[naam] , uit Geleen, verzoeker,
(gemachtigde: mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken),
en
de Raad van bestuur van de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder,
(gemachtigde: mr. L. Bruijs).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Verzoeker is het niet eens met deze afwijzing.
Hij heeft daarom beroep (geregistreerd onder ROE 25/3106) ingesteld en daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening (geregistreerd onder ROE 25/3165).
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, vergezeld van zijn moeder, zijn zusje, zijn mentor [naam] en zijn bewindvoerder [naam] en de gemachtigde van verweerder, vergezeld van [naam] .
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter – na een korte schorsing van het onderzoek ter zitting – onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe in die zin dat verzoeker gedurende de beroepsprocedure zal worden behandeld alsof hij een Wlz-indicatie heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat zijn situatie ernstig is verslechterd. Het gaat minder goed bij N-Joy4kidz en het gaat heel slecht thuis. De voorzieningenrechter heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Een tijdelijke Wlz-indicatie zou een tijdelijke oplossing zijn waardoor verzoeker direct terecht kan bij stichting Pergamijn.
Daarnaast is van belang de vraag of het bestreden besluit van 1 december 2025 in stand kan blijven. Dan gaat het niet alleen over het niet onderzoeken van verzoeker (strijd met artikel 3.2.2, eerste lid, van het Besluit langdurige zorg), het niet houden van een hoorzitting (strijd met artikel van 7:2 van de Awb), maar dan gaat het ook over de inhoud van het medisch advies van 13 november 2025. Het medisch advies speelt een cruciale rol in de beoordeling van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter vindt het een groot gemis dat de opgevraagde informatie van psychiater [naam] ontbreekt. Die informatie moet er wel komen. Dit kan via het CIZ, maar ook via verzoeker. Beide partijen moeten hun best doen om alsnog deze informatie van psychiater [naam] te ontvangen.
Verder is het ook belangrijk dat er uitsluitsel komt over het traject op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo15) over beschermd wonen. Ter zitting heeft de bewindvoerder toegelicht dat er na de afwijzing door het CIZ wel een aanvraag bij de gemeente is ingediend, maar dat er nog geen besluit is genomen. Het is heel belangrijk dat de rechtbank in de beroepsprocedure kan zien of dit wel of niet mogelijk is voor verzoeker. Het klopt dat verzoeker nog heel jong is en als hij een Wlz-indicatie krijgt, dat dit in principe voor de rest van zijn leven is. Over de Wmo-mogelijkheden moet geen los eindje zijn.
Er zijn onduidelijkheden van beide kanten. In dit geval hecht de voorzieningenrechter doorslaggevende waarde aan het belang van verzoeker op dit moment. Het is duidelijk dat er sprake is van een onhoudbare thuissituatie en dat er iets moet gebeuren. De bewindvoerder heeft ter zitting toegelicht dat verzoeker op dit moment het beste op zijn plek is bij stichting Pergamijn. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat als er een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure wordt getroffen, het CIZ een tijdelijke Wlz-indicatie zal stellen.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het gaat om een tijdelijke voorziening. Er zit dus ook een risico aan voor verzoeker. Ter zitting is ook gesproken over de mogelijkheden van een LVG-aanvraag. Wellicht is het ook nog een optie voor verzoeker om die LVG-aanvraag via een andere aanbieder dan stichting Pergamijn te onderzoeken.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet open staat.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker gedurende de beroepsprocedure zal worden behandeld alsof hij een Wlz-indicatie heeft.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat verzoeker gedurende de beroepsprocedure zal worden behandeld alsof hij een Wlz-indicatie heeft totdat op het beroep is beslist;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026 door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 14 januari 2026