RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.205362.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 maart 2026
in de strafzaak tegen
[Naam verdachte] ,
geboren te [Geboorteplaats] op [Geboortedatum] 1997,BRP-adres: [BRP adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. D.P.J. Grommen, advocaat kantoorhoudende te Roermond.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [Benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij zijn op de zitting gehoord mr. T. Oosthout-Eskes en mr. T. Eskes (gemachtigden). De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
op 22 juni 2024 in de gemeente Echt-Susteren:
Feit 1: al dan niet samen met een ander [Benadeelde partij] met een mes heeft gestoken en/of gesneden en zodoende (primair) heeft geprobeerd hem van het leven te beroven, (subsidiair) hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel (meer subsidiair) heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; Feit 2: die [Benadeelde partij] heeft mishandeld door hem met een bloempot en/of kandelaar te slaan.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Ten aanzien van feit 2 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, omdat er geen aanmerkelijke kans op de dood was. Ten aanzien van feit 1 subsidiair en meer subsidiair en feit 2 heeft zij gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt, zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank
Op basis van het dossier stelt de rechtbank het volgende vast. Tussen de verdachte en [Benadeelde partij] was sprake van een langslepend conflict. Dat conflict ging over de levering en de plaatsing van kozijnen door de verdachte in de woning van [Benadeelde partij] . Op 22 juni 2024 is [Benadeelde partij] samen met zijn vrouw naar de woning van de vader van de verdachte gegaan. Op dat moment waren de verdachte en zijn zwager in die woning aanwezig. [Benadeelde partij] en zijn vrouw hebben eerst drie keer aangebeld, maar zijn niet binnengelaten in de woning. Toen [Benadeelde partij] zeker wist dat de verdachte in de woning aanwezig was, is hij over de poort geklommen en in de tuin van de woning terechtgekomen. Vervolgens is [Benadeelde partij] de woning ingegaan, waarna een ruzie tussen de verdachte en [Benadeelde partij] is ontstaan. Bij deze ruzie was de zwager van de verdachte ook aanwezig. De ruzie tussen de verdachte en [Benadeelde partij] heeft zich vervolgens naar buiten verplaatst.
Feit 1 (primair, subsidiair en meer subsidiair)
De rechtbank stelt vast dat [Benadeelde partij] tijdens de ruzie buiten gewond is geraakt aan zijn rechterhand en -pols. Toen de verbalisanten ter plaatse kwamen zagen zij dat er enorm veel bloed rondom de pols van [Benadeelde partij] zat en dat zij de binnenzijde van de pols konden zien.
De rechtbank dient te beoordelen of het letsel van [Benadeelde partij] is ontstaan doordat de verdachte hem met een mes heeft gestoken en/of gesneden. Alleen die feitelijke handeling is de verdachte namelijk in feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegd.
[Benadeelde partij] heeft hierover verklaard dat hij en de verdachte op enig moment buiten op de grond terechtkwamen, waarbij [Benadeelde partij] op de verdachte viel. Op een gegeven moment voelde [Benadeelde partij] iets raars op zijn hand. [Benadeelde partij] heeft het niet zien gebeuren, maar zag toen dat zijn hand was doorgesneden en aan het bloeden was. [Benadeelde partij] zag verder dat de verdachte een mes in zijn rechterhand had.
De zwager van de verdachte heeft verklaard dat er in de woning een worsteling tussen de verdachte en [Benadeelde partij] is ontstaan. Die worsteling is toen naar buiten verplaatst. Na ongeveer 15 seconden is de zwager ook naar buiten gegaan. Hij zag toen dat de verdachte op zijn rug op de grond lag met [Benadeelde partij] boven op hem. De zwager heeft [Benadeelde partij] toen van de verdachte afgehaald. Toen [Benadeelde partij] wegliep, zag de zwager dat [Benadeelde partij] een snee in zijn rechterhand had.
De verdachte heeft verklaard dat hij het mes al vasthad op het moment dat [Benadeelde partij] binnenkwam. De verdachte had namelijk net gegeten en wilde het mes gaan opruimen. Over het ontstaan van het letsel heeft de verdachte drie verklaringen afgelegd. De verdachte heeft bij de politie eerst verklaard dat [Benadeelde partij] buiten met zijn hand op het mes is gevallen. Daarna heeft de verdachte verklaard dat hij en [Benadeelde partij] op de grond aan het vechten waren en dat [Benadeelde partij] het mes toen ergens is tegengekomen. Op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het mes buiten op enig moment uit zijn hand viel. [Benadeelde partij] wilde het mes toen pakken, maar het lukte de verdachte om dat sneller te doen. De verdachte kan zich niet herinneren op welk moment [Benadeelde partij] gewond is geraakt en hoe dit is gebeurd. Toen [Benadeelde partij] de poort uitrende, zag de verdachte alleen bloed op de grond.
De rechtbank constateert dat geen van bovenstaande verklaringen duidelijkheid geeft over de wijze waarop het letsel van [Benadeelde partij] aan zijn rechterhand- en pols is ontstaan. Op basis van deze verklaringen kan niet worden vastgesteld dat de verdachte (of zijn zwager) [Benadeelde partij] met het mes heeft gestoken en/of gesneden. Uit de andere bewijsmiddelen in het dossier blijkt ook niet dat de verdachte dit heeft gedaan. Gelet op de wijze waarop dit feit aan de verdachte ten laste is gelegd, is het voor een bewezenverklaring echter noodzakelijk dat dit kan worden vastgesteld. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.
Feit 2
De rechtbank stelt op basis van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting en de verklaring van [Benadeelde partij] vast dat de verdachte [Benadeelde partij] met een kandelaar op het hoofd heeft geslagen. Als gevolg daarvan heeft [Benadeelde partij] letsel aan zijn hoofd opgelopen. De rechtbank is echter met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de verdachte ten aanzien van dit feit een geslaagd beroep op noodweer toekomt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Bij de beoordeling van een beroep op noodweer dient de rechtbank eerst vast te stellen of de feitelijke toedracht, zoals door de verdachte is aangevoerd, aannemelijk is geworden.
De verdachte heeft verklaard dat hij in de woning plotseling werd geconfronteerd met [Benadeelde partij] – met wie hij een conflict had – die met gebalde vuisten op hem af kwam rennen. De zwager van de verdachte heeft eveneens verklaard dat [Benadeelde partij] de verdachte direct agressief benaderde, waarbij [Benadeelde partij] de eerste klap heeft uitgedeeld. De verdachte heeft vervolgens een kandelaar van de salontafel gepakt en daarmee eenmaal op het hoofd van [Benadeelde partij] geslagen. Deze verklaring komt de rechtbank aannemelijk voor. Dat [Benadeelde partij] uit was op een confrontatie met de verdachte, vindt ook steun in de eigen verklaring van [Benadeelde partij] . [Benadeelde partij] heeft namelijk verklaard dat hij de verdachte wilde confronteren en dat hij daarom – toen hij na drie keer aanbellen niet werd binnengelaten – over de poort is gesprongen. De rechtbank zal daarom van de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht uitgaan.
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of aan de voorwaarden voor aanvaarding van het beroep op noodweer wordt voldaan. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de klap die de verdachte met de kandelaar heeft gegeven (a) gericht was tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en (b) dat die klap was “geboden door de noodzakelijke verdediging” waarin de zogenoemde subsidiariteits- en de proportionaliteitseis tot uitdrukking zijn gebracht. De subsidiariteitseis ziet op de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het door de verdachte is gebruikt. De proportionaliteitseis strekt ertoe om een gedraging slechts dan straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
Naar het oordeel van de rechtbank leverde het agressief binnenkomen van [Benadeelde partij] en het uitdelen van een klap aan de verdachte een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Dat heeft de verdachte gedaan door met een kandelaar een keer op het hoofd van [Benadeelde partij] te slaan. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet dit handelen aan zowel de proportionaliteits- als de subsidiariteitseis. De rechtbank betrekt daarbij ook dat de verdachte het mes dat hij op dat moment al in zijn andere hand droeg, niet ter verdediging heeft gebruikt. Dat betekent dat het beroep op noodweer slaagt.
Nu de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, ontbreekt aan het handelen van de verdachte de wederrechtelijkheid. Daarom kan ook niet worden bewezen dat het handelen van de verdachte mishandelend is geweest. Met de term ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 Wetboek van Strafrecht wordt immers mede de wederrechtelijkheid van het handelen tot uitdrukking gebracht. Wederrechtelijkheid vormt aldus een impliciet bestanddeel van mishandeling. Het geslaagde beroep op noodweer leidt daarom niet tot ontslag van alle rechtsvervolging, maar tot vrijspraak. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van feit 2.
4. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert een schadevergoeding tot een bedrag van 45.375,- euro. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
medisch advies: 667,- euro;
ziekenhuisverblijf: 105,- euro;
immateriële schade: 40.250,- euro;
wettelijke rente over de immateriële schade: 4.353,- euro.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het oordeel van de rechtbank
Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor de verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
5. Het beslag
De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen mes (G1716087) te onttrekken aan het verkeer.
Nu de verdachte integraal zal worden vrijgesproken, zal de rechtbank gelasten dat het mes zal worden teruggegeven aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon. Dit is de vader van de verdachte, omdat het incident in zijn huis en tuin heeft plaatsgevonden en de verdachte dit mes daar uit de keuken had gepakt.
6. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten;
Benadeelde partij
Beslag
- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de heer [Vader verdachte] , [Adres vader verdachte] :
- mes (G1716087).
Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Vijn, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. N.P.J. van de Pasch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Mooijekind, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 31 maart 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1 primair:
hij op of omstreeks 22 juni 2024 in de gemeente Echt-Susteren
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om [Benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven,
met een mes, althans een scherp en/of snijdend voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de hand en/of pols en/of het lichaam van die [Benadeelde partij] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;
feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 22 juni 2024, in de gemeente Echt-Susteren
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan [Benadeelde partij]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) doorgesneden of beschadigde (slag)ader(s) en/of pees/pezen en/of zenuw(en) heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of snijdend voorwerp, in de hand en/of pols, in elk geval het lichaam van die [Benadeelde partij] te steken en/of te snijden;
feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 22 juni 2024 in de gemeente Echt-Susteren
tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om
aan [Benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een scherp en/snijdend voorwerp, inde hand en/of pols, in elk geval in het lichaam van die [Benadeelde partij] , heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
hij op omstreeks 22 juni 2024, in de gemeente Echt-Susteren [Benadeelde partij] heeft mishandeld door die [Benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal met een bloempot en/of kandelaar, althans gelijkend voorwerp, in/op/tegen het gezicht en/of hoofd, althans tegen het lichaam te slaan.