RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.061503.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2002,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. Schyns, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 17 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is ter terechtzitting gehoord mr. K. Regter. Mr. Regter heeft ter terechtzitting het spreekrecht namens mevrouw [naam 1] uitgeoefend. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 5 mei 2024 tot en met 6 mei 2024 ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [naam 1] (hierna: [naam 1] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, waarbij de ontucht (mede) bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam 1] .
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het feit. De officier van justitie acht beide tenlastegelegde handelingen, het seksueel binnendringen met de vingers in de vagina en het binnendringen met de penis in de vagina en de anus, bewezen. De officier van justitie heeft daartoe verwezen naar de verklaringen van [naam 1] , die hij voldoende concreet en gedetailleerd en daarmee betrouwbaar acht, en het DNA-onderzoek wat steun biedt aan die verklaringen. Uit het DNA-onderzoek blijkt dat diep vaginaal DNA van de verdachte is aangetroffen, en ook bij de anus zijn DNA resten aangetroffen van een onbekend persoon, waarbij het volgens de officier van justitie niet anders kan dan dat dit van de verdachte is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het seksueel binnendringen met de penis in de vagina en de anus. De raadsvrouw acht de verklaringen van [naam 1] onbetrouwbaar voor dat deel, nu haar verklaringen te inconsistent en tegenstrijdig zijn. Het DNA-onderzoek biedt daarvoor ook geen steun, nu dat enkel bevestigt dat er seksueel contact is geweest, maar het past bij het alternatieve scenario dat de verdachte heeft geschetst. Hij heeft zichzelf die avond bevredigd, waarbij er waarschijnlijk sperma op zijn handen terecht is gekomen en dit vervolgens via het binnendringen met de vingers, in de vagina van [naam 1] is terecht is gekomen. Bovendien stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat uit het DNA-onderzoek helemaal niet blijkt dat er anaal binnengedrongen zou zijn in de vagina van [naam 1] .
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft het seksueel binnendringen met de vingers in de vagina, nu de verdachte dit laatste heeft bekend.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
Voorop gesteld moet worden dat zedenzaken zich veelal kenmerken door de aanwezigheid van slechts twee personen bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: een slachtoffer en een verdachte. Ook in deze zaak is dit het geval. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Het ondersteunend bewijsmateriaal moet afkomstig zijn uit een andere bron dan de getuige zelf. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Dit betekent dat in een zaak waar een verdachte het ten laste gelegde feit (deels) ontkent en er geen directe getuigen zijn van de verweten ontuchtige handelingen, de rechter eerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van een slachtoffer moet beoordelen en vervolgens moet beoordelen of er voldoende steunbewijs voor die verklaring in het dossier aanwezig is.
Betrouwbaarheid verklaring [naam 1]
Op 6 mei 2024 heeft de politie [naam 1] aangetroffen bij de verdachte thuis, en haar daarna naar huis gebracht. Die dag heeft [naam 1] tegen haar moeder verklaard over wat er gebeurd zou zijn bij de verdachte thuis. Op 6 mei 2024 heeft er een zogeheten informatief gesprek zeden plaatsgevonden tussen [naam 1] en de politie. Op 4 juni 2024 heeft de moeder van [naam 1] , [naam 2] , aangifte namens [naam 1] gedaan wegens seksueel misbruik door de verdachte. Op 3 juli 2024 is [naam 1] voor de tweede keer gehoord door de politie en op
5 augustus 2024 werd zij nog een derde keer gehoord door de politie.
De verklaringen van de verdachte en de aangeefster stroken met elkaar wat betreft het brengen van de vingers door de verdachte in de vagina van de aangeefster. De rechtbank heeft geen enkele reden om hieraan te twijfelen en acht dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.
De vraag die rijst is of hetzelfde lot het tweede onderdeel van de tenlastelegging - het brengen van zijn penis in haar vagina en/of anus - dient te treffen. De verklaringen van de verdachte en de aangeefster lopen op dit punt uiteen. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster is het vertrekpunt voor de beoordeling van de rechtbank en daarbij valt meteen een aantal zaken op die die betrouwbaarheid in het geding brengen. Immers, de aangeefster verklaart op essentiële punten wisselend en tegenstrijdig. Zo heeft [naam 1] op 6 mei 2024 in de auto bij de politie verklaard dat er niets was gebeurd tussen haar en de verdachte. Eenmaal thuis, zo begrijpt de rechtbank uit de aangifte van moeder [naam 2] , heeft [naam 1] tegen [naam 2] verklaard dat er toch iets was gebeurd. [naam 1] vertelt dan tegen [naam 2] dat zij seks tegen haar wil had gehad. Zij heeft verteld dat de verdachte met zijn vinger bij haar vagina naar binnen was gegaan, en dat zij de piemel van de verdachte in haar handen heeft gehad. Meer had zij hierover niet verteld. De politie stuurt [naam 2] daarna telefonisch aan om [naam 1] te vragen of het vaginaal was gebeurd. [naam 1] beantwoordde deze vraag van haar moeder bevestigend. Daarna stuurt de politie [naam 2] aan om [naam 1] te vragen over anale seks, waarop [naam 1] heeft gezegd “Ja, maar hoe moet ik dat weten?”. Tot slot zei [naam 1] , desgevraagd door [naam 2] , dat zij geen pijn had toen ze wakker werd. Tijdens het informatief gesprek zeden heeft [naam 1] gedetailleerd verklaard hoe zij die avond eigenlijk bij de verdachte thuis terecht is gekomen. Zij werd in de stad achtervolgd tijdens een rondje lopen, zag de verdachte opeens op de markt zitten, en is met hem mee naar huis gegaan omdat zij zelf niet meer naar huis durfde te gaan. Daar is zij op de bank in slaap gevallen, waarop hij vervolgens bij haar is gaan liggen, en de verdachte – terwijl zij sliep – niet alleen met zijn vingers, maar ook met zijn penis in haar vagina is geweest. Tijdens het tweede verhoor heeft [naam 1] verklaard dat zij niet achtervolgd werd, maar dat zij met de verdachte had afgesproken in de stad en met hem naar huis is gegaan omdat zij niet naar huis wilde gaan. Ook verklaarde [naam 1] dat zij niet op de bank lag, maar in het bed van de verdachte. Tijdens het derde verhoor met de politie heeft [naam 1] verklaard dat de verdachte niet alleen met zijn penis in haar “kut” (de rechtbank begrijpt: vagina), maar ook in haar “kont” (de rechtbank begrijpt: anus) is geweest, en dat het wél pijn deed.
Rest nog de vraag hoe het zit met het DNA-onderzoek waaruit, kort gezegd, is gebleken dat diep vaginaal DNA van de verdachte (een spermaspoor) is aangetroffen bij [naam 1] . Is het zo dat dit bewijsmiddel, ondanks de voornoemde bevindingen over de verklaringen van [naam 1] , haar verklaringen betrouwbaar maakt en voornoemde gevolgtrekking van de rechtbank omtrent de betrouwbaarheid logenstraft? De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend nu deze DNA bevindingen geen scenariodiscriminerend karakter bezitten wat betreft het verhaal van de aangeefster en dat van de verdachte. Immers, deze DNA bevindingen passen eveneens in het verhaal van de verdachte erop neerkomende dat hij, na zichzelf te hebben bevredigd, met de vingers in de vagina van [naam 1] is geweest. Nu dit bewijsmiddel geen onderscheid maakt tussen de verhalen van de aangeefster en de verdachte - dit wat betreft het tweede onderdeel van de tenlastelegging - heeft te gelden dat de verklaringen van de aangeefster onbetrouwbaar te achten zijn. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het tweede onderdeel van de tenlastelegging - het brengen van de penis in de vagina en/of anus.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 5 mei 2024 en 6 mei 2024 met zijn vingers seksueel is binnengedrongen in de vagina en tussen de schaamlippen van [naam 1] . De rechtbank zal echter volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin Sv, omdat de verdachte het feit ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.
- het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden van 6 mei 2024;
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 17 maart 2026.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
in de periode van 5 mei 2024 tot en met 6 mei 2024 in de gemeente Maastricht, met [naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam 1] , te weten
- het brengen van zijn vingers in haar vagina en tussen haar schaamlippen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om toepassing van het adolescentenstrafrecht, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte, zijn afhankelijkheid van 24-uurszorg en zijn algehele ontwikkelingsachterstand. In dat licht heeft de raadsvrouw verzocht om het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en aan de verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie, dan wel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen indien de rechtbank het adolescentenstrafrecht niet toepast. Daartoe heeft zij verwezen naar de zorgen die de reclassering uit over de gevolgen die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal hebben voor de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van destijds 14 jaar, bestaand uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De wetgever heeft minderjarigen tegen seksuele contacten met meerderjarigen willen beschermen, omdat zij zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en vaak onvoldoende in staat zijn om hun seksuele integriteit te bewaken en de gevolgen van dergelijke handelingen te beoordelen. De verdachte had zich hier bewust van moeten zijn. Hij wist immers hoe oud [naam 1] was en heeft ook verklaard dat hij uiteindelijk is gestopt met de handelingen omdat hij zich realiseerde dat ze te jong was. Hij had daarom van de seksuele handelingen moeten afzien. Het plegen van ontuchtige handelingen is een zeer ingrijpende gebeurtenis, die de verdere (seksuele) ontwikkeling van het slachtoffer ernstig kan verstoren en vaak langdurige psychische gevolgen heeft voor het slachtoffer. Dit laatste blijkt ook uit de slachtofferverklaring van [naam 1] waaruit volgt dat zij nog steeds slecht slaapt, moeite heeft met concentratie en gestopt is met school en traumabehandelingen heeft gevolgd voor het psychisch letsel dat zij heeft opgelopen.
De raadsvrouw heeft verzocht om toepassing van het adolescentenstrafrecht. Ten aanzien van een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het plegen van een strafbaar feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het adolescentenstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven. De rechtbank heeft bij de beoordeling hiervan acht geslagen op het reclasseringsrapport en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank leest in het rapport van de reclassering dat er geen aanleiding is om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Hoewel er bij de verdachte sprake is van beperkte handelingsvaardigheden, heeft de reclassering geconcludeerd dat dit passend is bij de algehele ontwikkelingsachterstand van de verdachte en het lage totaal IQ van 64. De verdachte is niet meer schoolgaand en woont op zichzelf met 24-uursbegeleiding, wat contra-indicaties zijn voor het toepassen van het adolescentenstrafrecht. Daarnaast verzorgt de verdachte, in het kader van zijn dagbesteding, onderhoud aan terreinen, hetgeen hij zijn werk noemt en heeft de verdachte op het gebied van arbeid ook plannen voor de toekomst. De rechtbank acht dit alles getuigen van een zekere zelfstandigheid en volwassen handelen van de verdachte, en ziet in de persoonlijkheid van de verdachte derhalve geen aanleiding om in de onderhavige zaak toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht. De verdachte zal dus worden berecht volgens het volwassenenstrafrecht.
De raadsvrouw heeft tevens verzocht om het feit verminderd aan de verdachte toe te rekenen. De rechtbank ziet in het advies van de reclassering geen grond om het bewezen feit verminderd aan de verdachte toe te rekenen.
Met de hierna genoemde persoonlijke omstandigheden zal de rechtbank wel rekening houden. De rechtbank ziet een verdachte met een laag intelligentieniveau en een algehele ontwikkelingsachterstand, die nooit eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en die ter terechtzitting heeft verklaard spijt te hebben van hetgeen hij heeft gedaan. De rechtbank heeft ter terechtzitting ook de indruk gekregen dat de verdachte zich bewust is van het kwalijke van zijn handelen. Echter, de rechtbank ziet ook een verdachte die een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd, en daar moet een forse straf tegenover staan. De wetgever heeft de ernst van dit feit en het belang van die normhandhaving dan ook benadrukt met de invoering van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, dat eraan in de weg staat een taakstraf en/of alleen een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank begrijpt de negatieve gevolgen van een gevangenisstraf voor de verdachte, maar is gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit van oordeel dat niet volstaan kan worden met een andere of een lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal geen voorwaardelijk strafdeel opleggen, nu de reclassering het recidiverisico laag inschat, en interventies of toezicht niet nodig acht.
Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van
10 maanden passend en geboden.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor een programma dat de verdachte helpt terug te keren in de maatschappij (penitentiair programma).
6. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [naam 1] (met wettelijk vertegenwoordiger [naam 2] ) vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 12.792,39. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
smartengeld: € 12.000,00;
kleding (2x ondergoed en 1x onesie): € 70,00;
parkeerkosten ten behoeve van behandelingen: € 13,50;
reiskosten ten behoeve van medische behandelingen: € 208,89.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gehele vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om het smartengeld (post a) aanzienlijk lager vast te stellen, gelet op de ondergrens van categorie 15.2 onder c van de Rotterdamse schaal, waaronder valt het eenmalig binnendringen. De raadsvrouw heeft verder verzocht om post b lager vast te stellen, en de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering voor wat betreft post c en post d.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade (post a)
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen, gepleegd door de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door de verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in haar eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft acht geslagen op de toelichting bij categorie 15.2 onder c van de Rotterdamse schaal, waaronder valt eenmalige ontucht met binnendringen, waarbij geen sprake is van vaginaal of anaal binnendringen met een geslachtsdeel. Gelet op voorgaande en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 1.500,00 billijk. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering.
Materiële schade (posten b, c en d)
De benadeelde partij heeft de waarde van haar ondergoed en kleding gevorderd als materiële schade (post b, € 70,00). Uit de onderbouwing van de schade blijkt dat deze kleding beschadigd is geraakt bij het politieonderzoek. Op grond van deze onderbouwing acht de rechtbank het bestaan van de door benadeelde partij gevorderde schade ook aannemelijk, en ziet de rechtbank geen reden om het schadebedrag te matigen. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft deze materiële schade toewijzen.
De benadeelde partij heeft parkeerkosten (post c, € 13,50) en reiskosten (post d, € 208,89) ten behoeve van behandelingen door hulpverleners gevorderd als materiële schade. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit, nu uit de onderbouwing bij het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat [naam 1] al in behandeling was bij de GGZ-instelling [naam 3] wegens het overlijden van haar vader, voordat de bewezenverklaarde ontucht had plaatsgevonden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering.
De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € 1.570,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 6 mei 2024. De rechtbank zal voor dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Gevangenisstraf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, van een bedrag van
€ 1.570,00, bestaande uit € 1.500,00 immateriële schade (post a) en € 70,00 materiële schade (post b), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en
mr. dr. W. Kieboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.R.G. Rebergen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 31 maart 2026.
Buiten staat
Mr. dr. Kieboom is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 5 mei 2024 tot en met 6 mei 2024 in de gemeente Maastricht, met [naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 2009, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam 1] , te weten
- het brengen van zijn vingers in haar vagina en/of tussen haar schaamlippen en/of
- het brengen van zijn penis in haar vagina en/of anus.