RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.229469.25
tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2001,
thans gedetineerd in de [P.I.] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.N.M. Lousberg, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partijen is op de zitting gehoord een medewerker van Slachtofferhulp Nederland. Voorts was de dochter van de benadeelde partij [slachtoffer 2] aanwezig. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
samen met anderen:
Feit 1: op 21 augustus 2025 in Meerssen [slachtoffer 1] heeft opgelicht;
Feit 2: op 26 augustus 2025 in Echt heeft geprobeerd om [slachtoffer 4] op te lichten;
Feit 3: op 27 augustus 2025 in Echt heeft geprobeerd om [slachtoffer 5] op te lichten;
Feit 4: op 29 augustus 2025 in Geulle [slachtoffer 3] heeft opgelicht;
Feit 5: op 29 augustus 2025 in Echt [slachtoffer 2] heeft opgelicht;
Feit 6: op 21 augustus 2025 in Berg en Terblijt geld van [slachtoffer 1] heeft gestolen, door te pinnen met zijn middels oplichting verkregen pinpassen;
Feit 7: op 29 augustus 2025 in Echt geld van [slachtoffer 2] heeft gestolen, door te pinnen met haar middels oplichting verkregen pinpas.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten 1 tot en met 7
De rechtbank acht de feiten 1 tot en met 7 wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte deze feiten ter terechtzitting heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
- de aangifte van [slachtoffer 1] ;
- de aangifte van [slachtoffer 4] ;
- de aangifte van [slachtoffer 5] ;
- de aangifte van [slachtoffer 3] ;
- de aangifte van [slachtoffer 2] .
De hierboven opgenomen bewijsmiddelen worden steeds gebruikt voor het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. feit 1
op 21 augustus 2025 te Meerssen
tezamen en in vereniging met anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of
door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten afgifte van bankpassen
en bijbehorende pincodes en een telefoon,
door
-die [slachtoffer 1] op te bellen en zich voor te doen als een bank- en politiemedewerker,
-die [slachtoffer 1] te vertellen dat er meerdere fraude-incidenten hadden plaatsgevonden
in Meerssen,
-die [slachtoffer 1] een code, te geven,
-naar de woning van die [slachtoffer 1] te gaan en/of zich voor te doen als bank- en/of
politiemedewerker,
-voornoemde code, aan die [slachtoffer 1] door te geven
en
-een envelop met bankpassen en andere waardevolle goederen van die [slachtoffer 1] aan te nemen;
T.a.v. feit 2
op 26 augustus 2025 te Echt
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel
van verdichtsels,
[slachtoffer 4] te bewegen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de afgifte van bankpassen en bijbehorende pincodes en een hoeveelheid contant geld en sieraden,
-die [slachtoffer 4] heeft gebeld en zich (daarbij) heeft voorgedaan als een bank- en/of
politiemedewerker,
-tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd dat er criminelen actief waren in de omgeving Echt,
-tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd dat iemand bankpassen en een hoeveelheid contant geld en sieraden op zou komen halen,
-aan die [slachtoffer 4] de bijbehorende pincodes heeft gevraagd en
-naar de woning van die [slachtoffer 4] is gegaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 3
op 27 augustus 2025 te Echt
tezamen en in vereniging met anderen,
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel
van verdichtsels,
[slachtoffer 5] te bewegen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de afgifte van bankpassen en bijbehorende pincodes en sieraden en
andere waardevolle goederen,
-die [slachtoffer 5] heeft gebeld en zich (daarbij) heeft voorgedaan als een bank- en/of
politiemedewerker,
-tegen die [slachtoffer 5] heeft gezegd dat er sprake was van mogelijke oplichting en dat er
een lijst met zijn gegevens was aangetroffen bij criminelen,
-tegen die [slachtoffer 5] heeft gezegd dat iemand bankpassen en een hoeveelheid contant geld en sieraden en andere waardevolle goederen op zou komen halen,
-aan die [slachtoffer 5] de bijbehorende pincodes heeft gevraagd,
-aan die [slachtoffer 5] een code heeft gegeven en
-naar de woning van die [slachtoffer 5] is gegaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 4
op 29 augustus 2025 te Geulle, gemeente Meerssen
tezamen en in vereniging met anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of
door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de afgifte van bankpassen en bijbehorende pincodes en een hoeveelheid contant geld en sieraden en andere waardevolle goederen,
door
-die [slachtoffer 3] op te bellen en zich voor te doen als een bank- en/of politiemedewerker,
-die [slachtoffer 3] te vertellen dat iemand de bankpassen en een hoeveelheid contant geld en sieraden en andere waardevolle goederen op zou komen halen,
-aan die [slachtoffer 3] de bijbehorende pincodes te vragen,
-die [slachtoffer 3] een code, te geven,
-naar de woning van die [slachtoffer 3] te gaan,
-voornoemde code, aan die [slachtoffer 3] door te geven
en
- enveloppen met bankpassen en andere waardevolle goederen van die [slachtoffer 3] aan te nemen;
T.a.v. feit 5
op 29 augustus 2025 te Echt, gemeente Echt-Susteren
tezamen en in vereniging met anderen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en/of
door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de afgifte van bankpassen en een hoeveelheid contant geld en sieraden en
waardevolle goederen, door
-die [slachtoffer 2] op te bellen en zich voor te doen als een bank- en/of politiemedewerker,
-die [slachtoffer 2] te vertellen dat er meerdere mensen in de omgeving Echt gehackt waren,
waaronder die [slachtoffer 2] en haar dochter,
-die [slachtoffer 2] te vertellen dat iemand bankpassen en een hoeveelheid contant geld en sieraden en waardevolle goederen op zou komen halen,
-aan die [slachtoffer 2] de bijbehorende pincodes te vragen,
-die [slachtoffer 2] een code, te geven,
-naar de woning van die [slachtoffer 2] te gaan en zich voor te doen als politiemedewerker,
-voornoemde code, aan die [slachtoffer 2] door te geven
en
-bankpassen en waardevolle goederen van die [slachtoffer 2] aan te nemen;
T.a.v. feit 6
op 21 augustus 2025 te Berg en Terblijt
tezamen en in vereniging met anderen,
meerdere geldbedragen, die aan [slachtoffer 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse
sleutel, door met de middels oplichting verkregen bankpassen (met bijbehorende pincodes) op naam van die [slachtoffer 1] , geldbedragen te pinnen bij een geldautomaat;
T.a.v. feit 7
op 29 augustus 2025 te Echt, gemeente Echt-Susteren
tezamen en in vereniging met anderen,
een hoeveelheid geld die aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel door met de middels oplichting verkregen bankpas (met bijbehorende pincode) op naam van die [slachtoffer 2] , een geldbedrag te pinnen bij een geldautomaat.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
T.a.v. feiten 1, 4 en 5, telkens:
medeplegen van oplichting
T.a.v. feiten 2 en 3, telkens:
medeplegen van poging tot oplichting
T.a.v. feiten 6 en 7, telkens:
diefstal, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het reclasseringsadvies van 24 februari 2026.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om – indien wordt uitgegaan van de door de officier van justitie gevorderde 22 maanden – de helft daarvan voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden. Volgens de raadsvrouw is het namelijk van groot belang dat de verdachte een forse stok achter de deur heeft.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich in een periode van enkele dagen samen met anderen schuldig gemaakt aan (poging tot) oplichting van vijf slachtoffers. Deze slachtoffers waren ten tijde van de feiten 75 tot 84 jaar. Bij ieder slachtoffer werd ongeveer dezelfde methode gebruikt.
De slachtoffers werden door een onbekend/anoniem telefoonnummer op hun vaste telefoonnummer gebeld. De persoon aan de lijn deed zich voor als een fraude- of bank- of politiemedewerker en vertelde hen dan dat er iets was gebeurd. Zo kregen slachtoffers bijvoorbeeld te horen dat hun gegevens bij criminelen zijn aangetroffen of dat zij gehackt zijn. Een man zou daarom hun pinpassen, sieraden, geld en andere waardevolle spullen komen ophalen. Soms kregen de slachtoffers ook nog iemand anders aan de lijn die zogenaamd van de bank of de politie was. Vervolgens kwam de verdachte aan de deur bij de slachtoffers om de spullen op te halen. Bij drie slachtoffers is het gelukt om hen op deze manier op te lichten. Bij twee slachtoffers is het tot een poging daartoe gebleven. Eén van hen kreeg zelf argwaan en bij de ander hebben de zoon en buurtbewoners tijdig kunnen ingrijpen om de afgifte van de bankpassen en andere waardevolle spullen te voorkomen. De verdachte heeft daarnaast met de pinpassen van twee slachtoffers geld gepind.
Oplichting door middel van dergelijke babbeltrucs is een steeds meer voorkomende vorm van criminaliteit. De slachtoffers zijn vaak (kwetsbare) ouderen die door de verdachten worden overrompeld met de mededeling dat zij snel moeten handelen om hun geld, sieraden en andere waardevolle spullen veilig te stellen. De slachtoffers geven deze spullen in goed vertrouwen mee om er vervolgens achter te komen dat zij slachtoffer van oplichting zijn geworden. Dit zorgt bij de slachtoffers voor gevoelens van angst, stress en schaamte. Als gevolg hiervan wordt ook het vertrouwen van de slachtoffers in anderen, waaronder de politie en andere instanties, ernstig geschaad. Dit terwijl ouderen nu juist in toenemende mate afhankelijk zijn van anderen. Extra pijnlijk is dat vaak sieraden met een grote emotionele waarde op deze wijze afhandig worden gemaakt.
De verdachte heeft verklaard dat hij niet uit eigen wil heeft gehandeld, maar dat hij door anderen is gedwongen om de feiten te plegen. Volgens de verdachte hebben deze personen hem in augustus 2025 een bericht gestuurd dat hij de feiten moest gaan plegen om zijn schuld bij hen af te lossen. Omdat die personen wisten waar zijn familie woonde, voelde het voor de verdachte alsof hij geen andere keus had. De verdachte moest telkens alle spullen die hij bij de slachtoffers had opgehaald bij die personen afgeven. De verdachte heeft verder verklaard dat de oplichting van het slachtoffer van feit 5 de laatste keer zou zijn, omdat zijn schuld dan zou zijn afbetaald. De rechtbank vindt deze verklaring van de verdachte niet geloofwaardig. Toen de verdachte op 29 augustus 2025 is aangehouden, heeft de politie namelijk een envelop met 1300 euro, en een tablet van het slachtoffer van feit 4 bij hem aangetroffen. Dit terwijl de verdachte op de zitting heeft verklaard dat hij telkens meteen alle spullen van de slachtoffers had afgegeven aan de personen die hem dwongen om deze feiten te plegen en hij tussen de feiten 4 en 5 al bij die personen langs was geweest. De rechtbank baseert de straftoemeting op het gegeven dat de verdachte uit winstbejag handelde.
Uit het strafblad van de verdachte van 27 januari 2026 volgt dat de verdachte in 2023 twee keer is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De verdachte heeft hier een gevangenisstraf van 6 weken en een gevangenisstraf van 225 dagen voor gekregen. Verder blijkt uit het strafblad dat de verdachte in 2025 in België is veroordeeld voor fraude en deelneming aan een criminele organisatie. Aan de verdachte is toen een gevangenisstraf van 2 jaren waarvan 1 jaar en 71 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren opgelegd. De verdachte heeft verklaard dat dit één lange reeks van dezelfde delicten met dezelfde mededaders was. Uit de pleegdatums en pleegplaatsen concludeert de rechtbank dat deze groep van 1 april 2022 tot en met 31 augustus 2022 in België en vanaf 7 september 2022 tot en met 3 oktober 2022 in Nederland heeft geopereerd, eerst in Noord-Brabant, toen in Zuid-Limburg, daarna in de Achterhoek en tot slot in Zeeland. Tussen 12 december 2022 en enig moment in 2024 heeft de verdachte zijn straffen hiervoor uitgezeten. In augustus 2025 komt hij vervolgens weer in beeld voor de reeks delicten waar deze zaak over gaat. Deze eerdere veroordelingen en het feit dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten dus nog in een Belgische proeftijd liep, hebben hem er niet van weerhouden om weer terug te vallen in soortgelijk delictgedrag.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het reclasseringsrapport van 24 februari 2026. Hierin staat dat de ontwikkeling van verdachte al sinds jeugdige leeftijd een zeer zorgwekkend beeld laat zien ten aanzien van de (gewetens)ontwikkeling en gedragingen. Hij viel op school op door negatief ernstig verstorend gedrag. Hij is twee keer van school verwijderd en heeft geen startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. Ook de laatste jaren heeft hij zijn leven niet op orde gekregen. Hij werkte vrijwel niet, er waren financiële problemen en de nodige justitiecontacten. De verdachte heeft inmiddels wel een vriendin en zij staan beiden open voor verdere begeleiding van de reclassering en de gemeente. Wat de reclassering betreft is er sprake van een wankel evenwicht. De verdachte heeft nog steeds schulden en heeft geen werk. Voor de reclassering is het vooralsnog onduidelijk in hoeverre de verdachte in staat geacht kan worden en bereid is te veranderen. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Ondanks meerdere veroordelingen en de opbouw van schijnbaar enige stabiliteit komt de verdachte toch opnieuw in beeld bij justitie. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding, aflossing van schulden en toestemming om referenten te spreken.
Gelet op het reclasseringsrapport vindt de rechtbank het van groot belang om naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook een voorwaardelijk deel op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De verdachte heeft aangegeven zich hieraan te willen houden.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Om een voorwaardelijk strafdeel zo effectief mogelijk te laten zijn, acht de rechtbank een proeftijd voor de duur van 3 jaren noodzakelijk.
7. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 2.725,00. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
geld afschreven van de bankrekeningen: € 2.000,00
opnamekosten creditcard: € 120,00
mobiele telefoon: € 59,50
SIM-kaart: € 10,00
immateriële schade: € 535,50.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de materiële schade (posten a. tot en met d.) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade (post e.) heeft de raadsvrouw gesteld dat deze schade als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen. De benadeelde partij heeft niet met concrete gegevens onderbouwd dat sprake is van ‘aantasting in zijn persoon op andere wijze’ en dat kan ook niet zonder meer uit de aard en het handelen van de verdachte worden afgeleid.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten 1 en 6 rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.189,50 (posten a. tot en met d.). De vordering is in zoverre ook niet weersproken door de verdediging. De bedragen van deze schadeposten komen de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voor, waardoor zij dit deel van de vordering toewijsbaar acht.
Immateriële schade
Juridisch kader
De rechtbank dient een verzoek tot vergoeding van immateriële schade te beoordelen aan de hand van artikel 6:106 BW. Op grond van dit artikel zijn er drie gevallen waarin een benadeelde partij een wettelijk recht heeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van het handelen van een verdachte. Een van die gevallen is wanneer er sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW.
Aantasting van de persoon op andere wijze kan juridisch gezien worden aangenomen in het geval dat:
de benadeelde met voldoende concrete gegevens heeft onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel, of
sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de aard en de ernst van de normschending door de verdachte meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting, of
3. de benadeelde dit met concrete gegevens heeft onderbouwd.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ niet reeds sprake is bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Beoordeling
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade gebaseerd op het geval als hierboven genoemd onder 2. De rechtbank moet daarom als eerste beoordelen of sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie waarin de aard en de ernst van het handelen van de verdachte dusdanig was dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat hieruit een aantasting in de persoon kan worden afgeleid. Naar het oordeel van de rechtbank kan de aard en de ernst van het handelen van de verdachte – hoe kwalijk en verwerpelijk ook – niet worden gelijkgesteld met de aard en de ernst van de normschendingen in de door de Hoge Raad erkende uitzonderlijke situaties. Dat betekent dat geen sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie. De rechtbank beoordeelt daarom of de benadeelde partij de persoonsaantasting met concrete gegevens heeft onderbouwd en of dus sprake is van het geval als hierboven genoemd onder 3. De benadeelde partij heeft gesteld dat hij zich schuldig voelt dat hij is opgelicht en dat zijn vertrouwen in anderen is beschadigd. Hoe begrijpelijk dit ook is, naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij hiermee niet onderbouwd dat sprake is van een aantasting van zijn persoon zoals door de wetgever bedoeld. De vordering is daarom op dit punt onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat – met deze stellingen van de benadeelde partij – op dit moment juridisch gezien geen aantasting van de persoon kan worden aangenomen of vastgesteld. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren wanneer de benadeelde partij nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld om de aantasting in de persoon toe te lichten. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2025 tot de dag van volledige voldoening. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 1.626,00. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
gouden armband: € 500,00
kierstandhouder: € 15,00
reiskosten: € 9,00
videodeurbel: € 52,00
contant geld: € 250,00
immateriële schade: € 800,00.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de reiskosten en het geld (posten c. en e.) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de kierstandhouder en de videodeurbel (posten b. en d.) heeft de raadsvrouw gesteld dat deze schade moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van een voldoende rechtstreeks verband. De schade voor de gouden armband (post a.) moet als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. Dat geldt ook voor de immateriële schade (post f.). De benadeelde partij heeft niet met concrete gegevens onderbouwd dat sprake is van ‘aantasting in haar persoon op andere wijze’ en dat kan ook niet zonder meer uit de aard en het handelen van de verdachte worden afgeleid.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het BW, voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het bewezenverklaarde feit 5 en 7 rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 259,00 (posten c. en e.). De vordering is in zoverre ook niet weersproken door de verdediging. Het bedrag komt de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voor, waardoor zij dit deel van de vordering toewijsbaar acht.
De schade die bestaat uit het verlies van de gouden armband (post a.) zal de rechtbank ook toewijzen. Op grond van de onderbouwing in (de bijlagen bij) het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht acht de rechtbank die schade aannemelijk. Uit die onderbouwing volgt namelijk dat een juwelier op basis van een foto van de armband heeft aangegeven dat de prijs bij goud kan variëren van € 500,00 tot € 1.500,00. De benadeelde is in haar vordering op die ondergrens gaan zitten. De benadeelde heeft daarnaast meerdere foto’s van de gouden armband overgelegd.
Het gevorderde bedrag voor de kosten van de kierstandhouder en de videodeurbel (posten b. en d.) komt niet voor vergoeding in aanmerking. Het is goed te begrijpen dat de benadeelde naar aanleiding van het bewezenverklaarde maatregelen heeft genomen om zich veiliger in haar huis te voelen. Deze investering kan echter niet in redelijkheid worden toegerekend aan het delict. De Hoge Raad staat dit namelijk alleen toe bij situaties als langdurige en gevaarlijke stalking, waarin een herhaaldelijke terugkeer van de dader te verwachten valt. De rechtbank zal de benadeelde daarom voor deze schadeposten niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
Voor het juridisch kader met betrekking tot de gevorderde immateriële schade verwijst de rechtbank naar kopje 7.1.3 hierboven.
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft haar vordering tot vergoeding van immateriële schade gebaseerd op het geval dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de aard en de ernst van het handelen van de verdachte dusdanig was dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat hieruit een aantasting in de persoon kan worden afgeleid. Dat zal de rechtbank daarom als eerste beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de aard en de ernst van het handelen van de verdachte – hoe kwalijk en verwerpelijk ook – niet worden gelijkgesteld met de aard en de ernst van de normschendingen in de door de Hoge Raad erkende uitzonderlijke situaties. Dat betekent dat geen sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie. De rechtbank beoordeelt daarom of de benadeelde partij de persoonsaantasting met concrete gegevens heeft onderbouwd.
De benadeelde partij heeft gesteld dat zij na de oplichting slecht sliep, dat zij zichzelf de schuld gaf en gedurende de eerste maand veel aan het piekeren was. Zij voelde schaamte en was bang om geconfronteerd te worden met vragen of verwijten van anderen. De benadeelde heeft nog steeds een angstgevoel en heeft minder vertrouwen in mensen. Het is goed te bevatten dat de oplichting deze gevolgen voor de benadeelde heeft (gehad). De benadeelde heeft hiermee echter niet onderbouwd dat sprake is van een aantasting van haar persoon zoals bedoeld door de wetgever. De vordering is daarom op dit punt onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat – met deze stellingen van de benadeelde partij – op dit moment juridisch gezien geen aantasting van de persoon kan worden aangenomen. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren wanneer de benadeelde partij nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld om de aantasting in de persoon toe te lichten. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde partij ook dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025 tot de dag van volledige voldoening. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 4.300,00. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
contant geld: € 1.000,00
zeven stuks (voornamelijk) gouden sieraden: € 2.500,00
immateriële schade: € 800,00.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft het geld (post a.) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de sieraden (post b.) heeft de raadsvrouw gesteld dat deze schade als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen, dan wel moet worden gematigd. De immateriële schade (post c.) dient volgens de raadsvrouw als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. De benadeelde partij heeft niet met concrete gegevens onderbouwd dat sprake is van ‘aantasting in haar persoon op andere wijze’ en dat kan ook niet uit zonder meer de aard en het handelen van de verdachte worden afgeleid.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het BW, voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van het bewezen verklaarde feit 4 rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,00 (post a.). De vordering is in zoverre ook niet weersproken door de verdediging. Het bedrag komt de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voor, waardoor zij dit deel van de vordering toewijsbaar acht.
Dit is anders voor het gevorderde bedrag van de schade aan de sieraden (post b.). Uit het dossier volgt namelijk niet zonder meer dat de benadeelde schade heeft geleden voor dit bedrag als gevolg van het bewezenverklaarde. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat door de verdachte zeven stuks sieraden zijn weggenomen, maar niet dat dit (voornamelijk) gouden sieraden waren en wat de grootte of het gewicht hiervan was. Deze schade is op dit moment dus onvoldoende onderbouwd. Aangezien al die informatie over de sieraden onbekend is, is het voor de rechtbank ook niet mogelijk om de schade ex artikel 6:97 BW te schatten. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren wanneer de benadeelde partij nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld om de schade toe te lichten. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor de schade aan de sieraden niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Immateriële schade
Voor het juridisch kader met betrekking tot de gevorderde immateriële schade verwijst de rechtbank naar kopje 7.1.3 hierboven.
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft haar vordering tot vergoeding van immateriële schade gebaseerd op het geval dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de aard en de ernst van het handelen van de verdachte dusdanig was dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat hieruit een aantasting in de persoon kan worden afgeleid. Dat zal de rechtbank daarom als eerste beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de aard en de ernst van het handelen van de verdachte – hoe kwalijk en verwerpelijk ook – niet worden gelijkgesteld met de aard en de ernst van de normschendingen in de door de Hoge Raad erkende uitzonderlijke situaties. Dat betekent dat geen sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie. De rechtbank beoordeelt daarom of de benadeelde partij de persoonsaantasting met concrete gegevens heeft onderbouwd.
De benadeelde partij heeft gesteld dat zij door de oplichting achterdochtig is gebleven, dat zij zich schaamt, haar vertrouwen in anderen is beschadigd en zij moeilijker in slaap valt. Verder noemt de benadeelde partij dat zij het er moeilijk mee heeft dat zij de sieraden niet meer zal terugzien. Deze sieraden waren van haar overleden moeder en hadden dan ook een grote emotionele waarde. Deze door de benadeelde genoemde gevolgen zijn heel begrijpelijk. De rechtbank kan zich ook goed voorstellen dat de sieraden een grote emotionele waarde voor de benadeelde hadden. De benadeelde heeft hiermee echter niet onderbouwd dat sprake is van een aantasting van haar persoon zoals bedoeld door de wetgever. De vordering is daarom op dit punt onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat – met deze stellingen van de benadeelde partij – op dit moment juridisch gezien geen aantasting van de persoon kan worden aangenomen. Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren wanneer de benadeelde partij nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld om de aantasting in de persoon toe te lichten. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde partij ook dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025 tot de dag van volledige voldoening. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op te leggen.
8. Het beslag
Onder de verdachte zijn verdovende middelen (goednummer: 1834692) en een Xiaomi Redmi telefoon (goednummer: 1834666) in beslag genomen.
De rechtbank zal de verdovende middelen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De telefoon zal de rechtbank verbeurd verklaren. Met behulp van die telefoon heeft de verdachte samen met zijn medeplegers de feiten gepleegd en deze telefoon daarvoor aan hem is gegeven.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 45, 47, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. De beslissing
[slachtoffer 2]
[slachtoffer 3]
Beslag
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
[slachtoffer 1]
- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:
1 Xiaomi Redmi telefoon (1834666);
- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:
- verdovende middelen (1834692).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Vijn, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. N.P.J. van de Pasch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Tubée, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 maart 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 21 augustus 2025 te Meerssen, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of
door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een
dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of
het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van een of meerdere bankpassen
en/of een of meerdere bijbehorende pincodes en/of een of meerdere telefoons,
door
-die [slachtoffer 1] op te bellen en zich voor te doen als een bank- en/of
politiemedewerker,
-die [slachtoffer 1] te vertellen dat er meerdere fraude-incidenten hadden plaatsgevonden
in Meerssen,
-die [slachtoffer 1] te vertellen dat zijn gegevens aan waren getroffen bij criminelen,
-die [slachtoffer 1] te vertellen dat iemand de bankpassen en/of andere waardevolle
goederen en/of enveloppen met daarop en/of daarin de pincodes op zou komen
halen,
-die [slachtoffer 1] een beveiligingscode, althans enige code, te geven,
-naar de woning van die [slachtoffer 1] te gaan en/of zich voor te doen als bank- en/of
politiemedewerker,
-voornoemde beveiligingscode, althans enige code, aan die [slachtoffer 1] door te geven
en/of
-een envelop en/of tas met bankpassen en/of andere waardevolle goederen van die
[slachtoffer 1] aan te nemen;
2
hij op of omstreeks 26 augustus 2025 te Echt, gemeente Echt-Susteren, althans in
Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander
wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een
valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel
van verdichtsels,
[slachtoffer 4] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,
het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het
teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een of meerdere bankpassen
en/of een of meerdere bijbehorende pincodes en/of een hoeveelheid contant geld
en/of een of meerdere sieraden en/of andere waardevolle goederen,
-die [slachtoffer 4] heeft gebeld en/of zich (daarbij) heeft voorgedaan als een bank- en/of
politiemedewerker,
-tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd dat er criminelen actief waren in de omgeving Echt,
-tegen die [slachtoffer 4] heeft gezegd dat iemand een of meerdere bankpassen en/of een
hoeveelheid contant geld en/of een of meerdere sieraden op zou komen halen,
-aan die [slachtoffer 4] de bijbehorende pincodes heeft gevraagd en/of
-naar de woning van die [slachtoffer 4] is gegaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Echt, gemeente Echt-Susteren, althans in
Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander
wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een
valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel
van verdichtsels,
[slachtoffer 5] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,
het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het
teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een of meerdere bankpassen
en/of een of meerdere bijbehorende pincodes en/of een of meerdere sieraden en/of
andere waardevolle goederen,
-die [slachtoffer 5] heeft gebeld en/of zich (daarbij) heeft voorgedaan als een bank- en/of
politiemedewerker,
-tegen die [slachtoffer 5] heeft gezegd dat er sprake was van mogelijke oplichting en/of dat er
een lijst met zijn gegevens was aangetroffen bij criminelen,
-tegen die [slachtoffer 5] heeft gezegd dat iemand een of meerdere bankpassen en/of een
hoeveelheid contant geld en/of een of meerdere sieraden en/of andere waardevolle
goederen op zou komen halen,
-aan die [slachtoffer 5] de bijbehorende pincodes heeft gevraagd,
-aan die [slachtoffer 5] een beveiligingscode, althans enige code heeft gegeven en/of
-naar de woning van die [slachtoffer 5] is gegaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Geulle, gemeente Meerssen, althans in
Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of
door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een
dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of
het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een of meerdere
bankpassen en/of een of meerdere bijbehorende pincodes en/of een hoeveelheid
contant geld en/of een of meerdere sieraden en/of andere waardevolle goederen,
door
-die [slachtoffer 3] op te bellen en zich voor te doen als een bank- en/of
politiemedewerker,
-die [slachtoffer 3] te vertellen dat haar gegevens aan waren getroffen bij criminelen,
-die [slachtoffer 3] te vertellen dat iemand de bankpassen en/of een hoeveelheid contant
geld en/of een of meerdere sieraden en/of andere waardevolle goederen op zou
komen halen,
-aan die [slachtoffer 3] de bijbehorende pincodes te vragen,
-die [slachtoffer 3] een beveiligingscode, althans enige code, te geven,
-naar de woning van die [slachtoffer 3] te gaan en/of zich voor te doen als bank- en/of
politiemedewerker,
-voornoemde beveiligingscode, althans enige code, aan die [slachtoffer 3] door te geven
en/of
-een of meerdere enveloppen met bankpassen en/of andere waardevolle goederen
van die [slachtoffer 3] aan te nemen;
5
hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Echt, gemeente Echt-Susteren, althans in
Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of
door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,
het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het
teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een of meerdere bankpassen
en/of een hoeveelheid contant geld en/of een of meerdere sieraden en/of andere
waardevolle goederen, door
-die [slachtoffer 2] op te bellen en zich voor te doen als een bank- en/of politiemedewerker,
-die [slachtoffer 2] te vertellen dat er meerdere mensen in de omgeving Echt gehackt waren,
waaronder die [slachtoffer 2] en haar dochter,
-die [slachtoffer 2] te vertellen dat iemand een of meerdere bankpassen en/of een
hoeveelheid contant geld en/of een of meerdere sieraden en/of andere waardevolle
goederen op zou komen halen,
-aan die [slachtoffer 2] de bijbehorende pincodes te vragen,
-die [slachtoffer 2] een beveiligingscode, althans enige code, te geven,
-naar de woning van die [slachtoffer 2] te gaan en/of zich voor te doen als bank- en/of
politiemedewerker,
-voornoemde beveiligingscode, althans enige code, aan die [slachtoffer 2] door te geven
en/of
-een of meerdere enveloppen met bankpassen en/of andere waardevolle goederen
van die [slachtoffer 2] aan te nemen;
6
hij op of omstreeks 21 augustus 2025 te Berg en Terblijt, gemeente Valkenburg aan
de Geul
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een of meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
[slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen
onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse
sleutel,
door met de middels oplichting verkregen bankpassen (al dan niet met
bijbehorende pincodes) op naam van die [slachtoffer 1] , een of meerdere geldbedragen te
pinnen bij een geldautomaat;
7
hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Echt, gemeente Echt-Susteren
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid geld in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de
plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen
onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse
sleutel door met de middels oplichting verkregen bankpassen (al dan niet met
bijbehorende pincodes) op naam van die [slachtoffer 2] , een of meerdere geldbedragen te
pinnen bij een geldautomaat.