RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03/225568-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 1 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
nu gedetineerd in [adres 2].
De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Maastricht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
feit 1: op 20 augustus 2026 in Sittard al dan niet samen met een ander of anderen een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
feit 2: op 20 augustus 2026 in Sittard al dan niet samen met een ander of anderen voorwerpen en chemicaliën/stoffen voorhanden heeft gehad ter voorbereiding of bevordering van de productie van (grondstoffen voor) MDMA en/of amfetamine.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, met dien verstande dat verdachte voor beiden feiten partieel dient te worden vrijgesproken van het medeplegen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit, wegens het ontbreken van bewijs voor de criminele bestemming en criminele intentie op het moment dat deze voorwerpen en stoffen werden aangetroffen. Uit de bevindingen van de verbalisanten blijkt weliswaar dat er op het terrein een of misschien meerdere drugslabs zijn geweest, maar uit niets blijkt dat de intentie was om de productie voort te zetten. Integendeel: het heeft er de schijn van dat een begin was gemaakt met het opruimen hiervan. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan geen veroordeling volgen voor voorbereiding of bevordering wanneer niet kan worden bewezen dat de voorwerpen en stoffen op het moment van aantreffen nog bestemd waren voor de productie van verdovende middelen.
Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van (grote hoeveelheden) grondstoffen/chemicaliën, omdat niet blijkt dat de jerrycans en vaten waarop het DNA van verdachte is aangetroffen, gevuld waren.
Het oordeel van de rechtbank
Het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd voor wat betreft dit feit en de verdediging geen bewijsverweer heeft gevoerd, volstaat de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting;
het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 augustus 2025, pagina 194-196;
het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2025, pagina 242-243.
Het onder 2 ten laste gelegde
Bewijsmiddelen
Op 20 augustus 2025 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het woonwagenkamp aan de [adres 1] . Het woonwagenkamp bestaat uit meerdere woonwagens, waaronder de woonwagen van de verdachte. Verbalisant [verbalisant] heeft over de doorzoeking van het woonwagenkamp, voor zover hier van belang, het volgende gerelateerd:
Achter op het perceel stond een paardentrailer waaraan een zeil was gespannen als een soort tent. Onder deze tent was een opstelling gemaakt welke ik herkende als een opstelling voor de productie van synthetische drugs. Er waren onder andere zogenaamde ketels, vaten en gasflessen aanwezig.
Door de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) is het volgende gerelateerd:
Verder op het terrein aan de linker achterzijde stond een paardentrailer met een zeil aan de achterzijde. Onder het zeil werd een productie-opstelling voor de vervaardiging van amfetamine aangetroffen (locatie A). Deze productie-opstelling bestond uit een deels gedemonteerde kookreactieketel en een deels gedemonteerde destillatieketel. De refluxkoeler was van de kookreactieketel gedemonteerd en stond naast de ketel. De binnenzijde van de kookreactieketel leek gereinigd. De destillatie opstelling bestaande uit een stoomgenerator en een destillatieketel waren eveneens deels gedemonteerd. De aansluiting van de stoomgenerator stond niet gekoppeld aan de destillatieketel. Het koelhuis van de destillatieketel was aan de aansluiting voorzien van recent geplaatste afdichtingstape. Aan het koelhuis bevonden zich aan de wateraansluitingen geen waterslang. Rondom voornoemde opstellingen stonden enkele jerrycans, klemdekselvaten en een propaan gascilinder.
Inventarisatielijst locatie A productieopstelling
SIN
LFO-code
Omschrijving
A1
Gascilinder van 30 kg, 2x gasfles van 18 kg, blauw klemdekselvat van 60 liter vervuild, emmer met deksel van 50 liter vervuild, 2x zwarte emmer van 12 liter
vervuild, 3x soeplepel vervuild, trechter en vuilniszak met circa l kg wit/beige poeder. (FD-BMK- glycidezuur).
AARX8996NL
A2
A2-A
Witte jerrycan van 5 liter, voorzien van het etiket
“methanol” en tekst “1ste “. Gevuld met circa 3,5 liter
donkere vloeistof.
monster van de vloeistof uit de jerrycan
AARX8997NL
A3
A3-A
Witte jerrycan van 5 liter, voorzien van tekst “META”
inhoudende circa 3,5 liter heldere vloeistof.
(FD-methanol)
monster van de vloeistof uit de jerrycan
AARX8998NL
A4
A4-A
Witte jerrycan van 25 liter, voorzien van de tekst “F”,
gevuld met circa 5 liter heldere vloeistof.
(FD-formamide)
monster van de vloeistof uit de jerrycan
A5
Blauwe jerrycan van 20 liter, voorzien van het etiket
“Industrial acid 37%” gevuld met circa 6 liter sterk
zure rokende vloeistof.
Zoutzuur.
AARX8999NL
A6
A6-A
Blauwe jerrycan van 20 liter, voorzien van het etiket
“Mrowkowy 85%”, gevuld met circa 1 liter heldere
zure vloeistof met stekende geur.
(FD-mierenzuur)
monster van de vloeistof uit de jerrycan
A7
2x zak “HATP” caustic soda, waarvan lx 25 kg en lx
circa 15 kg. Totaal: 40 kg.
2x zak “Fudix” calcium chloride lx 25 kg en lx circa
15 kg. Totaal: 40 kg.
A8
Blauw klemdekselvat van 200 liter, geheel gevuld met
een heldere vloeistof met de geur van amfetamine.
Vermoedelijk spoelwater.
AARX9000NL
A9
A9-A
RVS-reactieketel, afmetingen hoogte circa 110 cm en
diameter circa 80 cm, met gedemonteerde reflux
koeler, afmetingen hoogte circa 67 cm en diameter
circa 22 cm. Onder de reactieketel drie vierkante poten
en bovenzijde reactieketel een vulopening.
Reactieketel leek gereinigd. In de uitloop van de ketel
restanten kristallen.
monster van kristallen uit de uitloop
AARX8953NL
A10
A10-A
Destillatie opstelling, bestaande uit destillatieketel,
afmetingen hoogte circa 67 cm, diameter circa 50 cm,
gekoppelde destillatiebuis van lengte circa 190 cm en
diameter circa 15 cm. Onder de destillatieketel een
RVS-pan. Op de bovenzijde van de destillatieketel
stonden 14 turfstreepjes. Naast de destillatieketel een
stoomgenerator met een hoogte van circa 60 cm en
diameter circa 60 cm. De stoomgenerator stond niet
aan de destillatieketel gekoppeld. Om de flens
aansluiting koeler ketel leek verse afdichtfolie
gewikkeld. Uit de uitloop van de ketel een restant
destillatie residu.
monster uit de ketel
Interpretatie LFO
Op het terrein van [adres 1] werden goederen en chemicaliën
aangetroffen welke gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging en/of bewerking van (synthetische) drugs.
Bovengenoemde monster zijn nader onderzocht. Het deskundigenrapport van het NFI vermeldt – zakelijk weergegeven – het volgende over het drugsonderzoek aan de aangetroffen materialen:
Kenmerk: AARX8996NL / A2, A2-A
Resultaat: bevat BMK, N-formyl-lm3pp in een zwak zure vloeistof
Kenmerk: AARX8997NL / A3, A3-A
Resultaat: bevat lage concentraties amfetamine, N-formylamfetamine en aan amfetamine gerelateerde (synthese)verontreinigingen in methanol
Kenmerk: AARX8998NL / A4, A4-A
Resultaat: formamide
Kenmerk: AARX8999NL / A6, A6-A
Resultaat: mierenzuur, resultaat conform etiket
Kenmerk: AARX8953NL / A10, A10-A
Resultaat: bevat N-formylamfetamine en aan amfetamine gerelateerde (synthese)verontreinigingen
In het onderzoeksmateriaal zijn BMK (benzylmethylketon), een zout van 'BMK-glycidezuur' (2-methyl-3-fenyloxiraan-2-carbonzuur), formamide, mierenzuur, N-formylamfetamine en lm3pp aangetoond. In relatie tot drugs is BMK een grondstof voor amfetamine en metamfetamine. In relatie tot drugs worden zouten van 'BMK-glycidezuur' gebruikt voor het vervaardigen van BMK. In relatie tot drugs wordt de combinatie van BMK, formamide en mierenzuur gebruikt bij de vervaardiging van amfetamine met de Leuckartmethode. In relatie tot drugs wordt de combinatie van BMK, formamide en mierenzuur gebruikt bij de vervaardiging van amfetamine met de Leuckartmethode. N-formylamfetamine is het tussenproduct in de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode. N-formyl-lm3pp is het tussenproduct in de vervaardiging van lm3pp uit benzylaceton met een Leuckartsynthese.
Op locatie A is ook forensisch onderzoek uitgevoerd. Forensisch onderzoeker Straatman heeft hierover gerelateerd:
In het overdekte gedeelte achter de paardentrailer zag ik een ruimte waarin zich onder andere metalen ketels, een destillatie-opzet, blauwe vaten, jerrycans en vuilniszakken met daarin zakken met wit poeder bevonden. In de rechterhoek van de overdekte ruimte zag ik twee ketels staan. De ketels waren voorzien van poten, waardoor zij zich circa 50 centimeter boven de grond bevonden. Onder de ketels bevonden zich gestapelde bakstenen, waarbij ik op de bovenste laag cirkelvormige donkere verkleuringen zag, passend bij roetvorming door het aanwezig zijn van een extern ingebrachte verwarmingsbron zoals bijvoorbeeld een brander. Aan de onder- en bovenzijde van de ketels zag ik grendels waarmee openingen en aansluitingen bediend konden worden. Ik zag dat er op de rechter ketel een destillatie-element was gemonteerd. Ik zag dat de aansluiting van de metalen ketel met het destillatie-element was voorzien van witte tape. Deze witte tape zag ik ook rondom het uiteinde aan de voorkant van het destillatie-element. Links van deze twee ketels zag ik nog een ketel staan, die eveneens op poten stond en zich circa 40 centimeter boven de grond bevond. Ik zag dat ook deze ketel aan de boven- en onderzijde was voorzien van grendels. Aan de linkerzijde van het overdekte gedeelte zag ik onder andere blauwe vaten, jerrycans, vuilniszakken met daarin zakken met wit poeder, een grijze gasfles en een witte tas met opschrift ‘van Cranenbroek’. In deze voornoemde tas zag ik een witte trechter met bruin residu, een drankfles gevuld met een bruine vloeistof en een metalen soeplepel met lang handvat en bruin residu in de kom.
De voornoemde grendels van de aangetroffen metalen ketels, de onderzijde van de witte tape (na loswikkelen) rondom de aansluitingen van het destillatie-element, de handvaten en doppen van een selectie van jerrycans en vaten en het handvat van de grote soeplepel met bruin residu, zijn bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van DNA-materiaal (epitheel), te weten:
- AARP7239NL: productieketels locatie A, grendels
- AARP7240NL: tape rondom destillatie-element productieketel locatie A, binnen- en buitenzijde
- AARP7245NL: jerrycan en vaten locatie A, handvat + deksels
- AARP7246NL: grote soeplepel bruin residu locatie A, handvat.
Met betrekking tot deze monsters is DNA-onderzoek uitgevoerd. Het deskundigenrapport van het TMFI vermeldt over de resultaten van dit onderzoek het volgende:
Bemonstering: AARP7246NL, AARP7240NL, AARP7245NL en AARP7239NL.
DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van minimaal twee donoren, van wie zeker één man.
Mogelijke donor van het DNA-materiaal: [verdachte] .
Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van DNA van verdachte [verdachte] in de bemonstering AARP7240NL is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen.
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en een onbekende persoon.
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van twee onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn meer dan één miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
Ook ten aanzien van de monsters AARP7246NL, AARP7245NL en AARP7239NL is door het TMFI de bewijskracht berekend. Het deskundigenrapport vermeldt – zakelijk weergegeven – over deze berekening:
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en een onbekende persoon.Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van twee onbekende personen.
De resultaten van het onderzoek zijn meer dan een miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
Overwegingen
Voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet kunnen onder meer worden bewezen indien voldoende is komen vast te staan dat de verdachte opzettelijk voorwerpen, vervoersmiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstig moet vermoeden dat deze bestemd zijn tot het plegen van een feit als bedoeld in artikel 10 lid 4 van de Opiumwet. Er moet worden beoordeeld of de voorbereidingshandelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte hiermee voor ogen had.
Voorhanden hebben
Voor de wetenschap van de aanwezigheid van voorwerpen en stoffen die worden gebruikt voor de productie van de synthetische drugs is ten eerste vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van die aanwezigheid en daarnaast dat hij daarover feitelijke macht kon uitoefenen in die zin dat die middelen zich in de machtssfeer van verdachte bevinden. Niet hoeft vast te staan dat de middelen ook daadwerkelijk van hem waren of dat ten aanzien daarvan sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid.
De aanwezigheid van DNA-sporen van de verdachte op de grendels van de productieketels, de tape rondom destillatie-element van de productieketel, de handvaten en deksels van jerrycans en vaten alsmede op het handvat van een soeplepel met residu, leveren een weerlegbaar vermoeden op dat de verdachte wist van de aanwezigheid van deze voorwerpen, alsmede van de overige rondom de productie-opstelling aangetroffen voorwerpen en stoffen als op de tenlastelegging genoemd.
Het DNA van de verdachte is weliswaar aangetroffen op verplaatsbare goederen, maar met name de sporen op zowel de binnen- als de buitenzijde van een stuk tape waarmee de aansluiting van het destillatie-element was afgedicht vragen om een verklaring van de zijde van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij bij de productie van verdovende middelen op het terrein betrokken is geweest, en heeft als verklaring van zijn DNA op de goederen gegeven dat hij mogelijk sporen op de metalen goederen heeft achtergelaten bij het sorteren van oud ijzer, waarin hij handelt. Wat hier ook van zij; de aanwezigheid van zijn DNA op met name de binnen- en buitenzijde van de tape die rondom de aansluiting van het destillatie-element was geplaatst, is hiermee niet verklaard. Aldus ontbreekt een aannemelijke, voor de verdachte ontlastende verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA op delen van de productie-opstelling, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hij van het bestaan hiervan op de hoogte was.
Bovendien wist de verdachte, gelet op zijn eerdere veroordeling in België, dat deze combinatie van goederen, stoffen en chemicaliën geschikt zijn voor de productie van synthetische drugs.
Machtssfeer
Aan het tweede vereiste dat de goederen en stoffen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden, is volgens de rechtbank ook voldaan. De goederen bevonden zich immers op het terrein van het woonwagenkamp waar de verdachte als een van de bewoners toegang toe heeft.
Bestemming
Ten aanzien van het verweer dat geen bewijs voorhanden is dat de voorwerpen en stoffen op het moment van aantreffen nog bestemd waren voor de productie van synthetische drugs, overweegt de rechtbank als volgt.
De verdachte heeft zich over de bestemming van de goederen in het geheel niet uitgelaten, zodat - anders dan in de door de raadsvrouw aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad – de bestemming uitsluitend kan worden beoordeeld aan de hand van de uiterlijke verschijningsvorm.
Dat de aangetroffen voorwerpen en stoffen reeds op een eerder moment waren gebruikt voor de productie van (met)amfetamine op dezelfde of een andere locatie op het terrein (locatie C), is op basis van het dossier niet onaannemelijk. Dit sluit echter op zichzelf niet uit dat zij bestemd waren voor hergebruik. Er zijn omstandigheden die hierop wijzen, waaronder:
enkele jerrycans waren nog (deels) gevuld;
de binnenzijde van de kookreactieketel leek gereinigd;
het koelhuis van de destillatieketel was aan de aansluiting voorzien van recent geplaatste afdichtingstape.
De uiterlijke verschijningsvorm wijst naar het oordeel van de rechtbank niet op een afbraak ter vernietiging, maar veeleer op beoogd hergebruik, ter plaatse of elders. Daarmee is de voor een bewezenverklaring vereiste bestemming gegeven.
Partiele vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevat voor het medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de voorbereidings-handelingen in het kader van de Opiumwet, reden waarom de verdachte hiervan partieel zal worden vrijgesproken.
Het voorgaande leidt tot de bewezenverklaring als hieronder weergegeven.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
1.
op 20 augustus 2025 te Sittard een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het merk Fabrique Nat., kaliber 7.65 mm (goednummer 1831935), zijnde een vuurwapen in de vorm van pistool, voorhanden heeft gehad;
2.
op 20 augustus 2025 te Sittard om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het telkens opzettelijk
bereiden, bewerken, verwerken en/of vervaardigen, van hoeveelheden amfetamine, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, op 20 augustus 2025 te Sittard
- diverse hoeveelheden grondstoffen en chemicaliën, en
- ( technische) apparaten, gereedschap, trechters en/of klemdekselvaten,
geschikt voor het vervaardigen van amfetamine voorhanden gehad, waarvan hij verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 2: het voorbereiden of bevorderen van een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De straf en de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 54 maanden met aftrek van het voorarrest, alsmede een geldboete van € 40.000 subsidiair 191 dagen hechtenis.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte de maatregel kostenverhaal op te leggen als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet voor een bedrag van € 16.028,74.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie geëist vanwege de bepleite vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde. Voor het voorhanden hebben van het vuurwapen in een woning acht de raadsvrouw conform de LOVS-oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend. Subsidiair, bij veroordeling voor beide feiten, heeft de raadsvrouw bepleit te volstaan met een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering.
Ten aanzien van de maatregel kostenverhaal heeft de raadsvrouw verzocht de vordering af te wijzen, primair vanwege de bepleite vrijspraak, subsidiair omdat op basis van het dossier niet te berekenen valt welk deel van de factuur ziet op de aan de verdachte toe te schrijven voorwerpen. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit de vordering te matigen tot een bedrag dat ziet op de schade in verband met uitsluitend deze voorwerpen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van amfetamine.
Het gebruik van synthetische drugs brengt ernstige gezondheidsrisico's mee. Amfetamine staat bekend als een zeer verslavende drug die een aanslag pleegt op de gezondheid van de gebruiker. Naast het gevaar voor de volksgezondheid schuilt in de productie van synthetische drugs nog een ander gevaar. De rechtbank wijst op de schade aan het milieu, veroorzaakt door dumpingen van bij de productie vrijkomende chemische afvalstoffen en op het ontploffingsgevaar bij de productie van synthetische drugs. Ook in deze zaak blijkt dat de bodem van het terrein zo ernstig vervuild was dat er bij de saneringswerkzaamheden beschermende kleding en gasmaskers nodig waren ter bescherming tegen de daarbij vrijkomende dampen.
Bovendien gaan de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (zware) criminaliteit, waardoor de samenleving in ernstige mate schade wordt berokkend, en met zwarte geldstromen waardoor de legale economie wordt ondermijnd. De verdachte heeft met zijn handelen daaraan een bijdrage geleverd en heeft daarbij geen oog gehad voor deze gevaren, maar slechts aan zijn eigen financiële gewin gedacht.
Daarnaast heeft verdachte in zijn woonwagen een vuurwapen van categorie III uit de Wet wapens en munitie voorhanden gehad. Dit vuurwapen was gevuld met 8 patronen en lag onder handbereik in een schoenenrek. De combinatie van het drugslaboratorium en het vuurwapen bevestigen het beeld dat met dergelijke drugsfeiten vaak andere vormen van criminaliteit gepaard gaan.
Persoonlijke omstandigheden
De verdachte is blijkens het hem betreffende strafblad in België eerder onherroepelijk veroordeeld tot een forse (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf voor soortgelijke feiten. De proeftijd hiervan liep ten tijde van het onderhavige feit.
De reclassering spreekt in haar rapportage van 25 februari 2026 ten aanzien van het psychisch functioneren van de verdachte van kwetsbaarheden. Daarnaast kunnen het middelengebruik, zijn financiële problematiek, zijn justitieel belaste familieachtergrond en de beperkte dagbesteding als criminogene factoren worden beschouwd. De partner van verdachte vormt wel een beschermende factor. Zij is zwanger van zijn kind. Het recidive-risico wordt door de reclassering als gemiddeld ingeschat, waarbij wordt opgemerkt dat het gedrag en de houding van verdachte binnen de PI wel vragen oproepen, zo ook zijn strafblad. Gelet op deze omstandigheden acht de reclassering interventies gericht op het middelen-gebruik, de financiële stabiliteit en het versterken van pro-sociale contacten geïndiceerd om het recidiverisico te beperken.
De straf
De rechtbank komt, alles afwegend, tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geformuleerd door de reclassering, te weten: een meldplicht bij de reclassering, controle op het gebruik van verdovende middelen, controle op het gebruik van alcohol en meewerken aan het aflossen van schulden.
De rechtbank beoogt met oplegging van deze straf de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen. Het voorwaardelijk deel en de daaraan verbonden voorwaarden dienen ertoe te voorkomen dat verdachte in de toekomst wederom strafbare feiten zal plegen.
Een straf voor de duur zoals voorgesteld door de raadsvrouw doet naar oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van de feiten.
Verzoek opheffing voorlopige hechtenis
De raadsvrouw heeft verzocht de voorlopige hechtenis bij vonnis op te heffen. De rechtbank wijst, gelet op deze strafoplegging, het verzoek van de raadsvrouw tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af.
Maatregel kostenverhaal
De maatregel van artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De verdachte wordt veroordeeld voor een van de feiten genoemd in lid 1, aanhef, van dit artikel, op het terrein van het woonwagenkamp waren voorwerpen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, de verdachte heeft afstand gedaan van deze voorwerpen en de Staat heeft kosten gemaakt voor vernietiging daarvan.
De rechtbank is van oordeel dat de kosten die zijn opgenomen in het kostenoverzicht en de factuur van [bedrijf] B.V., totaal € 16.028,74, voldoende zijn onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet. Uit het dossier blijkt tevens dat de factuur van dit bedrijf door de Staat is betaald.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat de opgevoerde kosten zien op de afvoer van de voorwerpen en stoffen die direct samenhangen met de aangetroffen productie-opstelling. De sanering van het hele terrein dat hierop is gevolgd, is niet in deze factuur vervat. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie opgevoerde schade in zijn geheel aan verdachte kan worden toegerekend.
De rechtbank zal daarom aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling van € 16.028,74, aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet.
De rechtbank zal bij het opleggen van de maatregel met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ook de duur van de gijzeling bepalen. Bij het bepalen van de duur wordt overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting voor elke volle € 100 van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. Als het bedrag van € 16.028,74 niet wordt betaald, kunnen derhalve 160 dagen gijzeling worden toegepast, zonder dat daardoor de betalingsverplichting van de verdachte vervalt.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 10a en 13d van de Opiumwet.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
Maatregel kostenvergoeding
- legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet een bedrag van € 16.028,74;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 160 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. K.G. Witteman en
mr. M. el Jerrari, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 20 augustus 2025 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1, van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Fabrique Nat., kaliber 7.65 mm (goednummer 1831935), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 20 augustus 2025 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het (telkens) opzettelijk
- binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken
en/of vervoeren, en/of
- vervaardigen,
van een hoeveelhe(i)d(en) MDMA en/of amfetamine, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- een of meer voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn/haar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) op of omstreeks 20 augustus 2025 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland:
- diverse (grote) hoeveelheden grondstoffen en/of chemicaliën, en/of
- een of meer (technische) appara(a)t(en) en/of gereedschap en/of maatbekers en/of trechters en/of klemdekselvaten,
althans diverse (andere) voorwerpen geschikt voor het vervaardigen van MDMA en/of
amfetamine en/of een of meer ander(e) middel(en)/stof(fen) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voorhanden gehad, waarvan hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat/die bestemd
was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);