RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03.102525.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2005,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. C.A.L.C. van Putten, advocaat kantoorhoudende te Venlo.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is op de zitting verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat kantoorhoudende te Sittard. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 28 juli 2024 in Weert de destijds 13-jarige [benadeelde partij] heeft aangerand en verkracht.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is. Zij heeft daartoe betoogd dat de verklaring van [benadeelde partij] authentiek is, consistent is op hoofdlijnen, alsook gedetailleerd op bepaalde punten, en daarmee betrouwbaar kan worden geacht. Daarnaast is er voldoende steunbewijs voor haar verklaring. Getuigen hebben bij [benadeelde partij] emoties waargenomen toen zij hen vertelde wat haar was overkomen en spreken over een gedragsverandering. Daarbij komt dat de verklaring van [benadeelde partij] past binnen de tijdlijn, zoals deze uit het procesdossier volgt. Ten slotte is niet gebleken van enig alternatief scenario voor de belastende verklaringen van [benadeelde partij] .
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de integrale vrijspraak van de verdachte bepleit. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat er op relevante onderdelen onvoldoende steun voor de aangifte is te vinden in objectieve bewijsmiddelen, in de vorm van onafhankelijke waarnemingen of forensische sporen. Direct na het vermeende voorval nemen getuigen geen noemenswaardige emoties waar bij [benadeelde partij] . Er zijn daarnaast onvoldoende aanknopingspunten om te spreken van een gedragsverandering van [benadeelde partij] als gevolg van het vermeende voorval. De verklaring van [benadeelde partij] is daarmee de enige dragende bron waarop de overige getuigenverklaringen zijn gebaseerd. Daardoor wordt het bewijsminimum-vereiste niet behaald.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
Aan de verdachte is een zedendelict tenlastegelegd. Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken en kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) seksuele handelingen, namelijk degene die zich als slachtoffer ziet en degene die als dader wordt gezien. Veelal is het ook zo dat de (belastende) verklaring van het slachtoffer lijnrecht tegenover de (ontkennende) verklaring van de verdachte staat. Andere getuigen van de gebeurtenissen zijn er vaak niet. Ook in deze zaak is dit het geval.
In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Er moet altijd steunbewijs zijn. Als hetgeen de getuige verklaart op zichzelf staat en niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel, moet de rechter de verdachte vrijspreken. Oók als de rechter de verklaring van de getuige geloofwaardig en betrouwbaar acht. Dat wordt niet anders als de getuige haar ervaringen met anderen heeft gedeeld. De belastende verklaring is dan immers nog altijd uit één bron afkomstig.
Of er voldoende steunbewijs is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Toch zijn daarvoor wel enige aanknopingspunten in de jurisprudentie geformuleerd. In sommige gevallen kan een verklaring van een getuige die niet ter plaatse aanwezig is geweest, echter wel als steunbewijs worden aangenomen. Dit kan als die getuigenverklaring ook een eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van aangever vlak nadat het strafbare feit zou zijn gepleegd.
De beoordeling van de rechtbank met bovenstaand kader als uitgangspunt
Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting staat vast dat de verdachte (destijds 18 jaar oud) en [benadeelde partij] (destijds 13 jaar oud) op 28 juli 2024 om circa 19:30 uur in de woning van de verdachte, die nog bij zijn ouders woont, arriveerden. Zij waren daarvoor in een café in Weert geweest, tezamen met de ouders van de verdachte en de vader van [benadeelde partij] . In de woning waren zij alleen. Om 20:01 uur heeft de verdachte avondeten besteld voor [benadeelde partij] en hemzelf. Nadat het eten werd bezorgd, hebben [benadeelde partij] en de verdachte gegeten. Rond 21:00 uur waren de ouders van de verdachte thuis.
[benadeelde partij] en de verdachte verklaren tegenstrijdig over wat er tussen beiden is gebeurd in de woning van de verdachte, grofweg binnen het tijdsbestek van 20:30 tot 21:00 uur. Volgens [benadeelde partij] heeft de verdachte op zijn slaapkamer ontuchtige handelingen met haar gepleegd, waarbij hij ook haar lichaam seksueel is binnengedrongen. De verdachte ontkent echter ten stelligste dat er seksuele handelingen tussen hem en [benadeelde partij] hebben plaatsgevonden en dat [benadeelde partij] in zijn slaapkamer is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier naast de verklaring van [benadeelde partij] onvoldoende steunbewijs bevat dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan.
De aangifte door de moeder van [benadeelde partij] en de getuigenverklaringen van de ouders van [benadeelde partij] en haar jongere zusje [naam 1] zijn immers allemaal terug te voeren op één bron, te weten [benadeelde partij] , en kunnen om die reden dus geen steunbewijs opleveren. Zij hebben alle drie ‘de auditu’ (dus ‘van horen zeggen’) van [benadeelde partij] gehoord wat er zou zijn gebeurd.
Over waargenomen emoties tijdens het disclosuregesprek met [naam 1] een dag later, verklaart [naam 1] dat [benadeelde partij] huilde. Verder heeft [benadeelde partij] moeder verklaard dat haar dochter op 16 september 2024 huilde toen zij haar in bijzijn van [benadeelde partij] stiefvader voor het eerst vertelde over de gebeurtenissen op 28 juli 2024. De vader van [benadeelde partij] verklaarde dat hij kort na dit gesprek werd geïnformeerd door [benadeelde partij] moeder en stiefvader in bijzijn van [benadeelde partij] . [benadeelde partij] stond er toen stil bij en knikte. Voor wat betreft de door de moeder en vader van [benadeelde partij] waargenomen emoties op het moment dat [benadeelde partij] heeft verteld wat haar is overkomen, geldt dat deze waarnemingen niet zijn gedaan vlak nadat het strafbare feit zou zijn gepleegd, maar pas anderhalve maand later. Die waarnemingen staan naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband met hetgeen gebeurd zou zijn om de verklaring van [benadeelde partij] in voldoende mate te kunnen ondersteunen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat ook de verklaring van [benadeelde partij] zusje dat [benadeelde partij] huilde, geen toereikend steunbewijs oplevert.
Daarbij komt dat uit het procesdossier, anders dan door de officier van justitie is betoogd, in objectieve zin niet is gebleken van een wezenlijke gedragsverandering van [benadeelde partij] vanaf het plegen van het vermeende strafbare feit.
Verklaringen van ‘ [naam 2] ’ en ‘ [naam 3] ’ (vrienden van zowel [benadeelde partij] als de verdachte, tegen wie de verdachte – volgens [benadeelde partij] – zou hebben ‘opgeschept’ over het tenlastegelegde feit) zouden mogelijk steun hebben kunnen bieden aan de verklaring van [benadeelde partij] . Zij zijn echter niet door de politie als getuige gehoord. Ook andere bewijsmiddelen – zoals forensisch bewijs – ontbreken in het procesdossier.
De slotsom is dat de verklaring van [benadeelde partij] op zichzelf blijft staan.
De rechtbank is daarom van oordeel dat hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd niet wettig kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
4. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van in totaal 12.500,00 euro ter zake van het tenlastegelegde feit. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
toekomstige schade: 5.000,00 euro;
smartengeld: 7.500,00 euro.
De benadeelde partij heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de post ‘smartengeld’ ad 7.500,00 euro, onder vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De post ‘toekomstige schade’ dient niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van een onderbouwing.
Het standpunt van de verdediging
Aangezien de verdediging de integrale vrijspraak van de verdachte heeft bepleit, is zij van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de benadeelde partij voor wat betreft de post ‘toekomstige schade’ niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard wegens het ontbreken van een onderbouwing. Daarnaast heeft zij verzocht om bij toewijzing van de post ‘smartengeld’ geen wettelijke rente toe te wijzen, nu het smartengeld al is geïndexeerd.
Het oordeel van de rechtbank
Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor de verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
5. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;
Benadeelde partij
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. B. de Groot en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 april 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 28 juli 2024,
in de gemeente Weert,
met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde partij] (geboren op [geboortedatum] 2010), een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten;
- het duwen en/of brengen van zijn tong op en/of in de vagina van die [benadeelde partij] en/of
- het duwen en/of brengen van zijn penis in de mond van die [benadeelde partij] en/of
- het duwen en/ of brengen van zijn penis in de vagina van die [benadeelde partij] ;