrekening van haar advocaat zou plaatsvinden. Vervolgens heeft de VvE Casa op 7 oktober 2025 gedagvaard, aldus nog steeds Casa. Volgens Casa is sprake van misbruik van recht en moet de vordering integraal worden afgewezen, althans in ieder geval voor zover deze strekt tot betaling van incassokosten en proceskosten.
Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat partijen op grond van het bepaalde in artikel 21 Rv verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit houdt onder andere in dat een partij geen feiten mag achterhouden waardoor de rechter en de wederpartij op het verkeerde been worden gezet. Hieronder valt ook de situatie waarin een partij slechts een deel van het verhaal vertelt en enkel de daarbij behorende stukken overlegt. De verplichting tot volledigheid is immers een belangrijk aspect van de waarheidsplicht. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
De rechter mag ambtshalve beoordelen of één van de dan wel beide partijen in strijd hebben gehandeld met de in artikel 21 Rv neergelegde verplichting. Ook mag hij hieraan, ook zonder dat partijen daarover specifiek hebben gedebatteerd, de gevolgen verbinden die in overeenstemming zijn met de aard en de ernst van deze schending. Een verrassingsbeslissing kan dit niet opleveren, tenzij uit het processuele debat blijkt dat partijen met een dergelijke beslissing en de gevolgen daarvan geen rekening behoefden te houden (Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675). In dit geval is geen sprake van een verrassingsbeslissing. De gestelde handelwijze van de VvE maakt immers deel uit van het partijdebat, waarbij Casa heeft bepleit dat sprake is van misbruik van recht. De VvE heeft hierop kunnen reageren en heeft, gelet op het betoog van Casa, rekening ermee kunnen houden dat de kantonrechter de gestelde handelwijze zou toetsen aan artikel 21 Rv en daaraan eventueel consequenties zou kunnen verbinden.
De kantonrechter constateert dat de VvE in de inleidende dagvaarding stelt dat Casa de voorschotbijdragen over de maanden juli, augustus en september 2025 onbetaald heeft gelaten en daarmee niet heeft voldaan aan de op haar rustende betalingsverplichting. Ook stelt de kantonrechter vast dat de VvE in de inleidende dagvaarding niet heeft gesteld dat Casa de voorschotten op 4 september 2025 heeft voldaan en dat zij deze vervolgens, vóór het uitbrengen van het exploot van dagvaarding op 7 oktober 2025, op 30 september 2025 heeft teruggestort. Verder stelt de kantonrechter vast dat de VvE bij conclusie van repliek niet heeft bestreden dat dit wel de feitelijke gang van zaken is geweest. Integendeel. Zij stelt bij conclusie van repliek dat zij ervoor heeft gekozen om de betalingen “te retourneren” (voor de kantonrechter is overigens niet duidelijk hoe de VvE deze handelwijze in juridische zin kwalificeert), omdat in de sommaties aan Casa is medegedeeld dat de betalingen moesten worden voldaan op de derdengeldenrekening van de advocaat van de VvE.
Door in de inleidende dagvaarding te stellen dat de voorschotbijdragen onbetaald zijn gebleven zonder melding te maken van de betalingen door Casa en het terugstorten daarvan door de VvE, heeft de VvE de voor de beoordeling van het geschil relevante feiten niet volledig naar voren gebracht. Door een en ander niet te vermelden, heeft de VvE bij aanvang van de procedure een onvolledige en deels onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Het had op de weg van de VvE gelegen de feitelijke gang van zaken in de inleidende dagvaarding uiteen te zetten en te stellen dat en op grond waarvan de mededeling in de sommaties, dat betaald moet worden door middel van overboeking van de voorschotbijdragen naar de derdengeldenrekening van de advocaat van de VvE, meebrengt dat Casa niet meer bevrijdend aan de VvE kon betalen. Dát Casa niet meer bevrijdend aan de VvE kon betalen is in de sommaties overigens niet vermeld. Ook had het, als zij daadwerkelijk meent dat dit standpunt steun vindt in het recht, op de weg van de VvE gelegen om te stellen dat en op grond waarvan het terugstorten van de betaling noodzakelijk was om in deze procedure aanspraak te kunnen maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de VvE in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 21 Rv. In de aard en ernst van de schending ziet de kantonrechter aanleiding de vordering voor zover deze strekt tot betaling van de voorschotten over de maanden juli tot en met september 2025 én voor zover deze strekt tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, bij eindvonnis af te wijzen.
De voorschotten over november en december 2025 en januari 2026
Bij conclusie van repliek heeft de VvE haar eis vermeerderd in die zin dat zij tevens betaling vordert van de voorschotbijdragen over de maanden november en december 2025 en januari 2026. Casa voert daartegen verweer. Zij stelt bij conclusie van dupliek dat ook de bijdragen over deze maanden inmiddels zijn betaald.
Nu Casa zich op het rechtsgevolg van haar stelling beroept, rust op haar op grond van artikel 150 Rv de bewijslast daarvan. De kantonrechter zal Casa daarom in de gelegenheid stellen om bij akte door middel van verificatoire bescheiden aan te tonen dat zij de voorschotten over de maanden november en december 2025 en januari 2026 heeft voldaan. De VvE zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld bij akte hierop te reageren.
Slotsom
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing, waaronder ook de beslissing over de proceskosten, aan in afwachting van het nemen van een akte door Casa over hetgeen hiervoor onder 4.10. is overwogen.
5. De beslissing
De kantonrechter:
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 15 april 2026 voor het nemen van een akte door Casa, een en ander zoals hiervoor onder 4.10. is overwogen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.