ECLI:NL:RBLIM:2026:3026

ECLI:NL:RBLIM:2026:3026

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 01-04-2026
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer 03.224149.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Vrijspraak voor verkrachting (primair) dan wel aanranding (subsidiair) van een kind beneden de leeftijd van 12 jaren vanwege onvoldoende wettig bewijs. Al het belastende bewijs is afkomstig van een en dezelfde bron, te weten het kind. Steunbewijs ontbreekt. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de bij het kind waargenomen emotie tijdens het disclosuregesprek in dit geval onvoldoende om daaruit steunbewijs af te leiden. Ook ontbreken er andere relevante aanknopingspunten uit een andere bron die het verhaal van het kind ondersteunen en zo kunnen bijdragen aan het bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03.224149.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 april 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1963,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.J.F. van Merm, advocaat kantoorhoudende te Nijmegen.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 maart 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is gehoord mr. F. Oehlen, advocaat kantoorhoudende te Sittard. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte, [benadeelde] , een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, die toevertrouwd was aan zijn zorg en/of waakzaamheid, heeft verkracht (primair), dan wel heeft aangerand (subsidiair).

3. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde verkrachting van [benadeelde] , door de verdachte, haar stiefopa. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde] consistent, gedetailleerd en authentiek zijn, en daarmee betrouwbaar. Daarnaast is er voldoende steunbewijs voor die verklaring: de vader van [benadeelde] heeft tijdens het ‘disclosuregesprek’ waargenomen dat zijn dochter huilde en angstig was. [benadeelde] wilde bovendien niet door de verdachte worden opgehaald, terwijl ze daarvoor juist graag bij hem en zijn vrouw [naam 1] (haar stiefoma) verbleef. Naast deze reden voor de onthulling ziet de officier van justitie ook steunbewijs in de woordkeuze van [benadeelde] . Zij gebruikte het woord ‘poes’ voor vagina, een woord dat zij normaliter niet gebruikt en de verdachte wel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd.

Hij stelt zich primair op het standpunt dat de verklaringen van [benadeelde] niet betrouwbaar zijn en daarmee onbruikbaar voor het bewijs. De raadsman wijst daarbij op (onbedoelde) beïnvloeding door diverse familieleden die haar meermalen hebben bevraagd. Bovendien zijn er inconsistenties in [benadeelde] ’s verklaringen die zien op de kern van het verwijt: zij verklaart wisselend over de plek waar het misbruik zou hebben plaatsgevonden en over het al dan niet binnendringen van het lichaam.

Subsidiair stelt de raadsman dat er onvoldoende steunbewijs is voor de verklaring van [benadeelde] . Het huilen dat vader heeft waargenomen, is pas enkele dagen (27 mei 2025) na het gestelde misbruik op 24 mei 2025, terwijl in de periode tussen 24 en 27 mei geen emoties of bijzonderheden zijn opgevallen. Er wordt kortom geen gedragsverandering of gemoedstoestand gezien waarvan kan worden gezegd dat die niet anders kan worden geïnterpreteerd dan als een bevestiging van de verklaring van [benadeelde] .

Het oordeel van de rechtbank

Beoordelingskader

Aan de verdachte is een zedendelict tenlastegelegd. In zedenzaken gaat het vaak om gebeurtenissen waar maar twee personen bij zijn geweest en waarin één van die twee – de verdachte – ontkent of verklaart dat het niet zo gegaan is. Dat is ook in deze zaak het geval.

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de rechter het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend aannemen op basis van de verklaring van één getuige. Er moet altijd steunbewijs zijn. Als de feiten en omstandigheden die de getuige naar voren brengt op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, moet de rechter de verdachte vrijspreken. Oók als de verklaring van de getuige geloofwaardig en betrouwbaar wordt bevonden. Het wordt niet anders als de getuige haar ervaringen met anderen heeft gedeeld. De belastende verklaring is dan immers nog altijd uit één bron afkomstig. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt wel dat steunbewijs soms kan worden ontleend aan verklaringen van anderen over de emotionele of fysieke toestand van de getuige kort na de gebeurtenis.

De beoordeling van de rechtbank met bovenstaand kader als uitgangspunt

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan.

Van het informatief gesprek zeden met haar vader, zijn aangifte en de uitwerking van de opnamen die vader heeft gemaakt van de disclosuregesprekken op 27 mei 2025, stelt de rechtbank vast dat noch de verklaringen van vader, noch de opgenomen gesprekken met [benadeelde] steunbewijs kunnen opleveren omdat ze allemaal afkomstig zijn uit een en dezelfde bron: [benadeelde] .

Over waargenomen emoties tijdens het disclosuregesprek verklaart [benadeelde] ’s vader dat hij zijn dochter op dinsdag 27 mei 2025 ’s ochtends in bed hoorde huilen. Hij verklaarde dat het plan was dat [benadeelde] die dag naar de verdachte – tevens stiefopa van [benadeelde] - en diens vrouw [naam 1] zou gaan. [benadeelde] huilde en wilde niet door de verdachte uit school gehaald worden omdat hij op zaterdag 24 mei 2025 tijdens het verstoppertje spelen aan haar poes had gezeten.

De rechtbank overweegt dat de bij [benadeelde] waargenomen emotie zich niet direct na het vermeende strafbare feit voordoet, maar enkele dagen later. De rechtbank betrekt bij haar beoordeling ook dat in de tussenliggende periode aan het gedrag van [benadeelde] niets is opgevallen. Op de avond na de middag waarop het gestelde misbruik zou hebben plaatsgevonden – 24 mei – gaan [benadeelde] met de verdachte en zijn vrouw [naam 1] , haar vader en stiefmoeder [naam 2] ‘s avonds uit eten. Als [benadeelde] wordt verteld dat de verdachte haar dinsdag (27 mei 2025) zal ophalen, reageert zij daar enthousiast op. [naam 1] heeft over 27 mei verklaard dat [naam 2] aan [benadeelde] had gevraagd of ze liever naar haar (andere) opa en oma zou gaan, maar [benadeelde] had gezegd dat ze liever ging naar [naam 1] en [verdachte] , zoals [benadeelde] de verdachte noemt. In het dossier zit een appbericht van [naam 2] aan [naam 1] van 25 mei 2025 waarin staat dat [benadeelde] tegen [naam 2] heeft gezegd: “Ik ga liever naar [verdachte] ”.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat de door vader waargenomen emotie tijdens de zogenaamde disclosure geen toereikend steunbewijs kan opleveren.

Datzelfde geldt voor het andere door de officier van justitie als steunbewijs aangedragen bewijsmiddel dat [benadeelde] het woord ‘poes’ heeft gebruikt, terwijl zij normaal gesproken ‘piepie’ zegt. Uit het dossier volgt namelijk dat ook haar stiefmoeder het woord ‘poes’ gebruikt voor vagina.

Er zijn evenmin andere relevante aanknopingspunten uit een andere bron naar voren gekomen die [benadeelde] verhaal ondersteunen en zo kunnen bijdragen aan het bewijs. De verklaring van [benadeelde] wordt op het punt van het samen spelen van verstoppertje bij de verdachte thuis weliswaar ondersteund door de verklaring van verdachte, maar dit ziet evenmin op de kern van het ten laste gelegde misbruik, zodat ook daaruit geen steunbewijs valt af te leiden. Dat betekent dat de verklaringen van [benadeelde] op zichzelf blijven staan. De rechtbank oordeelt bij die stand van zaken dat er onvoldoende wettig bewijs is.

4. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 7.044,55 euro. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:

reiskosten: 44,55 euro

toekomstige schade: 2.000 euro

immateriële schade: 5.000 euro

De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de schadevergoeding tot een bedrag van 5.044,55 euro met daarbij oplegging van de wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor wat betreft het gevorderde bedrag van 2.000 euro aan toekomstige schade niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gelet op de bepleite vrijspraak zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor de verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

5. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [benadeelde]

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. L. Feuth en mr. L.M.W. Peters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.N.F. Roelofs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2026.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Nederweert met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [benadeelde] [geboortedag 2] 2017) een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten wrijven/bewegen/houden van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen van die Maas, terwijl dit feit werd begaan jegens een kind dat aan de zorg en/of waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 mei 2025 te Nederweert, althans in Nederland met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [benadeelde] ( [geboortedag 2] 2017) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het

- strelen, betasten en/of aanraken van de vagina en/of

- met zijn, verdachtes, vinger(s) maken van draaiende beweging(en) over/tegen de schaamlippen, terwijl dit feit werd begaan jegens een kind dat aan de zorg en/of waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?