ECLI:NL:RBLIM:2026:2778

ECLI:NL:RBLIM:2026:2778

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 24-03-2026
Zaaknummer 03.102312.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

De verdachte heeft samen met haar partner in hun woning, waar zij met hun twee minderjarige kinderen wonen, ruim 11 kilogram cocaïne en 1,4 kilogram MDMA aanwezig gehad. De verdachte had wetenschap van het bestaan van de verdovende middelen en zij kon over de verdovende middelen ook de feitelijke macht uitoefenen. Het dossier biedt voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de verdachte een onderdeel heeft uitgemaakt van het drugscircuit en dat zij daarmee geld heeft verdiend. Gelet op het feit dat een onttrekking uit een dergelijk milieu doorgaans lastig is en het feit dat de verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in haar beweegredenen, is de kans op herhaling groot. Om het recidiverisico te verminderen en als stok achter de deur, acht de rechtbank naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.102312.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 maart 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1979,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.L.P. Biesmans, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 10 maart 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [naam medeverdachte] met het parketnummer 03.102386.25.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 1 april 2025 al dan niet samen met (een) ander(en) harddrugs aanwezig heeft gehad.

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. De verdachten hebben samen in hun gezamenlijke woning, terwijl zij het allebei wisten, en toegankelijk voor hun allebei, verdovende middelen aanwezig gehad.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit; verdachte had geen wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen en had geen toegang tot de afgesloten ruimte waar de verdovende middelen zijn aangetroffen.

Het oordeel van de rechtbank

Onrechtmatig binnentreden-verweer

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden, nu er niet ‘onmiddellijk’ na het afgeven van de machtiging is binnengetreden in de woning, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) oplevert en moet leiden tot bewijsuitsluiting.

De rechtbank stelt voorop dat onder een vormverzuim wordt verstaan: het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften. De hulpofficier van justitie heeft op 31 maart 2025 een machtiging tot binnentreden in de woning aan het adres [adres] , voor de inbeslagneming van voorwerpen gerelateerd aan de Opiumwet, afgegeven. De machtiging was van kracht op de dag waarop zij was afgegeven en de drie daarop volgende dagen. De verbalisanten zijn de woning op

1 april 2025 binnengetreden. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Bewijsmiddelen

Het proces-verbaal van bevindingen (binnentreden [adres] te Landgraaf), voor zover inhoudende:

Op 1 april 2025 werd de woning [adres] in Landgraaf ter inbeslagneming betreden.

Ik vorderde van de bewoner, [naam medeverdachte] , de uitlevering van de bij hem in bezit zijnde verdovende middelen. De bewoner liet ons de kelder van de woning zien. De kelder bestond uit vier ruimtes, namelijk een ruimte met gereedschap, een ruimte met de wasmachine en de garage die onderverdeeld was in twee ruimtes; namelijk een ruimte voor de garagepoort en een afzonderlijke ruimte met een wand. In de wand zat een deur. De deur van de wand werd geopend en wij zagen dat er rechts een bureau/werkbank stond en aan de linkerzijde twee kasten. Op het bureau/werkbank lag het volgende: weegschaal, drie mesjes, theelepel, eetlepel, een doos latex handschoenen, een rol boterhamzakjes, een rol huishoudfolie, een oranje trechter, een gele trechter, een grote maatbeker, een heel groot pipet en resten van wit poeder. Gezien het aantreffen van deze goederen rees het ernstige vermoeden dat in de woning harddrugs aanwezig kon zijn. Ik vorderde de uitlevering van de bij de bewoner in bezit zijnde verdovende middelen, zijnde harddrugs. De bewoner haalde zijn beurs uit zijn broekzak en legde vervolgens een papieren sealtje op het bureau/werkblad. De bewoner opende de rechter opbergkast, pakte een zilveren kistje en pakte daaruit een plastic zakje, inhoudende een op cocaïne gelijkende stof. De bewoner pakte uit de rechter opbergkast een blauwkleurig geldkistje met daarbovenop een weegschaaltje. Nadat de bewoner het geldkistje geopend had, zagen wij meerdere verpakkingen, inhoudende op verdovende middelen gelijkende stoffen, waaronder XTC tabletten. De bewoner liep naar de linker opbergkast en opende de rechterdeur. Ik zag twee grote stapels bankbiljetten en diverse zakjes verdovende middelen staan. Wij besloten de zaak te bevriezen en de officier van justitie bij de rechter-commissaris een doorzoeking te laten vorderen.

In de woning werden de volgende personen aangetroffen en aangehouden: [naam medeverdachte] en [verdachte] .

Het proces-verbaal van bevindingen (doorzoeking [adres] te Landgraaf), voor zover inhoudende:

De eigenaren van het pand [adres] zijn: [naam medeverdachte] en [verdachte] .

In de kelderruimte van de woning werden meerdere goederen aangetroffen (onder meer):

Goednummer

Voorwerp

Bijzonderheden

1792837

1 zak cocaïne

1011 gram bruto

1792838

10 x ‘kilo blokken’ cocaïne

In rode bigshopper

1792845

Cocaïne

756 gram

1792841

Pink cocaïne

498 gram

1792848

Kristallen

1065 gram

Het proces-verbaal van bevindingen (aantreffen grote hoeveelheid verdovende middelen), voor zover inhoudende:

In de kelder van de woning werd in de linker afgesloten voorraadkast een grote hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen en geld aangetroffen. In de rode bigshopper werden tien (10) pakketten, verpakt met bruine tape, met hierop een zogeheten merkafbeelding aangetroffen. Dit betroffen zogeheten kilopakketten, vermoedelijk cocaïne. Verder zag ik in de voorraadkast meerdere grote hoeveelheden vermoedelijk verdovende middelen. Een pakket afkomstig uit de rode bigshopper werd indicatief getest en reageerde positief als de stof cocaïne.

De kennisgeving van inbeslagneming:

Goednummer: PL2300-2025035870-1792837, 1 stuk, brutogewicht: 1011 gram.

De kennisgeving van inbeslagneming:

Goednummer: PL2300-2025035870-1792838, 10 stuks, brutogewicht: 11 kilogram.

De kennisgeving van inbeslagneming:

Goednummer: PL2300-2025035870-1792845, 3 stuks, brutogewicht: 756 gram.

De kennisgeving van inbeslagneming:

Goednummer: PL2300-2025035870-1792841, 1 stuk, brutogewicht: 489 gram.

De kennisgeving van inbeslagneming:

Goednummer: PL2300-2025035870-1792848, 3 stuks, brutogewicht: 1065 gram.

Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met als bijlagen de rapporten van het NFI:

Goednummer: 1792837, SIN: AAQX1085NL, 998,52 gram netto,

AAQX1085NL: bevat cocaïne.

Goednummer: 1792838, SIN: AAQX1086NL, 9970,29 gram netto,

AAQX1086NL: bevat cocaïne.

Goednummer: 1792845, SIN: AAQX1089NL, 3 groepen,

Groep 1 AASK6498NL: 488,02 gram netto, bevat cocaïne.

Groep 2 AASK6499NL: 150,47 gram netto, bevat cocaïne.

Groep 3 AASK6500NL: 101,33 gram netto, bevat cocaïne.

Goednummer: 179841, SIN: AAQX1087NL, 479,90 gram netto,

AAQX1087NL: bevat MDMA.

Goednummer: 1792848, SIN: AAQX1088NL, 3 groepen,

Groep 1 AASK6495NL: 1000,91 gram netto, bevat MDMA.

Het proces-verbaal van bevindingen (onderzoek telefoon [naam medeverdachte] ), voor zover inhoudende:

Op 1 april 2025 werd de telefoon van verdachte [naam medeverdachte] in beslag genomen.

Gesprek verdachte (owner) met contact ‘' [gsm-nummer] @s.whatsapp.net [naam] '.

6-4-2024 ( [naam] ): Ha jong kan ik nog wat bestellen ergens in de loop van vanmiddag wanneer het uitkomt.

6-4-2024 (owner): Ja dat kan. Zal ik je wel naar mijn wederhelft moeten verwijzen.

6-4-2024 ( [naam] ): Oh dat is niet erg. Stuur ik mijn wederhelft.

6-4-2024 (owner): Het gebruikelijke?

6-4-2024 ( [naam] ): Duo is ook prima. Wat het makkelijkste is.

6-4-2024 (owner): Weet ik wat voor instructie moet doorgeven.

6-4-2024 ( [naam] ): Als die de kneepjes van het vak ook beheerst doe maar. Moet je ff laten weten hoe laat [naam] het kan oppikken.

6-4-2024 (owner): Zal even informeren.

Het proces-verbaal van bevindingen (onderzoek telefoon [verdachte] ), voor zover inhoudende:

Op 1 april 2025 werd de telefoon van verdachte [verdachte] in beslag genomen.

Op de telefoon werd een afbeelding aangetroffen met hierop diverse drugs uitgestald op een witte tafel. Een soortgelijke tafel werd in ruimte 2 van de kelder gelegen in de woning [adres] aangetroffen. Deze fotografische opname werd op 22 augustus 2024 gemaakt. Het verpakkingsmateriaal van de drugs komt overeen met die aangetroffen tijdens de doorzoeking. (…) Deze fotografische afbeeldingen werden met zekerheid gemaakt met de camera van het toestel van de verdachte [verdachte] .

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt voorop -gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad- dat voor het aanwezig hebben in de zin van de Opiumwet voldoende is dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden; de verdachte moet de feitelijke macht over de verdovende middelen kúnnen uitoefenen. Daarvoor is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. De verdovende middelen hoeven zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor een bewezenverklaring hoeft niet vastgesteld te worden dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid.

De verdovende middelen zijn aangetroffen in de woning waar verdachte – samen met haar partner (medeverdachte) – eigenaar van is en ook feitelijk woont. Verdachte heeft verklaard dat zij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in haar woning. Uitgangspunt is echter dat een bewoner van een woning geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en daarover ook de feitelijke macht kan uitoefenen. Dat de verdachte wetenschap had van het bestaan van de verdovende middelen, blijkt uit de afbeelding op de telefoon van de verdachte met daarop diverse verdovende middelen uitgestald op een soortgelijke witte tafel als in de kelder werd aangetroffen en het bericht in de telefoon van de medeverdachte dat hij een koper van verdovende middelen verwijst naar zijn ‘wederhelft’. Naast de wetenschap had de verdachte ook de beschikkingsmacht over die middelen. Immers, uit de berichten die in de telefoon van de medeverdachte zijn aangetroffen (waarin de medeverdachte naar zijn wederhelft verwijst), blijkt onmiskenbaar dat de verdachte bij die verdovende middelen kon komen. Desgevraagd op zitting vertelde de verdachte dat de medeverdachte de afbeelding van de verdovende middelen met haar telefoon moet hebben gemaakt. Over de inhoud van de berichten op de telefoon van de medeverdachte (waarin hij verwijst naar zijn “wederhelft”), kon de verdachte geen uitleg geven. De rechtbank gelooft de verdachte niet, nu onduidelijk is gebleven waarom de medeverdachte per se met haar telefoon die foto moest maken (die hij vervolgens meteen weer zou hebben verwijderd) en nu uit de berichten op de telefoon van de medeverdachte juist een actieve betrokkenheid harerzijds blijkt. Het betoog van de verdachte dat zij geen sleutel had van de kelder sneuvelt door de inhoud van die berichten. Bij die stand van zaken kan de conclusie niet anders zijn dan dat de verdachte, samen met de medeverdachte, de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met haar partner (medeverdachte) 11.708,63 gram cocaïne en 1.480,81 gram MDMA aanwezig heeft gehad.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 1 april 2025 te Landgraaf tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 11.708,63 gram cocaïne en 1.480,81 gram MDMA, zijnde cocaïne en MDMA, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en daaraan als bijzondere voorwaarden gekoppeld reclasseringstoezicht en een meldplicht bij de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan de eis van de officier van justitie en het onvoorwaardelijke deel van de straf gelijk te stellen aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft samen met haar partner in hun woning, waar zij met hun twee minderjarige kinderen wonen, ruim 11 kilogram cocaïne en 1,4 kilogram MDMA aanwezig gehad. Dit zijn aanzienlijke hoeveelheden harddrugs, die een zeer hoge financiële waarde vertegenwoordigen. Verdachten hebben met hun handelen een bijdrage geleverd aan de overlastgevende drugshandel in ons land. Het behoeft geen betoog dat verdovende middelen een zeer grote bedreiging vormen voor de volksgezondheid en veiligheid van de samenleving. Niet alleen zijn er gebruikers die strafbare feiten plegen om aan hun drugs te komen, maar ook vinden er bij de drugshandel strafbare feiten plaats zoals bedreigingen, afpersingen, wapenbezit, mishandelingen en zelfs liquidaties, gelet op de flinke financiële belangen die aan de orde kunnen zijn. Door de drugshandel vindt bovendien ondermijning plaats doordat de onderwereld en de bovenwereld met elkaar verweven raken nu onder meer grote hoeveelheden crimineel geld via witwassen de maatschappij in worden gepompt en legale structuren worden gebruikt ter facilitering van illegale activiteiten.

Bij de bepaling van de aard en de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin is voor het opzettelijk aanwezig hebben van 10-20 kilogram harddrugs een gevangenisstraf van 30 maanden opgenomen. De verdachte heeft geen openheid van zaken en geen inzicht in haar handelen gegeven, hetgeen in haar nadeel weegt. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 26 februari 2025, waaruit blijkt dat de reclassering het risico op recidive niet heeft kunnen inschatten. De rechtbank schat zelf het risico op recidive hoog in. Immers, het procesdossier biedt voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de verdachte een onderdeel heeft uitgemaakt van het drugscircuit en dat zij daarmee geld heeft verdiend. Gelet op het feit dat een onttrekking uit een dergelijk milieu doorgaans lastig is en het feit dat de verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in haar beweegredenen, is de kans op herhaling groot. Om het recidiverisico te verminderen en als stok achter de deur, acht de rechtbank naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden of een langere proeftijd dan gebruikelijk te verbinden.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

7. Het beslag

De inbeslaggenomen autosleutel, € 12.622,37 opbrengst van de personenauto en de telefoon zullen worden teruggegeven aan de beslagene, zijnde de verdachte, met dien verstande dat op de opbrengst van de auto conservatoir beslag rust.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

Voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Beslag

- gelast de teruggave van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen aan de beslagene:

Dit vonnis is gewezen door mr. S.L.M. van Venrooij, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. M.E.M.W. Nuijts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 maart 2026.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 1 april 2025 te Landgraaf, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 11.708,63 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of ongeveer 1.480,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?