ECLI:NL:RBLIM:2026:3463

ECLI:NL:RBLIM:2026:3463

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 13-04-2026
Datum publicatie 13-04-2026
Zaaknummer 03/059175-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Veroordeling tot gevangenisstraf van 265 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis ter zake medeplegen van een lijk wegvoeren met het oogmerk om het feit en/of oorzaak van het overlijden te verhelen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/059175-24

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 april 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1976,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. G.J.J.G. Stevens-Waltmans, advocaat te Roermond.

1. Onderzoek van de zaak.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 30 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

op 25 december 2023 te Blerick samen met (een) ander(en), het dode lichaam van [slachtoffer] , heeft verborgen, weggevoerd of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

3. De beoordeling van het bewijs

Inleiding

Op 25 december 2023 werd in een berging van een appartementencomplex aan de

[adres 2] te Blerick het lichaam van [slachtoffer] aangetroffen. Het slachtoffer bleek

om het leven te zijn gebracht in de woning op nummer [nummer] , waar de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samenwoonden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het samen met de medeverdachten verbergen en/of wegvoeren van het lichaam van [slachtoffer] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging opgenomen handelingen heeft uitgevoerd dan wel deze handelingen niet zijn te kwalificeren als het verbergen, wegvoeren of wegmaken van het lichaam van [slachtoffer] .

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten ontbreekt, zodat geen sprake is van medeplegen.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Verbalisant [slachtoffer] relateerde op 25 december 2023 onder meer als volgt:

Op 25 december 2023 kreeg ik omstreeks 02.30 uur de opdracht te rijden naar de

[adres 2] 99 in Venlo. […] Ik ben richting de toegangsdeur van de [adres 2] gelopen. De toegangsdeur op de [adres 2] geeft toegang tot huisnummers [nummers] . Ik zag dat er bloed op de grond lag voor de toegangsdeur. Ik zag dat er aan de klink van de toegangsdeur bloed zat. Ik zag links van de toegangsdeur een deur zitten. […] Ik zag dat aan deze deur ook bloed zat. Ik zag dat er bloedvegen op het kozijn van deze deur zaten. Ik ben het appartementen-complex in gelopen. Na de toegangsdeur is er een ruimte met persoonlijke bergingen gekoppeld aan de huisnummers. Ik zag op de grond meerdere plassen bloed liggen. Ik zag schuin tegenover de berging van huisnummer [nummer] een emmer met water en een dweil staan. Ik zag dat aan de onderkant van de dweil bloed zat. Ik hoorde van collega's dat het bloedspoor verder liep door de trappenhal naar boven. Ik zag dat de grond nat was. Ik zag dat er veegsporen waren. Ik heb het bloedspoor naar boven gevolgd. Ik liep de trap omhoog tot aan de derde etage wat tevens de bovenste etage betrof. Ik zag aan de deur van huisnummer [nummer] bloed zitten. Ik besloot om de deur te openen. Ik zag in de hal een grote hoeveelheid bloed liggen. Ik zag dat het een sleepspoor van bloed was. Ik liep door richting de woonkamer. Ik zag in de woonkamer overal bloed liggen. Ik zag dat er spetters bloed tegen de muur aan zaten. Ik zag dat er op de grond een grote hoeveelheid bloed lag. Ik zag dat er op de bank bloed zat. Ik verliet de woning Ik keek in de politiesystemen en zag dat [medeverdachte 1] ingeschreven stond op genoemd adres. [...] In overleg met de officier van dienst besloten wij de gezamenlijke berging te betreden. […] Ik zag dat de deur geopend werd. Ik zag direct achter de deur twee benen. Ik liep naar binnen en zag dat er een lichaam lag ingewikkeld in een deken. Ik zag dat het lichaam op de buik lag. […]. Ik heb het lichaam omgedraaid om te kijken of het slachtoffer nog een ademhaling had. Ik heb de dekens opengemaakt. […] Ik voelde aan de nek van het slachtoffer of ik een hartslag kon voelen maar dit was niet het geval.

Verbalisanten [naam 1] en [naam 2] relateerden op 25 december 2023

onder meer als volgt:

Op 25 december 2023 hebben wij het stoffelijk overschot in beslag genomen. Tijdens de lijkschouw zijn foto's gemaakt van het aangezicht van de overleden persoon. Deze foto's zijn door een politieambtenaar getoond aan een familielid van de overledene.

Verbalisanten [naam 3] en [naam 4] relateerden op 26 december 2023

onder meer als volgt:

Op 26 december 2023 toonden wij de foto van het gezicht. Desgevraagd verklaarde [naam 5] dat de persoon op de foto haar zoon betrof, genaamd: [slachtoffer] , [slachtoffer] .

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie op 26 februari 2024 onder meer als volgt verklaard:

[…] V: [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: slachtoffer [slachtoffer]) ligt dan op de grond. Ademde hij nog? Wat zag je? Wat hoorde je?

A: Niks.

[...] heb ik nog gevoeld of hij leefde.

V: En wat was voor jou toen de conclusie?

A: Dat hij dood was.

[…] V: Dan ligt [slachtoffer] in dat laken. Hoe gaat het dan verder?

A: Toen hebben we hem een beetje gesleept naar de deur. Maar hij was heel erg zwaar. Er is in ieder geval een punt, toen gingen we die man halen.

V: Toen lag [slachtoffer] nog in de woning in die lakens, je had een stukje met hem gesleept.

A: Ja.

[…] V: En wat was de bedoeling van het slepen?

A: Ja, weet ik niet. Ja, kijk, uiteindelijk, nou ja, om hem te verplaatsen.

V: En wat is het volgende wat je wel weet dan?

A: We zitten in de auto.

[...]

Die is in Venlo opgehaald.

[…] Het was een donkere man

[…] Dan rijden we naar mij toe.

V: Wie gaan er allemaal naar binnen bij jou?

A: [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]), ik en die andere man.

We hebben even gezeten.

[...] Ik was ook een tijdje alleen met hem. Ja, ik weet niet waar [medeverdachte 2] was. Hij is een paar keer weggeweest. Toen heb ik gevraagd of hij, die man, wat wilde drinken. Hij wist op dat moment wel waarom hij er was. Want ik heb aan die man gevraagd, weet je zeker dat je het kunt?

V: En wat zei hij?

A: Ja.

[…]

V: Waar is [slachtoffer] op dat moment?

A: Hij was in de woonkamer.

[…] Op een gegeven moment hebben we dus [slachtoffer] naar. ..

[…] V: Je bedoelt dat hij eerst met zijn hoofd naar beneden gedragen is uiteindelijk?

A: Ja, want ik had hem bij de voeten en dat is gebeurd...... In de woonkamer was hij nog steeds met zijn hoofd... Het punt van draaien kan ik me niet herinneren. [medeverdachte 2] had hem bij zijn hoofd aan de voorkant. Hij was heel zwaar. Die man, daar zat geen kracht in. Hij moest mij natuurlijk helpen want we moesten de trap af.

[…] V: [slachtoffer] is ergens gedraaid? Je weet niet of jullie toen met z’n tweeën of met z’n drieën waren, die man was niet heel erg sterk. [medeverdachte 2] was bij zijn hoofd en hij heeft [slachtoffer] eerst met zijn hoofd naar beneden gedragen, gesleept. Ik weet niet, zo zeg je?

A: Ik kon hem niet houden en toen is hij getrokken.

V: Waar was die man toen, toen dat gebeurde.

A: Die was er ook bij, die was naast mij die heeft ook gedragen.

[…] Ja en hoe het verdergegaan is weet ik niet. Ik weet het niet meer tot hij onder is.Ik weet niet zeker of we hem eerst in dat persoonlijke halletje hebben neergelegd, of niet. [medeverdachte 2] ging de auto halen.

[…] Toen hebben we geprobeerd [slachtoffer] in de achterklep te krijgen, maar hij was veel te zwaar, dat lukt niet.

[…]Toen hebben we hem in die ruimte gelegd waarin hij gevonden is.

[…] V: Is hem wat betaald, heeft die man iets gekregen?

A: Ja die heeft wel geld gekregen.

Dat weet ik ook niet precies hoe dat gegaan is. Maar ik weet wel dat hij er 500 euro voor heeft gekregen.

Verachte heeft ter terechtzitting van 30 maart 2026 onder meer als volgt verklaard:

[medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ) en zijn vriendin zijn die betreffende nacht naar mijn woning gekomen. Zij vroegen mij om hen te helpen iets te dragen. Ik zou daar geld voor krijgen. Ik ben met hen meegegaan naar het appartement. Ik heb het geld vooraf al gekregen. Toen ik het appartement binnenkwam, zag ik overal bloed en een lichaam dat in een laken lag. [medeverdachte 2] vroeg mij vervolgens om te helpen het lichaam in de auto te leggen.

Overwegingen

Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken staat vast dat [slachtoffer] in de nacht van 25 december 2023 is overleden in het appartement van medeverdachte [medeverdachte 1] , waarna medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben geprobeerd het lichaam – nadat het in lakens was gewikkeld – te verplaatsen. Het lichaam van [slachtoffer] is uiteindelijk aangetroffen in de algemene fietsenstalling op de begane grond van het appartementencomplex.

Op basis van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat de medeverdachten op enig moment een derde persoon erbij hebben opgehaald en mee naar het appartement hebben genomen. Deze derde persoon betrof de verdachte.

Hoewel verdachte uiteindelijk heeft erkend dat hij in de betreffende nacht is opgehaald door de medeverdachten en met hen het appartement binnen is gegaan alwaar hij het lichaam gewikkeld in lakens zag, ontkent hij verder enige betrokkenheid te hebben gehad bij het verplaatsen van het lichaam.

Het deel van de verklaring van de verdachte dat hij in het betreffende appartement is geweest volgt de rechtbank, nu dit onderdeel van de verklaring van de verdachte ondersteund wordt door de in het procesdossier aanwezige forensische resultaten. Dat hij voor het overige niets gedaan heeft in het appartement en slechts kort aldaar aanwezig is geweest, volgt de rechtbank echter niet. Niet alleen heeft verdachte in zijn eerste twee verhoren ontkend überhaupt ter plaatse te zijn geweest, ook daarna wisselen telkens zijn verklaringen over de gebeurtenissen. Bovendien past zijn verklaring niet in de getuigenverklaringen van twee buurtbewoonsters [naam 6] en [naam 7] die twee mannen en een vrouw hebben waargenomen bij de auto die stond geparkeerd voor de portiek van het appartementen-complex noch in de resultaten van het telecommunicatie onderzoek waaruit blijkt dat de telefoon van verdachte langer in de omgeving van het appartementencomplex is geweest dan verdachte heeft verklaard.

De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] acht de rechtbank daarentegen wel betrouwbaar. [medeverdachte 1] heeft meerdere gedetailleerde, op hoofdlijnen consistente verklaringen afgelegd waarin zij bovendien ook zichzelf heeft belast.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte haar en medeverdachte [medeverdachte 2] heeft geholpen om het lichaam vanuit het appartement via de trap naar beneden te dragen. Deze handelingen leveren, naar het oordeel van de rechtbank, een nauwe en bewuste samenwerking - in de zin van een gezamenlijke uitvoering - bij het wegvoeren van het lichaam op. Aan het onderdeel medeplegen was feitelijk reeds voldaan bij de eerste fysieke bemoeienis van de verdachte om het lichaam te verplaatsen. Door zulks te doen - waarbij de rechtbank eveneens in ogenschouw neemt de verklaring van [medeverdachte 1] dat de verdachte wist wat hij in het appartement deed en wat de bedoeling was - heeft de verdachte handelingen verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm erop waren gericht te voorkomen dat anderen het lijk waarnemen.

De rechtbank acht derhalve het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 25 december 2023 te Blerick, gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen het lijk van [slachtoffer] heeft weggevoerd met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders het lijk van die [slachtoffer] vanaf de derde etage van het appartementencomplex gelegen aan de [adres 2] 89 tot en met [nummer] te Venlo, vervoerd naar de op de begane grond gelegen berging.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van een lijk wegvoeren met het oogmerk om het feit en/of oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf en/of de maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de door de reclassering geformuleerde bijzondere voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de persoon van de verdachte, de inhoud van het reclasserings-rapport, de overschrijding van de redelijke termijn en de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht met daarnaast een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden. Het is niet wenselijk om het huidige hulpverleningstraject, waarin verdachte stabiel functioneert, te doorkruisen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ernst van het feit

Nadat [slachtoffer] - nota bene op kerstavond - om het leven was gekomen in het appartement van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , heeft verdachte samen met de medeverdachten het lichaam van [slachtoffer] uit het appartement weggevoerd om zo de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] te verbergen. De verdachte werd die nacht opgehaald door de medeverdachten, aan hem werd verteld wat van hem verwacht werd en aan die verwachtingen is hij tegemoetgekomen. De wijze waarop de verdachte en de medeverdachten met het lichaam van [slachtoffer] zijn omgegaan is uitermate gewetenloos en schokkend en getuigt van gebrek aan respect voor de waardigheid van het lichaam van [slachtoffer] en het verdriet van de nabestaanden. De onschendbaarheid van het lichaam, ook dat van een overledene, is een belangrijk rechtsgoed. Verdachte heeft hier in verregaande mate inbreuk op gemaakt.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geen enkele verantwoordelijkheid lijkt te nemen voor zijn aandeel in het gebeuren. Een dergelijk ernstig feit rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt, in strafmatigende zin, rekening met het volgende. Uit het procesdossier kan worden afgeleid dat de medeverdachten bewust hebben gekozen om de verdachte om hulp te vragen vanwege zijn kwetsbare persoonlijkheid en verslavingsproblematiek. De verdachte, in alle opzichten klaarblijkelijk een kwetsbaar individu, werd door de medeverdachten juist vanwege zijn gebreken ingezet. Mentaal kwetsbaar en bovendien kampend met een verslaving. Een veilige hulp aldus die verder geen kwaad zou kunnen, zo moeten de medeverdachten hebben geredeneerd. De rechtbank voelt zich bij het kiezen van dit uitgangspunt gesterkt, nu het procesdossier deze mentaliteit bij de medeverdachten ademt. De rechtbank zal in het voordeel van de verdachte ook rekening houden met de beperkte rol die de verdachte in het geheel heeft gehad. Van het hele proces van wegmaking van het lijk van [slachtoffer] heeft de verdachte slechts aan een beperkt deel meegedaan. Het zijn uiteindelijk de medeverdachten geweest die het lichaam hebben verborgen in de berging alvorens zij zijn gevlucht.

Persoon van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 25 februari 2026 blijkt dat hij eerder is veroordeeld

voor strafbare feiten. Tevens leidt de rechtbank daaruit af dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Hierin heeft de rechtbank echter geen reden tot strafmatiging gezien.

De reclassering spreekt in haar rapportage van 25 februari 2026 van problemen op het gebied van middelengebruik en verslaving alsmede problemen op het gebied van het psychosociaal functioneren en van een hoog recidiverisico. Verdachte is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis, schizofrenie, stoornissen in middelengebruik, een licht verstandelijke beperking en hij is vanuit het verleden bekend met psychotische ontregeling. Verdachte heeft op dit moment eigen huisvesting met dagelijkse ambulante begeleiding waarbij hij wordt ondersteund op het gebied van wonen. Daarnaast stelt hij zich coöperatief op bij de ambulante behandeling bij de Rooyse Wissel in het kader van een zorgmachtiging. Ten slotte is verdachte abstinent van het gebruik van harddrugs en bezig met de afbouw van benzodiazepines. In het huidige reclasseringstoezicht is gebleken dat vanuit externe motivatie, duidelijke grenzen en restricties het verdachte lukt om stabieler door het leven te gaan en te werken aan abstinentie ofwel gecontroleerd gebruik. Het voortzetten van het huidige ambulante traject in een voorwaardelijk strafkader met een proeftijd met bijzondere voorwaarden is geïndiceerd. Gelet op de forse verslavingsproblematiek wordt het van meerwaarde geacht dat er een mogelijkheid bestaat om een kortdurende opname aan betrokkene op te leggen.

De straf

De rechtbank komt, alles afwegend, tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 265 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geformuleerd door de reclassering, te weten: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met een mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan dagbesteding, aflossing van schulden en beheersing van het middelen-gebruik. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen.

De rechtbank beoogt met oplegging van deze straf de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen. Het voorwaardelijk deel en de daaraan verbonden voorwaarden dienen ertoe te voorkomen dat de verdachte in de toekomst wederom strafbare feiten zal plegen.

De kwetsbaarheid van de verdachte en het feit dat hij ogenschijnlijk vanwege die kwetsbaarheid door de medeverdachten werd ingezet, heeft voor de rechtbank doorslag gegeven om de verdachte niet terug de gevangenis in te sturen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63, 151 Wetboek van Strafrecht van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Strafbaarheid

Straf

- beveelt dat de gestelde voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en

mr. V.C. Andeweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2026.

Mr. V.C. Andeweg en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 25 december 2023 te Blerick, gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] , heeft verborgen, weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- het lijk van die [slachtoffer] bedekt en/of omwikkeld met dekens en/of

- ( vervolgens) het lijk van die [slachtoffer] vanaf de derde etage van het apparementencomplex gelegen aan de [adres 2] 89 tot en met [nummer] te Venlo, vervoerd naar de op de begane grond gelegen berging en/of

- het lijk van die [slachtoffer] (gewikkeld in en bedekt met dekens) in de berging achtergelaten en/of

- ( vervolgens) de deur van die berging dicht gedaan, terwijl in het deurslot een afgebroken sleutel zat, waardoord e deur van de berging niet (meer) geopend kon worden;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?