RECHTBANK LIMBURG
Strafrecht
Zittingsplaats Maastricht
raadkamernummer : 25-024430
datum uitspraak : 14 april 2026
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a jo. 552b Wetboek van Strafvordering jo. artikel 1:37 lid 5 Algemene douanewet van:
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1999,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H.O. de Boer, advocaat te Rijen (Ericssonstraat 2, 5121 ML Rijen),
hierna te noemen: de klager.
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagneming blijkt dat op 5 maart 2025 onder klager en personenauto van het merk/type Bmw X4 met chassisnummer [nummer] (hierna: het voertuig) in beslag is genomen.
Procedure
Het klaagschrift is op 26 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft op 31 maart 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de klager, mr. H.O. de Boer en de officier van justitie op zitting gehoord. Tevens is gehoord [naam] , inspecteur van de Douane te Arnhem
De klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 14 april 2026.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voertuig aan de klager.
Namens de klager is aangevoerd dat hij de verborgen ruimtes zelf niet heeft aangebracht in het voertuig en dat hij nooit het voertuig heeft onttrokken aan het ambtelijk toezicht in het voertuig. De klager heeft zich bereid verklaard de verborgen ruimtes op eigen kosten te laten verwijderen om de auto terug te brengen naar originele staat zodat hij weer geschikt is om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer.
Standpunt van de inspecteur van de Douane
De inspecteur van de Douane Arnhem verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voertuig. Uit de memorie van toelichting van de Algemene Douanewet blijkt dat teruggave na herstel van het voertuig alleen is bedoeld als er sprake is van goede trouw. Het is moeilijk te geloven dat de klager te goeder trouw was. Er was namelijk sprake van een Automatic Number Plate Recognition-hit (ANPR) op basis van de verdenking dat zich in het voertuig een verborgen ruimte bevond, waardoor het voertuig is gecontroleerd. De klager had het voertuig al een aantal maanden in bezit ten tijde van de ANPR-hit.
Het voertuig zou eventueel alleen geretourneerd kunnen worden aan de klager als de verborgen ruimtes worden verwijderd en de auto wordt hersteld in originele staat. Ter terechtzitting is aangegeven dat dit op zichzelf mogelijk is en dat de kosten daarvan worden geschat op ongeveer € 11.000. Maar een dergelijke operatie is in de ogen van de inspecteur niet aan de orde in verband met het ontbreken van de goede trouw aan de zijde van klager.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
De rechtbank is aan de hand van de haar ter beschikking staande gegevens nagegaan of een ander dan klager als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hiervan is de rechtbank niet gebleken.
Uit het dossier en in raadkamer blijkt dat op 5 maart 2025 een ANPR-hit is geweest op het voertuig van de klager op de A67 ter hoogte van Geldrop richting Venlo, in verband met het vermoeden dat het voertuig was voorzien van een verborgen ruimte. Bij de controle van het voertuig is in de middenconsole en onder de beide voorste passagiersstoelen ook een ruimte aangetroffen waarin ook geldcoupures lagen. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de wachtmeesters (van de Koninklijke Marechaussee) Slotboom en Nabbe zijn de aangetroffen ruimtes geen voorziening die standaard in dit voertuig aanwezig is, of door de betreffende fabriek wordt geleverd. Deze ruimtes zijn dus achteraf ingebouwd en derhalve is sprake van verborgen ruimtes. De wijze van inbouw (en hoge kwaliteit van afwerking) doet vermoeden dat deze ruimte geen ander doel dient dan het onttrekken aan het ambtelijk toezicht van voorwerpen die zich in deze afgeschermde ruimte zouden bevinden. Volgens de wachtmeesters is de afwerking is van dusdanige kwaliteit dat deze ruimte niet te ontdekken is zonder gedegen onderzoek.
Vervolgens is het voertuig in beslag genomen op grond van artikel 1:37 van de Algemene Douanewet (hierna: Adw).
Ten aanzien van de inbeslagneming op basis van voornoemd wetsartikel overweegt de rechtbank als volgt.
Artikel 1:37 Adw luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
1. Vervoermiddelen, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om tot het nakomen van de op grond van artikel 1:27, eerste lid, genomen dwangmaatregelen te verijdelen, zomede alle andere voorwerpen, kennelijk bestemd om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken of om een vervoermiddel tot een van de hiervoor omschreven doeleinden in te richten of toe te rusten, worden in beslag genomen. (...)
4. Krachtens het eerste lid in beslag genomen vervoermiddelen en voorwerpen vervallen zonder rechtsvervolging aan de staat, tenzij bij een rechterlijke beslissing als bedoeld in het zesde lid de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.
5. De belanghebbende bij het in beslag genomen vervoermiddel of voorwerp kan binnen een maand na de mededeling omtrent de inbeslagneming bij de rechtbank van het arrondissement binnen hetwelk de inbeslagneming heeft plaatsgehad, daartegen hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde een met redenen omkleed klaagschrift indienen.
6. De rechtbank behandelt het klaagschrift op de voet van het bepaalde in artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat ook de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de behandeling te worden gehoord en hem, zo hij voor de behandeling is verschenen, tijdig tevoren door de griffier schriftelijk mededeling van de dag der uitspraak wordt gedaan.
(...)
8. Onze Minister van Financiën is bevoegd in bijzondere gevallen de aan de staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven.”
Juridisch kader
Bij de beoordeling van een op de voet van artikel 1:37 lid 5 Adw ingediend klaagschrift, is de centrale vraag of sprake is van een vervoermiddel als bedoeld in het eerste lid (zie o.a. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3632). Het gebruikelijke toetsingskader van artikel 552a Sv is niet aan de orde; het is dus niet relevant of de inbeslaggenomen auto te zijner tijd door de strafrechter zal worden verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer. Ingevolge artikel 1:37 lid 6 Adw vervalt de eigendom van het vervoermiddel immers van rechtswege aan de Staat, tenzij het beklag daartegen onherroepelijk gegrond wordt verklaard (zie o.a. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:403).
Toepassing juridisch kader
Het douanerecht wordt gekenmerkt door een systeem van vergaande bevoegdheden om ingrijpende middelen te hanteren tot controle en toezicht (die zelfs het Wetboek van Strafvordering te buiten gaan) zonder dat een verdenking van een strafbaar feit nodig is. De enige beperking is dat de douane (de inspecteur) slechts van haar bevoegdheden gebruikmaakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de taken nodig is.
Deze bevoegdheden zijn, als gezegd, bevoegdheden tot controle en toezicht en niet tot opsporing van strafbare feiten. Dat betekent dat bij de uitoefening daarvan geen –aantoonbare – verdenking van een strafbaar feit nodig is. Ook vereist de wet niet dat de eigenaar/houder van het voertuig op de hoogte is van het bestaan van de verborgen ruimte en dus ook niet dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Dat is inherent aan controle- en toezichtbevoegdheden.
Het voorgaande brengt mee dat het douanebeslag op het voertuig doel treft en rechtmatig is gelegd. Gelet op artikel 1:37 lid 4 Adw vervalt het voertuig dan van rechtswege aan de Staat, tenzij bij een rechterlijke beslissing de inbeslagneming niet wordt gehandhaafd.
Op basis van de Algemene Douanewet kan de minister (lees: de douane) besluiten het voertuig onder bepaalde voorwaarden weer terug te geven aan klager. De douane heeft al duidelijk gemaakt wat die voorwaarden zijn en dit bestaat simpelweg uit het verwijderen van de verborgen ruimtes. Indien die voorwaarden worden nageleefd en de teruggave plaatsvindt, zou de Staat niet meer over het eigendom van het betreffende vervoermiddel beschikken (zie o.a. HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:403, NJ 2020/239, rov. 3.5.1), maar keert de eigendom weer terug bij klager.
De reden voor de douane om het voertuig – ook niet onder voorwaarden – aan klager terug te geven vindt zijn grondslag in het oordeel van de douane dat klager niet te goeder trouw is. Dit oordeel is gebaseerd op het gegeven dat er een ANPR-hit is geweest en er dus kennelijk een opname in het betreffende register is geweest op basis van een eerdere verdenking. Nu het voertuig al enkele maanden in het bezit was van klager moet hij er wel van geweten hebben en daarmee is hij niet meer te goeder trouw.
De rechtbank stelt vast dat noch gegevens omtrent de ANPR-hit noch de omstandigheden die hebben geleid tot het opnemen van het betreffende voertuig in het – kort gezegd – ANPR register zich in het dossier bevinden. De stelling dat geen sprake is van te goeder trouw wordt derhalve niet nader onderbouwd en kan ook niet gecontroleerd worden. Meer in het bijzonder kan alleen uit de nu bekend zijnde gegevens niet kunnen worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat klager van de verborgen ruimte op het hoogte moet zijn geweest. De rechtbank neemt dat standpunt dan ook niet over.
In raadkamer is door de douanemedewerker meegedeeld dat de verborgen ruimtes zijn te herstellen en dat na herstel het voertuig weer zou kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Namens klager is aangegeven dat hij ook bereid is de daaraan verbonden kosten te betalen. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet meer proportioneel is dat het voertuig van rechtswege aan de staat vervalt. Duidelijk is ook dat het voertuig in de huidige staat niet aan klager kan worden teruggegeven.
Om die reden is rechtbank van oordeel dat het beklag onder voorwaarden gegrond kan worden verklaard. De voorwaarde die aan de teruggave van het voertuig aan klager wordt verbonden, is dat de verborgen ruimtes uit het voertuig worden verwijderd en de klager daar ook niet meer over kan beschikken. De rechtbank zal daarom het beklag gegrond verklaren en een voorwaardelijke last tot teruggave van de auto geven. Daarbij wordt de voorwaarde gesteld dat de klager de verborgen ruimtes naar genoegen van de Minister en op eigen kosten laat verwijderen. De klager heeft zich bereid verklaard deze kosten te dragen. Het voertuig dient pas aan de klager te worden teruggegeven, nadat de verborgen ruimtes zijn verwijderd en de daaraan verbonden kosten door de klager zijn betaald. De rechtbank realiseert zich dat de praktische uitvoering hiervan nog wel de nodige invulling vereist van de kant van de Minister en de klager, onder meer omdat de auto voor en tijdens de herstelwerkzaamheden bij de opslag of elders dient te staan, zodat de Minister erop kan toezien dat de verborgen ruimtes daadwerkelijk worden verwijderd. De rechtbank gaat ervan uit dat de Minister en de klager hierover in overleg zullen treden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze beslissing is gegeven door mr. L.E.M. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van L.E.J. Bertram, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.