RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 3 april 2026
C/03/278317 / FA RK 20-1896Zaaknummer: C/03/278317 / FA RK 20-1896
De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
verzoekster, hierna te noemen: de moeder,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus, gevestigd in Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
en:
[de vader] ,
wederpartij, hierna te noemen: de vader,
wonend op een binnen het arrondissement van de rechtbank gelegen geheim adres,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh, gevestigd in Roosendaal.
Betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad.
Wederom gezien de stukken, waaronder de door deze rechtbank gegeven en op 10 juli 2020, 8 juni 2021, 11 januari 2022, 21 februari 2022, 8 augustus 2022, 31 oktober 2023 en
23 februari 2024 gegeven beschikkingen.
1. Het verdere verloop van de procedure
Het verdere verloop van de procedure na de beschikking van 23 februari 2024 blijkt uit:
de brief van de moeder van 7 maart 2024, ingekomen 8 maart 2024;
de brief van de raad van 10 juni 2024, ingekomen 11 juni 2024;
de brief van de raad van 27 mei 2025, met als bijlage het raadsrapport van 26 mei 2025, ingekomen 28 mei 2025
de brief van de raad van 4 juni 2025 (klacht ingediend);
de brief van de moeder van 5 juni 2025, ingekomen 6 juni 2025 (reactie op rapport);
de e-mail van de rechtbank aan de raad van 28 november 2025 (informeren stand van zaken m.b.t. klacht);
de reactie van de raad van 1 december 2025 (de klacht is afgerond en heeft geen gevolgen voor het uitgebrachte advies);
het F9-formulier en de e-mail van de vader van 1 december 2025 (dat nog niet is beslist op de klachten);
de brief met bijlagen van de vader van 3 december 2025 (uitstelverzoek en brieven van de kinderen);
de e-mail van de raad van 4 december 2025 (de directeur van de raad heeft 1 december 2025 een beslissing genomen op de klacht van de vader);
de e-mail van de rechtbank aan belanghebbenden van 5 december 2025 (de rechtbank zal tijdens de mondelinge behandeling van 8 december 2025 op het aanhoudingsverzoek van de vader beslissen);
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 december 2025;
het F8-formulier van de moeder van 12 december 2025;
het F8-formulier van de vader van 15 december 2025;
de e-mail van de rechtbank van 18 december 2025 (de mondelinge behandeling vindt plaats op 23 februari 2026);
het F8-formulier van de vader van 19 december 2025 (uitstelverzoek);
de e-mail van de rechtbank aan de vader van 5 januari 2026 (uitvraag naar klemmende redenen);
de e-mail met een bijlage van de vader van 9 januari 2026 (motivering voor het uitstel);
de e-mail van de rechtbank aan de vader van 12 januari 2026 (afwijzing verzoek uitstel, geen klemmende redenen);
de e-mail met een bijlage van de raad van 11 februari 2026 (de brief van 1 december 2025 aan de vader waarin staat dat de klacht is afgehandeld (ongegrond verklaard) en de klachtbehandeling geen gevolgen heeft voor het door de raad uitgebrachte advies;
de brief met bijlagen van de vader van 16 februari 2026 (verzoek aanhouding zitting);
de e-mail van de rechtbank aan de vader 17 februari 2026 (verwijzing naar artikel 5.3. procesreglement G&O);
de brief met bijlagen van de vader van 18 februari 2026 (verhinderdata);
wrakingsverzoek ingediend door de kinderen op 18 februari 2026;
de e-mail van de rechtbank aan de vader van 19 februari 2026 (i.v.m. wrakingsverzoek kinderen geen beslissing op aanhoudingsverzoek);
de beslissing van de wrakingskamer van 19 februari 2026;
de e-mail van de rechtbank aan de vader van 20 februari 2026 (uitstelverzoek afgewezen);
het wrakingsverzoek ingediend door de vader als wettelijke vertegenwoordiger van de kinderen op 20 februari 2026;
de beslissing van de wrakingskamer van 20 februari 2026;
de e-mail van mr. De Jongh aan de rechtbank van 23 februari 2026 (ziekmelding);
de e-mail van de rechtbank aan mr. De Jongh van 23 februari 2026 (uitvraag mogelijkheid telefonisch/via Teams aan te sluiten bij de zitting);
de e-mail van de secretaresse van mr. De Jongh van 23 februari 2026 (niet in staat om aan te sluiten);
de e-mail van de rechtbank aan de belanghebbenden dat de mondelinge behandeling van 23 februari 2026 niet doorgaat en deze zal plaatsvinden op 9 maart 2026;
het F9-formulier van de vader van 6 maart 2026 (vraag kindgesprek);
de e-mail van [minderjarige 1] van 6 maart 2026 met een uitstelverzoek;
de e-mail van de rechtbank aan [minderjarige 1] van 6 maart 2026 (geen formele procespartij);
de e-mail van de rechtbank aan de vader van 6 maart 2026 (de kinderen zijn niet uitgenodigd voor een kindgesprek op 9 maart 2026);
het wrakingsverzoek van de vader van 6 maart 2026;
de beslissing van de wrakingskamer van 9 maart 2026;
de pleitaantekeningen van de vader, die zijn voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling op 9 maart 2026;
het F9-formulier van de vader van 12 maart 2026 (vraag kindgesprek);
de e-mail van de rechtbank aan de vader van 18 maart 2026 (kinderen worden niet meer gehoord).
De rechtbank heeft de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun mening kenbaar gemaakt door middel van diverse brieven in de afgelopen jaren en in een gesprek met de voorzitter op 25 november 2025. Tijdens de mondelinge behandeling op 8 december 2025 heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Op 8 december 2025 heeft de mondelinge behandeling met gesloten deuren plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
een vertegenwoordigster van de raad.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren is voortgezet op 9 maart 2026. Verschenen zijn:
- mr. Wilhelmus, namens de moeder;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de raad.
De moeder is niet verschenen. Haar advocaat heeft toegelicht dat zij afwezig is in verband
met een begrafenis.
Deze zaak is tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 gelijktijdig - maar niet gevoegd - behandeld met de zaak over het verzoek tot ondertoezichtstelling van de raad, met zaaknummer C/03/342186 / JE RK 25-912. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking gegeven. In de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling is de beschikking op 18 maart 2026 gegeven.
2. De mening van de kinderen
[minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij - gelet ook op haar ervaringen in het verleden met de moeder, waarbij zij door de moeder onder meer mishandeld is - geen contact met de moeder wil en ook niet dat de moeder nog het gezag over haar heeft. [minderjarige 1] heeft er moeite mee dat de moeder haar kaartjes stuurt, waarin zij beschrijft hoe [minderjarige 1] eruitziet en wat haar hobby’s zijn. [minderjarige 1] denkt dat de moeder dat alleen doet om te laten zien dat zij dingen van [minderjarige 1] weet, terwijl er geen contact is. [minderjarige 1] heeft het gevoel dat de moeder haar stalkt, omdat zij van anderen gehoord heeft dat de moeder bij school of de hockeyclub zou zijn geweest. Ook vindt [minderjarige 1] het niet prettig als zij op school wordt aangesproken over de moeder, omdat de moeder nog contact heeft met de school. Volgens [minderjarige 1] weigert de moeder ook haar toestemming te verlenen voor gezagsbeslissingen. Als de moeder geen gezag meer zou hebben, kan zij ook niet meer met derden bellen voor informatie over de kinderen en kan de moeder geen beslissingen meer nemen die tegen haar zijn. Dat zou [minderjarige 1] rust geven. [minderjarige 1] heeft onrust doordat de moeder dingen doet die niet oké zijn.
[minderjarige 2] wil de moeder, gelet op de gebeurtenissen in het verleden, ook niet meer zien en wil geen contact meer met haar hebben. [minderjarige 2] wil ook niet meer dat de moeder gezag over hem heeft. Hij wil niets meer met haar te maken hebben. Nadat [minderjarige 2] met de raad had gesproken en had verteld waar hij hockeyde, stond de moeder er na een tijdje. Zijn vrienden hebben haar daar gezien. Hij heeft de moeder toen niet zelf gezien. Het gaat verder heel goed met [minderjarige 2] , op het gedoe met zijn moeder na.
3. De verdere beoordeling
Bij beschikking van 23 februari 2024 is de moeder in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aanvullende verzoek van de vader met betrekking tot het gezag. Verder heeft de rechtbank de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld. De raad is verzocht onderzoek te verrichten naar en de rechtbank te informeren en te adviseren over de navolgende vragen:
- bestaat er een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij (voortduring van het) gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders of is wijziging inhoudende beëindiging van het gezamenlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk?;
- is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (bij gezamenlijk gezag) c.q. een omgangsregeling (bij beëindiging van het gezamenlijk gezag) tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun belang en zo ja: hoe dient de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling qua vorm en frequentie in het belang van de kinderen te worden vormgegeven?
In afwachting van het raadsrapport is iedere verdere beslissing pro forma aangehouden.
De moeder heeft bij brief van 7 maart 2024 verweer gevoerd tegen het aanvullende verzoek van de vader (tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over de kinderen) en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Bij brief van 10 juni 2024 heeft de raad laten weten dat zij van de vader hebben vernomen dat hij hoger beroep wilde instellen tegen de beschikking van 23 februari 2024 en de vader (en de kinderen) om die reden geen medewerking wilden verlenen aan het raadsonderzoek, zodat de raad het onderzoek in afwachting van het hoger beroep wilde opschorten.
In het raadsrapport van 26 mei 2025 heeft de raad (voor zover in deze procedure relevant) de rechtbank geadviseerd het verzoek van de vader hem alleen met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten, af te wijzen en het gezamenlijk gezag in stand te laten. Verder heeft de raad geadviseerd om op dit moment geen contact tussen de moeder en de kinderen vast te stellen.
De moeder heeft bij brief van 5 juni 2025 als reactie op het raadsrapport verwezen naar haar reactie op het concept raadsrapport, zoals opgenomen in het raadsrapport. De moeder vraagt (in afwachting van de beslissing op het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen) haar verzoek tot begeleide omgang aan te houden in afwachting van de ontwikkelingen in het kader van de eventuele ondertoezichtstelling.
Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak op 8 december 2025 (waar enkel de onderhavige zaak aan de orde was) is de verdere behandeling - op verzoek van de vader - aangehouden omdat de vader in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling (zaaknummer 342186) een verweerschrift naar aanleiding van het raadsrapport heeft ingediend, maar dit niet had ingediend in de onderhavige procedure. De vader ging ervan uit dat de rechtbank – hoewel de procedure met betrekking tot het verzoek tot ondertoezichtstelling (op dat moment nog) niet gelijktijdig behandeld werd - ook in de onderhavige zaak kennis had genomen van het verweerschrift. De rechtbank heeft vervolgens de verdere behandeling van de onderhavige zaak aangehouden, zodat de vader via zijn advocaat het verweerschrift alsnog in de onderhavige procedure kon indienen (met een afschrift aan de moeder en de raad). De raad is vervolgens verzocht om dan ook de beslissing van de directeur, inhoudende dat de klacht niet tot wijziging van het rapport heeft geleid, in de procedure in te brengen.
De raad heeft op 11 februari 2026 de brief gericht aan de vader van 1 december 2025 overgelegd waarin staat dat de klachten zijn afgehandeld (ongegrond verklaard) en de klachtbehandeling geen gevolgen heeft voor het door de raad uitgebrachte advies.
Ondanks dat de mondelinge behandeling van 8 december 2025 - op verzoek van de vader - is aangehouden, zodat de vader het verweerschrift alsnog in de onderhavige zaak zou kunnen indienen, is dit niet gebeurd. De rechtbank heeft (evenals de raad en de advocaat van de moeder) wel kennisgenomen van dit verweerschrift in de zaak met zaaknummer 342186 (de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling), zodat de rechtbank ambtshalve op de hoogte is van dit verweerschrift.
Tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 heeft de raad de in het rapport gegeven adviezen gehandhaafd. De raad heeft, voor wat betreft het gezag, aanvullend aangevoerd dat de belemmeringen in de uitvoering van het gezamenlijk gezag daaruit bestaan dat de vader gezagsbeslissingen neemt zonder de moeder daarbij te betrekken. De raad acht het van belang dat de moeder wel op de hoogte kan blijven van hoe het met de kinderen gaat. De raad heeft er weinig vertrouwen in dat de vader de moeder zal informeren.
De vader is het niet eens met het advies van de raad met betrekking tot het gezag. Het rapport van de raad is onvolledig en onjuist, waardoor een vertekend beeld ontstaat van de rol van beide ouders en de omstandigheden waarin de kinderen opgroei(d)en. Er is onvoldoende aandacht geweest voor de geweldsincidenten door de moeder richting de kinderen en de structurele manier waarop de moeder de gezamenlijke gezagsuitoefening heeft bemoeilijkt. De kinderen geven zelf heel duidelijk aan geen contact met de moeder te willen. De kinderen ontwikkelen zich bij de vader goed. Ook bij eenhoofdig gezag behoudt de ouder zonder gezag aanzienlijke mogelijkheden om invloed uit te oefenen op het leven van het kind, onder andere door omgang te verzoeken of het recht om informatie te verkrijgen via scholen, hulpverleners en instellingen. Het gezamenlijk gezag is onwerkbaar en maakt dat de kinderen steeds opnieuw in een conflictsituatie terecht komen. De communicatie tussen de ouders is structureel verstoord en (gezags)beslissingen worden herhaaldelijk geblokkeerd.
Namens de vader is aangevoerd dat, doordat de moeder meebeslist met gezagsbeslissingen, dit spanningen geeft bij de kinderen. De kinderen zijn het meeste erbij gebaat als de vader alleen het gezag over hen heeft. Dat kan een zekere rust geven, omdat de vader dan niet eerst de toestemming van de moeder nodig heeft, hetgeen leidt tot spanningen. Er is ook aan het klem- en verlorencriterium voldaan. Er is evenmin zicht op verbetering binnen afzienbare tijd. De vader is het wel eens met het advies van de raad met betrekking tot het contact tussen de kinderen en de moeder.
Namens de moeder is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de moeder de beschuldigingen van de vader betwist. De moeder heeft ook altijd meegewerkt met instanties en frustreert geen gezagsbeslissingen. In het verleden hebben zich - over en weer - weliswaar enkele vervangende toestemmingskwesties voorgedaan, maar daar is de laatste jaren niets meer van gebleken. Hoewel in 2022 is bepaald dat de vader ervoor moet zorgen dat de kinderen via zijn zorgverzekeringpolis worden (mee)verzekerd, heeft de moeder daar niets over vernomen en staan de kinderen nog steeds op de polis van de moeder. De moeder is eind 2024 gebeld door de politie dat de school van de kinderen contact wil krijgen met de moeder. Zij heeft vervolgens contact gehad met de school. Zij heeft nooit de zorgverlening voor de kinderen gestagneerd. Volgens de moeder is er sprake van ouderverstoting. De moeder zou graag zien dat er hulpverlening komt (via een ondertoezichtstelling) voor de kinderen. Haar wens is dat er uiteindelijk wel contactherstel tussen haar en de kinderen mogelijk is en de kinderen ook een ander beeld van haar krijgen. De vader informeert de moeder al jaren niet. Het behoud van het gezamenlijk gezag maakt het voor de moeder mogelijk dat zij dan in ieder geval toch nog wat geïnformeerd kan blijven over de kinderen, doordat zij dan rechtstreeks informatie via instanties kan verkrijgen.
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat het voor de gezagskwestie van belang is dat er duidelijkheid komt over de zorgverzekering van de kinderen. De vader heeft vervolgens desgevraagd toegezegd dat hij de stukken waaruit blijkt dat de kinderen, zoals hij verklaart, al jaren bij hem verzekerd zijn voor de ziektekosten, binnen een week naar de moeder zal sturen met een afschrift naar de rechtbank. De rechtbank heeft deze stukken niet ontvangen.
Bij beschikking van 18 maart 2026 heeft de rechtbank het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen afgewezen. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van die ernstige ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk is niet wordt geaccepteerd, heeft de rechtbank geoordeeld dat gelet op de houding van met name de vader, maar ook de kinderen, waarbij zij een groot wantrouwen hebben tegen iedereen die (volgens hen) (wellicht) een andere visie heeft dan zijzelf en in dat verband steeds in een strijdmodus zitten, in dit geval (zelfs) het dwingende karakter van de ondertoezichtstelling, niet zal kunnen bijdragen aan het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 251, tweede lid, 251b, eerste lid, 252, eerste lid, 253q, vijfde lid, of 277, eerste lid, op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt.
Lid 2 verklaart artikel 1:251 eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing, op grond waarvan de rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Wijziging van omstandigheden
De rechtbank dient eerst te beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden. De onderhavige procedure is gestart op 28 mei 2020. Op dat moment was de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder en was er sprake van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) tussen de vader en de kinderen. In het kader van het op dat moment voorliggende verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen, heeft de rechtbank reeds overwogen (ten aanzien van het toen voorliggende verzoek) dat sprake was van een wijziging van omstandigheden, nu al jarenlang sprake was van een complexe en zeer zorgelijke situatie, waarbij de kinderen werden blootgesteld aan veel spanningen en conflicten tussen de ouders. De rechtbank is van oordeel dat deze wijziging van omstandigheden ook nu nog relevant is voor het thans voorliggende verzoek (wijziging gezag). Bij beschikking van 21 februari 2022 is bovendien het hoofdverblijf van de kinderen gewijzigd naar de vader, aangezien zij sinds juli 2020 bij de vader verblijven. Sindsdien hebben de kinderen geen contact meer met de moeder. Uit het voorgaande volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat de weg openligt voor een beoordeling van het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over de kinderen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat een gezamenlijke gezagsuitoefening het uitgangspunt is van de wetgever. Hiervan kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken. Enkel indien sprake is van een situatie zoals omschreven in artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechtbank bepalen dat het gezag voortaan aan één ouder toekomt.
De kern van het gezamenlijk gezag staat in artikel 1:247 BW. Uit het bepaalde in dit artikel volgt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht omvat van de ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen. Bovendien is van belang dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval de ouders moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat de ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandelingen naar voren is gekomen, is gebleken dat de ouders al jaren niet samenwerken en er geen constructieve communicatie plaatsvindt. Dat wordt ook door niemand betwist.
Verder kan, naar het oordeel van de rechtbank, uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandelingen naar voren is gebracht worden afgeleid dat de vader, in ieder geval sinds de laatste jaren, zich niet aan zijn ouderlijke plichten houdt op grond van artikel 1:247 BW, nu hij de moeder niet betrekt bij gezagsbeslissingen, haar niet informeert over de kinderen, haar zoveel mogelijk uit het leven van de kinderen probeert te weren, nalaat de ontwikkeling van de band van de kinderen met de moeder te bevorderen en zoveel mogelijk probeert alleen gezagsbeslissingen over de kinderen te nemen. De vader is al bij beschikking van 21 februari 2022, nogmaals, expliciet gewezen op deze plicht.
De kinderen hebben sinds 2020 geen contact meer met de moeder en wijzen haar zelfs af. De kinderen hebben van 15 mei 2017 tot 15 mei 2022 onder toezicht van de GI gestaan. Dit heeft echter ook niet geleid tot contactherstel met de moeder. In de beschikking van 4 november 2021 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, in het kader van een hoger beroep tegen de beschikking tot verlenging van de ondertoezichtstelling, ook al overwogen zich grote zorgen te maken over de opstelling van de vader ten aanzien van het contactherstel tussen de moeder en de kinderen. Het gerechtshof heeft daarbij verder overwogen: “De vader lijkt daarbij uit het oog te verliezen dat op hem, op grond van het bepaalde in artikel 1:247 lid 3 BW, de verplichting rust om de ontwikkeling van de banden van de kinderen met de moeder te bevorderen. Zo heeft de vader tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de kinderen geen contact met hun moeder willen en hij de kinderen op geen enkele wijze gaat dwingen tot contact. De vader laat hiermee zien dat hij zijn verplichting ex artikel 1:247 lid 3 BW niet nakomt. Bovendien is uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de vader de moeder op geen enkele manier betrekt bij gezagsbeslissingen rondom de kinderen en hij haar ook niet informeert over hoe het met de kinderen gaat.”
Hoewel de ouders gezamenlijk gezag over de kinderen hebben, probeert de vader dit gezamenlijk gezag op alle mogelijke manieren te omzeilen.
De vader doet het voorkomen alsof hij alleen met het gezag over de kinderen is belast. Uit het raadsrapport volgt namelijk dat de school van de kinderen tijdens het raadsonderzoek heeft meegedeeld dat de vader op school heeft verteld dat enkel hij de gezaghebbende ouder was van de kinderen. De vader heeft vervolgens een bericht van zijn advocaat aan school overlegd, waaruit diende te blijken dat de vader alleen over het gezag beschikte en dat moeder toestemming zou geven voor de aanmelding van de kinderen op school. Volgens de school waren er echter vragen over de authenticiteit van het bericht dat de vader aan school heeft overgelegd. Tijdens een gesprek met de moeder heeft de moeder ook aangegeven niet te weten dat de kinderen op [naam school] zaten.
Uit de stukken volgt dat de vader gezagsbeslissingen (zoveel mogelijk) alleen neemt en als een instantie toch de toestemming van moeder wenst, de vader het hier niet mee eens is en de samenwerking dan niet voortzet. Uit het raadsrapport volgt dat de vader via Team Jeugd ondersteuning voor de kinderen had aangevraagd. Dit verzoek zou toegekend worden, maar omdat de moeder ook het gezag heeft, diende de moeder ook haar toestemming te verlenen voor de inzet van hulpverlening. De vader was het daar niet mee eens en wilde niet dat de moeder betrokken zou worden. Team Jeugd heeft als gevolg daarvan de zorg niet kunnen toekennen. Tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 heeft de vader vervolgens gesteld dat de moeder voorwaarden zou hebben gesteld, alvorens haar toestemming te verlenen, waaronder dat zij bij de gesprekken (met de kinderen) aanwezig wilde zijn, hetgeen de vader niet in het belang van de kinderen vond. De moeder heeft dit betwist en heeft bovendien verklaard dat zij wel toestemming voor hulpverlening voor de kinderen zal geven als dit de kinderen helpt.
Verder volgt uit het raadsrapport dat de vader (onder andere) bij de raad heeft verklaard “dat tijdens een eerdere zitting door de rechter is bepaald dat moeder uitgekleed gezag heeft, daar zij geen contact meer had met de kinderen en dit ook niet in hun belang was”. De vader heeft deze stelling op geen enkele manier onderbouwd. Evenmin heeft de vader duidelijk gemaakt tijdens welke zitting dit dan zou zijn bepaald en in welke beschikking dit zou zijn opgenomen, nu de rechtbank van een dergelijke uitspraak in het geheel niet is gebleken.
In het verweerschrift van de vader dat hij in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling heeft ingediend en waarvan de rechtbank, zoals hierboven overwogen, ambtshalve kennis van heeft genomen, stelt de vader: “Moeder stelt in haar reactie (de rechtbank: op het raadsrapport) dat ik zou hebben gezegd dat zij “uitgekleed gezag” heeft, en dat dit volgens haar advocaat niet klopt. Los van de vraag of zij dit juridisch heeft laten toetsen, betreft dit geen beschuldiging maar een feitelijke constatering. “Uitgekleed gezag” is een erkend begrip in de rechtspraak en verwijst naar een gezagspositie die enkel nog op papier bestaat. Dat is hier het geval: moeder oefent geen gezag uit, communiceert niet, en is afwezig in alle beslismomenten”.
De vader is echter degene die als verzorgende ouder van de kinderen contact met de moeder dient op te nemen voorafgaand aan het nemen van gezagsbeslissingen, of op zijn minst dient te zoeken, om overleg te voeren over gezagsbeslissingen. De vader weigert echter ieder contact met de moeder, betrekt haar niet bij het nemen van gezagsbeslissingen en probeert te omzeilen dat de toestemming van de moeder nodig is. Op deze manier wordt het de moeder - door de vader - onmogelijk gemaakt haar gezag uit te oefenen.
De vader informeert de moeder ook niet over de kinderen. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 gesteld dat de rechtbank in een beschikking van 21 februari 2021 (nadien noemt de vader als jaartal 2022) onder rechtsoverweging 5.1.7. zou hebben bepaald dat hij de moeder zou moeten inlichten over sociale aangelegenheden en school, tenzij het belang van de kinderen zich daartegen zou verzetten. De vader beroept zich dan ook op die tenzij-bepaling en voert aan dat zolang het belang van de kinderen zich tegen bepaalde stappen verzet, hij niet zal meewerken. In zijn woorden: Nu niet, nooit niet.
De rechtbank heeft in de beschikking van 21 februari 2022 (in de onderhavige procedure) onder r.o. 5.1.7. overwogen: “Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende:
De vader heeft als gezaghebbende ouder bij wie de kinderen wonen en hun hoofdverblijfplaats hebben, terwijl de kinderen vooralsnog geen contact met de moeder hebben, de plicht om de andere gezaghebbende ouder, de moeder, te informeren over de ontwikkeling van de kinderen. Die informatie dient dan onder andere betrekking te hebben op schoolprestaties, medische aangelegenheden en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Gezagsbeslissingen zullen met toestemming van beide ouders genomen moeten worden. In het geval een van de gezaghebbenden ouders de toestemming niet verleent, staat het de andere ouder vrij om de rechtbank vervangende toestemming te vragen.
De rechtbank verwacht van de vader dat hij zijn wettelijke verplichting jegens de moeder zal nakomen.”.
Een tenzij-bepaling, zoals de vader stelt is in het geheel niet opgenomen.
De vader heeft verder gesteld dat de moeder herhaaldelijk de gezamenlijke gezagsuitoefening heeft bemoeilijkt of feitelijk geblokkeerd. De vader noemt daarbij: de weigering van toestemming voor medische behandelingen; het niet verstrekken van noodzakelijke gegevens voor identiteitsdocumenten; het blokkeren of vertragen van paspoortaanvragen; het tegenwerken van inschrijvingen bij huisarts of andere zorgverleners, het weigeren van toestemming voor aanvragen van kinderbijslag en kindgebonden budget en het frustreren van aanvragen voor gemeentelijke ondersteuning. Tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 heeft de vader verklaard dat hiervan ook in 2025 sprake was toen hij ondersteuning had aangevraagd voor de kinderen in de vorm van onder meer traumatherapie. De moeder stelde toen als eis dat zij alleen haar toestemming zou verlenen als zij bij de gesprekken tussen de therapeut en de kinderen aanwezig kon zijn. Ook zou de moeder in 2025 de vergoeding van een bril hebben tegengewerkt.
De moeder heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. De advocaat van de moeder heeft aangevoerd dat, hoewel er in het verleden - over en weer - een aantal vervangende toestemmingskwesties hebben gespeeld, hiervan de laatste jaren geen sprake meer is. De advocaat heeft zelf ook (de laatste jaren) geen verzoek gezien of gekregen (via de advocaat) van de vader voor toestemming van de moeder.
De vader heeft - mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de moeder - zijn stellingen op geen enkele wijze onderbouwd. Niet gebleken is dan ook dat de moeder gezagsbeslissingen de afgelopen jaren zou hebben bemoeilijkt of geblokkeerd.
De rechtbank overweegt nog, mede naar aanleiding van de stelling van de vader over de vergoeding van een bril in 2025, dat de rechtbank ambtshalve op de hoogte is dat ten aanzien van de zorgverzekering eerder door de rechtbank (in dezelfde samenstelling als thans) een beslissing is genomen. De rechtbank heeft in deze beschikking bepaald dat de vader de kinderen per direct op zijn zorgverzekeringspolis laat bijschrijven, zodat zij via de zorgverzekering van de vader mee zijn verzekerd tegen zorgkosten en dat de vader aansluitend aan de moeder schriftelijk het polisnummer en de naam van de zorgverzekeringsmaatschappij verstrekt waarop de kinderen bij hem zijn meeverzekerd, met vermelding van de ingangsdatum en het polisnummer. In de beschikking is overwogen:
“4.1. Uit artikel 2 lid 3 van de Zorgverzekeringswet volgt dat degene die het gezag over een minderjarige, jonger dan achttien jaar, uitoefent ervoor dient te zorgen dat de minderjarige verzekeringsplichtige krachtens een zorgverzekering verzekerd is.
Niet is bepaald bij welke ouder, ingeval van twee gezaghebbende ouders, de minderjarige meeverzekerd dient te worden. Dit is een keuze die door beide partijen gezamenlijk dient te worden gemaakt.
…
Nu de ouders geen overeenstemming kunnen bereiken bij wie de kinderen meeverzekerd dienen te zijn, er geen sprake is van onderling vertrouwen en communicatie tussen de ouders en de vader de moeder ook niet betrekt of informeert over de kinderen, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij verzekerd zijn bij de ouder waar zij hun hoofdverblijf hebben, namelijk de vader. De vader dient er dan ook voor zorg te dragen dat de kinderen per direct bij hem op de zorgverzekeringspolis worden meeverzekerd voor ziektekosten. In verband met privacygevoelige informatie van de vader zal de rechtbank niet bepalen dat de vader (een kopie) van de zorgverzekeringspolis van hem waaruit blijkt dat de kinderen meeverzekerd zijn aan de moeder dient over te leggen. Wel zal de rechtbank bepalen dat de vader de moeder onmiddellijk schriftelijk het polisnummer en de naam van zijn zorgverzekeringsmaatschappij dient te verstrekken waarbij de kinderen bij de vader zijn meeverzekerd, met vermelding van de ingangsdatum, zodat de moeder dit aan haar zorgverzekering kan doorgeven.”
Tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 heeft de moeder aangevoerd dat de kinderen nog steeds op haar zorgverzekeringspolis staan. De moeder heeft de door de rechtbank genoemde stukken/gegevens die de vader aan haar zou over leggen nooit ontvangen. Aangezien kinderen bij (één van) de gezaghebbende ouder(s) verzekerd dienen te zijn voor de ziektekosten, heeft de rechtbank de vader hierover bevraagd. De vader heeft desgevraagd meegedeeld dat de kinderen al jaren bij hem verzekerd zijn voor ziektekosten. De vader heeft toegezegd de gegevens waaruit volgt dat de kinderen inderdaad bij de vader zijn (mee)verzekerd diezelfde week in te dienen. De vader is vervolgens (ook via het familiejournaal) in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 16 maart 2026 de stukken in te dienen, hetgeen echter niet is gebeurd. Ten tijde van deze beschikking zijn de stukken nog steeds niet ingediend. De rechtbank heeft dan ook niet kunnen vaststellen dat de kinderen “al jaren” of in ieder geval op dit moment bij de vader voor ziektekosten zijn verzekerd. Of de stelling van de vader over de vergoeding van de bril hiermee samenhangt is, nog los ervan dat niet is gebleken dat de moeder dit zou hebben tegengewerkt, niet duidelijk geworden.
Ook is anderszins niet gebleken dat de moeder sinds 2020 niet zou hebben meegewerkt aan gezagsbeslissingen.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de ouders beslissingen van enig belang over de kinderen niet in gezamenlijk overleg kunnen nemen, nu dat overleg (volledig) ontbreekt. Ook wordt duidelijk dat de ouders evenmin in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. Dat wordt ook nog eens duidelijk door de opstelling van de vader tijdens de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 waar hij heeft verklaard: “Ik ga nooit met de moeder samenwerken. Al staan er 50 mensen naast. Ik ga dat niet doen.”. Ook eerder ingezette hulpverlening, waaronder een jarenlange ondertoezichtstelling van de kinderen (van 2017 tot 2022) heeft hierin geen verbetering kunnen aanbrengen. Daar staat tegenover dat, zoals hiervoor reeds overwogen is, niet is gebleken dat de moeder (de laatste jaren) gezagsbeslissingen zou blokkeren en zij heeft ook verklaard mee te willen werken aan gezagsbeslissingen als dat in het belang van de kinderen is. De vader weigert echter zijn ouderlijke plicht zoals neergelegd in 1:247 BW uit te voeren, zodat de moeder niet eens de gelegenheid krijgt mee te werken.
Onder rechtsoverweging 3.19. is overwogen dat het ook van belang is dat de ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake. De vader betrekt de kinderen steeds opnieuw in de strijd, waarbij de kinderen de vader als hun voorbeeld zien en zij ook zijn manier van geschillenbeslechting hebben overgenomen. Dit blijkt reeds uit het feit dat in de onderhavige procedure uitstelverzoeken en een wrakingsverzoek door hen zijn ingediend. Bovendien wijzen de kinderen de moeder ondertussen volledig af. Hoewel de vader aangeeft dat het de mening van de kinderen zelf is en zij ook geen contact met de moeder willen, is - mede gelet op de uitspraken van de vader - ook duidelijk dat de vader in het geheel niets met de moeder te maken wil hebben en hij contact tussen de moeder en de kinderen, maar ook het informeren van de moeder over de kinderen niet in het belang van de kinderen acht, zodat er ook geen enkele ruimte voor de kinderen is of kan worden gevoeld om wellicht toch een genuanceerder en minder negatief beeld over de moeder te verkrijgen en er ook geen ruimte bestaat voor (contact met) de moeder. Het zou in het belang van de kinderen zijn als de vader zich zou openstellen voor hulp om daarmee inzicht te krijgen in wat zijn opstelling en gedrag betekent voor de ontwikkeling van de kinderen en zijn aandeel in het feit dat de kinderen alle contact met de moeder afwijzen. De vader misbruikt naar het oordeel van de rechtbank al jaren zijn gezag door aan zijn wettelijke plichten als ouder, ondanks overwegingen daarover van het hof en de rechtbank, geen gevolg te geven.
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de kinderen klem zitten tussen de ouders, acht de rechtbank de kans reëel dat eenhoofdig gezag van de vader ertoe zal leiden dat de moeder nagenoeg geheel uit het leven van de kinderen verdwijnt. Door het gezag te behouden blijft de moeder in elk geval betrokken bij (belangrijke beslissingen over) de kinderen. Ook blijft het voor de moeder dan mogelijk om – zeker nu de vader haar niet informeert en de rechtbank er geen vertrouwen in heeft dat de vader dat wel gaat doen – geïnformeerd te blijven over de kinderen doordat zij dan rechtstreeks contact kan hebben en informatie kan verkrijgen van bijvoorbeeld school en andere instanties. Anders dan de vader heeft gesteld kan de moeder dat immers niet als de vader alleen met het gezag zou worden belast. De al jarenlange weigerachtige houding van de vader om de moeder te informeren maakt mede dat de rechtbank, net als het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de uitspraak van 13 juli 2021 van oordeel is dat het de keuze van de vader is om niet met de moeder te willen communiceren, maar dat het – om die reden – ontbreken van communicatie of contact met de kinderen geen reden is om het gezag van de moeder te beëindigen.
De rechtbank wijst in dit kader nog op de uitspraak van Hoge Raad van 27 maart 2020 waarin is overwogen dat ook indien is voldaan aan het klemcriterium de rechter ruimte heeft om het gezamenlijk gezag toch in stand te laten. De Hoge Raad heeft daarbij verder overwogen: “In een geval als dit, waarin de met het gezag belaste ouder de andere ouder op geen enkele wijze een opening biedt om betrokken te zijn bij het leven van het kind, is het toewijzen van gezamenlijk gezag een van de instrumenten die de rechter moet kunnen benutten om het recht op family life tussen het kind en de andere ouder toch te verwezenlijken. Hoewel gezamenlijk gezag het risico in zich bergt dat het kind klem komt te zitten tussen de twee ouders, leidt eenhoofdig gezag ertoe dat de andere ouder geheel uit het leven van het kind wordt geweerd. De rechter moet dan de ruimte hebben om, uitgaande van de situatie ten tijde van zijn beslissing, in te schatten welke van de twee kwaden het belang van het kind vermoedelijk het minst zal schaden.”.
De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet en dat in dit geval, van de twee kwaden, het behoud van gezamenlijk gezag het belang van de kinderen het minst zal schaden. Indien de vader met het eenhoofdig gezag belast wordt, is duidelijk dat iedere (toekomstige) mogelijkheid tot (onbelast) contact met de moeder onmogelijk wordt gemaakt, waarbij de vader op geen enkele wijze een opening aan de moeder geeft om betrokken te zijn bij het leven van de kinderen (sterker nog: dat hij dit weigert). De rechtbank is van oordeel dat dat schadelijk is voor in ieder geval de identiteitsontwikkeling van de kinderen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vader tot wijziging van het gezamenlijk gezag in die zin dat hij alleen wordt belast met het gezag over de kinderen, dient te worden afgewezen om op die manier het recht op family life tussen de moeder en de kinderen toch te kunnen verwezenlijken.
Het voorgaande betekent dat hetgeen de rechtbank in de beschikking van 21 februari 2022 heeft overwogen over de informatieplicht van de vader, dan ook nog steeds geldt.
Zorgregeling
Nu de rechtbank het gezamenlijk gezag in stand laat is op het verzoek van de moeder tot vaststelling van een (begeleide) contactregeling artikel 1:253a BW van toepassing.
De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in de beschikking van 21 februari 2022 (in de onderhavige procedure) hierover reeds heeft overwogen onder rechtsoverweging 5.2. Het door de rechtbank bij beschikking van 21 februari 2022 bepaalde onderzoek door het NIFP, waarbij onder meer gekeken zou moeten worden naar de mogelijkheden van contactherstel tussen de moeder en de kinderen en waarvoor de ouders hun medewerking hebben toegezegd, heeft weliswaar plaatsgevonden, maar de vader heeft gebruik gemaakt van het blokkeringsrecht (namens hemzelf en de kinderen), waardoor de rechtbank van dit onderzoek geen kennis van heeft kunnen nemen. Dat de vader delen van het rapport (waar hij zich wel in kan vinden) heeft overgelegd, maakt dat niet anders. Nu de deskundigen niet het volledige definitieve rapport hebben (kunnen) overleggen, zijn de door de vader overgelegde delen van het conceptrapport buiten beschouwing gelaten. In het raadsrapport van 26 mei 2025 heeft de raad geconcludeerd dat de kinderen op geen enkele manier zullen meewerken aan contactherstel met moeder. De afkeer naar de moeder is zo groot dat het forceren van contact zal leiden tot veel onrust bij de kinderen en mogelijk zelfs een nóg negatiever beeld. De raad ziet dat de vader hen hierin niet zal motiveren, waarbij de vader van mening is dat de moeder geen enkele positie mag hebben in het leven van de kinderen en geen enkele ruimte krijgt om invulling te geven aan haar ouderrol (bijvoorbeeld door haar gezag te ondermijnen). De raad acht het op dit moment niet in het belang van de kinderen om een verdeling van zorg- en opvoedtaken tussen ouders vast te stellen.
De rechtbank stelt voorop dat uit het raadsrapport niet gebleken is van (contra)-indicaties voor opvoeding en verzorging van de kinderen in de thuissituatie bij de moeder.
Uit hetgeen in de beschikking van 21 februari 2022 reeds is overwogen wordt duidelijk dat er geen verandering is gekomen in de opstelling van de vader en de kinderen, waarbij zij de moeder afwijzen, geen rol voor haar zien in hun leven en de kinderen geen contact met haar willen. Tijdens de (jarenlange) ondertoezichtstelling van de kinderen, is het evenmin gelukt om een opening te creëren om te kunnen komen tot contactherstel. De rechtbank acht het (nog steeds) zeer zorgelijk dat de kinderen al sinds 2020 geen contact hebben met de moeder, dit ook niet wensen en in deze opvatting zelfs lijken te verharden, terwijl de kinderen op het moment van het laatste contact met de moeder 10 en 8 jaar waren. De rechtbank is van oordeel dat het niet hebben van (onbelast) contact met de beide ouders, maar ook de verharding in de opvatting van de kinderen (terwijl zij al jaren geen contact meer met de moeder hebben) schadelijk is voor hun sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling. Uit de stukken, hetgeen tijdens de mondelinge behandelingen naar voren is gebracht en hetgeen door de kinderen tijdens het kindgesprek is aangevoerd, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de kinderen al jaren een zeer negatief beeld van de moeder hebben, zij alles wat de moeder doet of zegt negatief interpreteren en er geen ruimte bij hen is om het uiterst negatieve beeld van de moeder te verbeteren, te neutraliseren of zelfs maar te nuanceren. De rechtbank is van oordeel dat de vader hierin een grote rol heeft gespeeld en nog steeds speelt, vanwege zijn sterk afwijzende houding richting de moeder. Hulpverlening die is ingezet (via de ondertoezichtstelling) heeft ook hierin geen wijziging aangebracht en andere hulpverlening die nodig was om het beeld van de kinderen te veranderen, is niet van de grond gekomen omdat de vader en de kinderen hieraan geen medewerking wilden verlenen. De rechtbank is, met de raad, dan ook van oordeel dat door de verharde houding van de kinderen, die ondertussen 16 en 13 jaar zijn, duidelijk is dat de kinderen (op dit moment) niet zullen meewerken aan contactherstel met de moeder en de vader dit ook niet zal toestaan. Op dit moment is er - mede door de houding van de vader - geen ruimte bij de kinderen om het beeld van de moeder te veranderen, waardoor er (wellicht) mogelijkheden zouden kunnen komen voor contactherstel. De rechtbank verwacht, met de raad, dat het forceren van contact, alleen maar meer afkeer van de kinderen naar de moeder zal opleveren. De rechtbank acht een zorgregeling (onbegeleid of begeleid) tussen de moeder en de kinderen op dit moment dan ook niet in het belang van de kinderen, zodat de rechtbank het verzoek van de moeder zal afwijzen.
Kosten deskundigen en overige proceskosten
In de beschikking van 23 februari 2024 zijn de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld op € 14.470,72 inclusief BTW voor drs. S. Labrijn en op € 15.635,62 inclusief BTW voor drs. R.E. Arends. Verder is bepaald dat de griffier de bedragen waarop de deskundigen aanspraak hebben, betaalt ten laste van 's Rijks kas en dat tot aan de eindbeschikking de ten laste van 's Rijks kas betaalde bedragen in debet worden gesteld, waarbij bij de door de rechtbank te geven eindbeschikking een definitieve beslissing met betrekking tot de kosten van het deskundigenonderzoek zal worden gegeven.
Nu de kosten van de deskundigen in de beschikking van 23 februari 2024 voorlopig in debet zijn gesteld, overeenkomstig het op dat moment geldende artikel 199 lid 3 Rv (thans artikel 191 lid 3 Rv), dient de rechtbank op grond van artikel 244 Rv nog een beslissing te nemen over de vraag wie deze door de Staat (de rechtbank) “voorgeschoten” kosten dient te voldoen aan de Staat (de rechtbank).
In de beschikking van 23 februari 2024 heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de vader gebruik heeft gemaakt van het blokkeringsrecht en op die manier heeft verhinderd dat van de (volledige en definitieve) deskundigenrapportage mededeling wordt gedaan aan de rechtbank, de moeder en de raad, zodat (conform de uitspraak van de Hoge Raad van 26 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1330) door de vader niet is voldaan aan de verplichting conform artikel 198 (oud) Rv (thans artikel 190 Rv). Dit betekent dat de rechtbank hieruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht.
In artikel 237 Rv staat verder nog dat de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening kan laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.
De rechtbank is van oordeel dat de deskundigenkosten nodeloos zijn veroorzaakt, doordat de vader - ondanks zijn toezegging - niet heeft meegewerkt aan het deskundigenonderzoek door het rapport te blokkeren.
De rechtbank ziet in het onderhavige geval in de omstandigheid dat de rechtbank door toedoen van de vader, van het deskundigenrapport - dat niet alleen veel tijd, maar ook hoge kosten met zich mee heeft gebracht - geen kennis heeft kunnen nemen , aanleiding om, op grond van artikel 198 (oud) Rv (thans artikel 190 Rv) en artikel 237 Rv in combinatie met artikel 244 Rv, te bepalen dat de vader de kosten voor het deskundigenonderzoek voor zijn rekening dient te nemen. De vader zal deze kosten van in totaal € 30.106,34 (inclusief BTW) aan de rechtbank dienen te voldoen, nu de rechtbank de deskundigen reeds (conform artikel 199 (oud) Rv) heeft betaald.
Gelet op de familierechtelijke aard van deze procedure zal de rechtbank de proceskosten voor het overige compenseren in die zin, dat elke partij de eigen (proces)kosten draagt.
4. Beslissing
De rechtbank:
veroordeelt de vader in de kosten van het deskundigenbericht, vastgesteld op € 30.106,34 (inclusief BTW), te voldoen aan de griffier nadat de vader hiervoor een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de rechtspraak (LDCR) hebben gekregen;
compenseert de overige (proces)kosten van het geding in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.M. van Uum, voorzitter, mr. W.Th.M. Raab en mr. L.N. Geerman, allen kinderrechters, in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.A.W. Graus, de griffier op 3 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.