RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.011654.25
tegenspraak
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 14 april 2026
in de strafzaak tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren te [geboortedatum] 1962,
thans verblijvende in [adres PI] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. Q. Zon, die waarneemt voor mr. A. Baatenburg de Jong, beiden advocaat kantoorhoudende te Hoofddorp.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1: op 28 juni 2024 in Oostrum opzettelijk brand heeft gesticht, door een deken en/of kussen in brand te steken, waardoor goederen en/of personen in (levens)gevaar werden gebracht;
op 31 augustus 2024 in Oostrum
Feit 2: [slachtoffer 1] , werkzaam als sociotherapeut bij de Rooyse Wissel, heeft mishandeld door haar te slaan en/of te schoppen;
Feit 3: [slachtoffer 2] , werkzaam als sociotherapeut bij de Rooyse Wissel, heeft mishandeld door haar te slaan.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 2 heeft zij nog aangevoerd dat de verdachte met zijn armen heeft geslagen en met zijn benen heeft geschopt. De verdachte heeft dit laatste bekend en dit blijkt ook uit de getuigenverklaring van [naam 1] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de mishandeling van [slachtoffer 1] kan worden bewezen, voor zover dat het slaan betreft. Voor wat betreft feit 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat van vol opzet geen sprake is. Het opzet van de verdachte was gericht op het slaan van [slachtoffer 1] en hij kan zich niet herinneren of hij daarbij – per ongeluk – ook [slachtoffer 2] heeft geraakt.
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Bewijs
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte dit feit ter terechtzitting heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
- de aangifte door [naam 2] namens De Rooyse Wissel;
- de verklaring van getuige [naam 1] ;
- de verklaring van getuige [slachtoffer 1] .
Bewijsoverweging
Gelet op de omvang van de brand, zoals daarover door [slachtoffer 1] als ooggetuige verklaard is, maar met name ook gezien de rookontwikkeling waarover evenzeer verklaard is, is naar het oordeel van de rechtbank niet alleen gemeen gevaar voor goederen ontstaan, maar is voor de in de bewezenverklaring te noemen personen ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel concreet te duchten geweest.
Feit 2
Partiële vrijspraakoverweging “schoppen”
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar te schoppen. De verdachte heeft weliswaar bij de politie verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft geschopt tegen haar benen, maar op de zitting heeft hij aangegeven niet meer te weten of hij heeft geschopt. Getuige [naam 1] heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte met zijn armen en benen begon te slaan en schoppen, maar tevens dat ze niet heeft gezien of daardoor iemand geraakt werd. Daar staat tegenover dat [slachtoffer 1] in haar verklaring niet noemt dat de verdachte haar heeft geschopt. [slachtoffer 1] heeft wel verklaard dat zij als gevolg van de mishandeling ook twee dikke knieën met blauwe plekken had, maar zij heeft ook verklaard dat zij op haar knieën is gevallen met de verdachte bovenop haar. Welbeschouwd bestaat daarmee alleen de verklaring van de verdachte bij de politie als bewijs voor tegen de benen schoppen. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] pijn heeft ondergaan of letsel heeft opgelopen doordat de verdachte haar zou hebben geschopt.
Bewijs
De rechtbank acht feit 2 voor het overige wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte dit feit ter terechtzitting heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
- de aangifte van mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door [naam 3] ;
- de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 1] .
Feit 3
Bewijs
De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende over 31 augustus 2024 verklaard:
De spanning kwam eruit. Ik wist het gewoon niet meer. Ik heb niet stilgestaan bij wat ik deed. Ik was zo kwaad.
Op 7 oktober 2024 heeft [naam 3] aangifte van mishandeling van [slachtoffer 2] gedaan. Die aangifte luidt over 31 augustus 2024 als volgt:
Sociotherapeut [slachtoffer 1] besluit een tweede sociotherapeut te vragen om naar de afdeling te komen. Wanneer betrokkene vervolgens terug naar binnen komt kijkt hij meteen erg boos. Sociotherapeut [slachtoffer 1] besluit achteraan te blijven staan en sociotherapeut [slachtoffer 2] staat vooraan en zegt tegen betrokkene dat hij beter even rust kan pakken op zijn kamer. Echter, voor zij is uitgesproken begint betrokken al te schreeuwen tegen sociotherapeut [slachtoffer 1] : 'Ik moet jou niet, kutwijf'. Vervolgens begint betrokkene direct met gebalde vuisten te slaan in de richting van sociotherapeut [slachtoffer 1] . Sociotherapeut [slachtoffer 2] pakt betrokkene vast, waarop sociotherapeut [slachtoffer 1] kan stoppen met verweren.
Slachtoffers:
[slachtoffer 2] .
Op 17 oktober 2024 heeft getuige [slachtoffer 1]verklaard:
Op 31 augustus 2024, omstreeks 11.15 uur, was ik bezig met het uitsluiten van de patiënten van de afdeling. Ik ben naar de kamer van [verdachte] gelopen. Ik ben naar [naam 4] gegaan en we zijn samen naar kantoor gegaan. Ik hoorde dat [naam 4] zich niet echt op haar gemak voelde omdat ze bang was dat [verdachte] boos zou kunnen worden. Hierop hebben we bij een andere afdeling een collega gevraagd om ons te komen assisteren. Dit gebeurde ook. [slachtoffer 2] is naar onze afdeling gekomen. [slachtoffer 2] werkt hier ook al een aantal jaren en kent [verdachte] ook goed. Op dat moment kwam [verdachte] de woonkamer binnen lopen. [naam 4] sprak hem aan. Ze gaf aan dat wij het beter zouden vinden als hij naar zijn kamer zou gaan om tot rust te komen. [naam 4] kon haar zin niet eens afmaken en [verdachte] stormde op [naam 4] en [slachtoffer 2] af en liep als het ware dwars door hun heen en stormde op mij af. Hij balde daarbij beide vuisten. Ik hoorde dat hij schreeuwde: "Ik moet jou niet." Hij wees op dat moment ook met een vinger in mijn richting en toen begon hij met slaan. Hij begon met twee vuisten te maaien. Hij begon dus als het ware op mij in te slaan.
Op 17 oktober 2024 heeft slachtoffer [slachtoffer 2] verklaard:
Ik werk niet op de afdeling waar het incident gebeurde, ik werk zelf op de afdeling daarboven bij tbs kliniek de Rooyse Wissel. En eigenlijk kort na het uitsluiten, dus vlak na 11.15 uur, werd ik gebeld door de collega [slachtoffer 1] van de benedenburen dat het met de heer [verdachte] niet goed ging. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] iets zei in de trant van: "de heer [verdachte] zit er niet goed bij en ik verwacht dat hij misschien boos gaat worden." waarschijnlijk ook omdat hij bekend is met spullen gooien. Daarom vroeg ze of een van ons kon komen ondersteunen. Ik ben toen meteen naar beneden gelopen om te kijken waar ik kon ondersteunen. De heer [verdachte] zat op dat moment op de patio en toen ben ik heel kort bijgepraat over dat ze hem wilde vragen om naar zijn kamer te gaan. Hij liep richting de keuken en [naam 4] heeft hem toen gevraagd om naar zijn kamer te gaan. Voordat zij haar zin kon afmaken, begon hij [slachtoffer 1] te bedreigen door op haar af te komen alsof hij haar ging slaan. Het was echt gericht op [slachtoffer 1] . Hij liep met gebalde vuisten op haar af. Ik ben daar toen voor gaan staan. Hij begon toen met uithalen met zijn vuisten richting [slachtoffer 1] , maar doordat ik ervoor stond heb ik ook een paar klappen opgevangen. Ik voelde zijn vuisten neerkomen op mijn armen, mijn handen en op mijn gezicht.
Ik ben zelf op mijn tand geraakt en op het hoofd. Er stonden nagelafdrukken in mijn arm. De dag erna had ik ook last van mijn nek.
Overweging ten aanzien van het opzet van de verdachte
Uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte heel kwaad was op [slachtoffer 1] en daarom – zonder stil te staan bij wat hij deed – met gebalde vuisten op haar begon in te slaan. De verdachte heeft dit gedaan terwijl [slachtoffer 2] voor [slachtoffer 1] stond. Daarmee heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij ook [slachtoffer 2] zou kunnen raken, wat ook is gebeurd. Naar algemene maatstaven levert het een aanmerkelijke kans op pijn of letsel op als iemand met gebalde vuisten door een ander wordt geraakt. [slachtoffer 2] heeft ook pijn en letsel opgelopen. Door met die kennis onder die omstandigheden toch met gebalde vuisten wild op [slachtoffer 1] in te slaan, heeft de verdachte tevens voorwaardelijk opzet op de mishandeling van [slachtoffer 2] gehad die in de onmiddellijke nabijheid stond en geraakt werd.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (onder feit 2 respectievelijk feit 3) werkzaam zijn als sociotherapeuten in de TBS-kliniek De Rooyse Wissel en daarmee ambtenaren zijn in de zin van art. 304 lid, 1, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. feit 1
op 28 juni 2024 te Oostrum opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een deken en kussen terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand en de inboedel van de Rooyse Wissel, en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners en personeel van de Rooyse Wissel te duchten was;
T.a.v. feit 2
op 31 augustus 2024 te Oostrum een ambtenaar, [slachtoffer 1] , werkzaam als sociotherapeut bij de Rooyse Wissel, gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, tegen het hoofd en het lichaam te slaan;
T.a.v. feit 3
op31 augustus 2024 te Oostrum een ambtenaar, [slachtoffer 2] , werkzaam als sociotherapeut bij de Rooyse Wissel, gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] meermalen, in het gezicht en tegen het hoofd en het lichaam te slaan.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
T.a.v. feit 1:
opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
T.a.v. feit 2:
mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
T.a.v. feit 3:
mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De psychiater [naam 5] heeft over de geestvermogens van de verdachte op 21 augustus 2025 een rapport uitgebracht. Daarin heeft de psychiater gerelateerd dat bij de verdachte sprake is van een lichte verstandelijke beperking, van een neurocognitieve stoornis en van een ernstige verslavingsgevoeligheid, vooral aan alcohol en nicotine. Ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten waren deze stoornissen aanwezig. De brandstichting vond plaats omdat de verdachte hiermee een overplaatsing naar een andere afdeling wilde afdwingen. Hij kon de consequenties van deze daad als gevolg van zijn beperkingen niet helemaal overzien, maar had er wel een duidelijke bedoeling mee. De mishandeling van de sociotherapeuten kwam voort uit frustratie over het in zijn ogen niet krijgen van voldoende sigaretten, gevoegd bij de hekel die hij al een tijd had aan een van beide slachtoffers. Toen hem de sigaretten werden geweigerd, voelde hij zich gepest en gekleineerd en is hij fysiek agressief geworden.
De psychiater heeft geadviseerd om de verdachte de brandstichting enigszins verminderd toe te rekenen. De brandstichting was namelijk grotendeels intentioneel en gepland en de onderliggende problematiek van de verdachte speelde daarbij slechts een kleine rol. Ten aanzien van de mishandelingen heeft de psychiater geadviseerd om deze in verminderde mate toe te rekenen. De rol van de onderliggende beperkingen bij de mishandelingen was groter. Deze was minder gepland en meer impulsief, waardoor de mogelijkheden om zich anders te gedragen in deze situatie voor de verdachte kleiner waren.
De rechtbank neemt dit advies van de psychiater over en maakt dit tot de hare met dien verstande dat zij uitgaat van de drie-punts-schaal die doorgaans door het NIFP wordt gehanteerd die bestaat uit de gradaties toerekeningsvatbaar - verminderd toerekeningsvatbaar - ontoerekeningsvatbaar. De door de psychiater geadviseerde “enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid” voor de brandstichting zal tegen die achtergrond als “verminderd toerekeningsvatbaar” gelden. Dat betekent dat de rechtbank de verdachte ten aanzien van de brandstichting en ten aanzien van de mishandelingen als verminderd toerekeningsvatbaar zal aanmerken. De verdachte is wel strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten. De (enigszins) verminderde toerekeningsvatbaarheid zal de rechtbank wel betrekken bij de op te leggen straf.
6. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 11 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Zij rekent het de verdachte aan dat hij de brand enkel heeft gesticht om overplaatsing naar een andere afdeling te bewerkstelligen. De officier van justitie heeft er verder op gewezen dat de medewerkers moeten kunnen vertrouwen op een veilige werkomgeving. Geweld tegen hen heeft een zeer grote impact. De officier van justitie heeft een onvoorwaardelijk deel van slechts 1 maand gevorderd, zodat het bed van de verdachte in de tbs-kliniek voor hem wordt vrijgehouden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf op te leggen. Volgens haar heeft het opleggen van een straf namelijk geen toegevoegde waarde. De feiten zijn van bijna twee jaar geleden en sindsdien heeft de verdachte vooruitgang laten zien in zijn terbeschikkingstelling. De gevangenis is geen geschikte plek voor de verdachte en zal de reeds ingezette positieve weg tenietdoen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Op 28 juni 2024 heeft de verdachte brand gesticht in zijn kamer op een afdeling van de Rooyse Wissel, waar hij in het kader van zijn tbs-behandeling verblijft. De verdachte heeft zijn deken en kussen in brand gestoken. Hij heeft verklaard dat hij op deze manier hoopte te bereiken dat hij naar een andere afdeling zou worden overgeplaatst. Uit het dossier blijkt dat op enig moment alle deuren dichtvielen en dat dit betekent dat er een brandalarm is. Bij de kamer van de verdachte brandde toen een lampje. Dat betekent dat het brandalarm van die kamer komt. Toen een medewerker door het luikje van de deur van de verdachte keek, zag zij vlammen die tot aan het plafond kwamen. In opdracht van de bedrijfshulpverleners is de afdeling ontruimd. De brand is door de brandweer geblust. Door de brand zijn het matras, het dekbed en het kussen van de verdachte verbrand. Verder was er veel roet en waterschade door de sprinklers die zijn aangezet. De kamer van de verdachte en de kamer ernaast moesten professioneel gereinigd worden. De hele afdeling stond vol rook en moest worden gelucht. Door een aantal personen is ook rook ingeademd. De medewerkers waren in verband met de rook en het risico op overslaan van de brand ook bang voor de patiënten die naast en boven de verdachte zaten. Bij deze brand is sprake geweest van gemeen gevaar voor goederen en er was levensgevaar voor personen te duchten.
Brandstichting is een ernstig feit. Vuur is onvoorspelbaar en kan zich snel verspreiden als het niet tijdig wordt geblust. Daarnaast is het inademen van de rook die bij een brand vrijkomt zeer gevaarlijk. Ook kan brandstichting gevoelens van angst, onveiligheid en onrust teweeg brengen. Dit geldt zeker in een tbs-kliniek waarbij meerdere patiënten op één afdeling verblijven. De rechtbank rekent het de verdachte ook aan dat hij zich aan de brand heeft onttrokken, terwijl anderen daar op af gingen. Hij heeft immers, ondanks de verminderde toerekeningsvatbaarheid, moedwillig en welbewust brand gesticht om een overplaatsing af te dwingen, is daarna doodleuk weggelopen van de afdeling terwijl personeel van de kliniek ook omwille van de veiligheid van andere gedetineerden in tegengestelde richting naar de brand moesten, met gevaar voor eigen leven en gezondheid.
De verdachte heeft verder op 31 augustus 2024 twee sociotherapeuten mishandeld door hen te slaan. Sociotherapeuten en andere medewerkers van een tbs-kliniek zetten zich iedere dag in voor de behandeling van patiënten. Zij moeten er op kunnen vertrouwen dat zij hun werk in een veilige omgeving kunnen uitvoeren. Dat zij zich daarbij ongetwijfeld bewust zullen zijn van de risico’s in hun werk en van de mogelijkheid dat een terbeschikkinggestelde agressief kan worden, betekent niet dat zij zich hoeven te laten mishandelen. De verdachte heeft zich aldus aan gekwalificeerde mishandelingen schuldig gemaakt, naar de mate van zijn toerekeningsvatbaarheid.
Uit het strafblad van de verdachte van 25 februari 2026 volgt dat hij in 2024 is veroordeeld voor brandstichting. Aan de verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 1 jaar opgelegd. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was deze proeftijd nog niet geëindigd. Deze voorwaardelijke straf heeft hem er echter niet van weerhouden om weer strafbare feiten (waaronder opnieuw een brandstichting) te plegen. De verdachte is ook eerder veroordeeld voor mishandeling.
De rechtbank heeft acht geslagen op het voornoemde advies van de psychiater. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met het advies dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht voor de bewezenverklaarde feiten. In dit advies van de psychiater wordt verder genoemd dat er bij de verdachte sprake is van impulsiviteit, onvoldoende copingvaardigheden en een neiging tot het afdwingen van zaken als de verdachte iets niet aanstaat. Als gevolg daarvan wordt de kans op brandstichting of gewelddadig gedrag (eenvoudige mishandeling, uitschelden), ook binnen de kliniek, als hoog ingeschat. Daarnaast kan de onduidelijkheid die de verdachte over zijn toekomst ervaart – gezien de aard van zijn beperkingen – als risicoverhogend worden gezien.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de beslissing van de rechtbank Gelderland van 19 december 2025 waarin de tbs-maatregel van de verdachte met twee jaar is verlengd. In die beslissing staat dat de verdachte in de afgelopen periode enkele stappen in de goede richting heeft gezet, maar dat deze positieve ontwikkelingen nog zeer pril zijn. Uit de wettelijke aantekeningen blijkt dat er zich na de datum van de tenlastegelegde feiten nog zes incidenten met de verdachte hebben voorgedaan. Bij één hiervan heeft de verdachte naar een medewerker geslagen en bij één heeft hij op zijn kamer papier in brand gestoken.
Gelet op het bewezenverklaarde blijft de verdachte zich dus hardnekkig schuldig maken aan divers strafbaar gedrag, nota bene wederom terwijl hij nog steeds de hem opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling ondergaat. Uitdrukkelijk is de rechtbank dan ook van oordeel dat een andere straf dan een gevangenisstraf zich niet voor toepassing leent. Bovendien vindt de rechtbank het van belang om de gevangenisstraf tenminste deels onvoorwaardelijk op te leggen. De reële gevaarzetting die door de brandstichting veroorzaakt is voor personeel en voor andere gedetineerden leidt tot een reële onvoorwaardelijke strafoplegging, zodat de verdachte ook weet met welke straffen hij rekening heeft te houden wanneer hij weer zulk strafbaar handelen zou overwegen.
Dat de officier van justitie niet de tenuitvoerlegging van de genoemde voorwaardelijke straf heeft gevorderd, verhindert de rechtbank daarover te beslissen, maar dat maakt tevens dat de rechtbank geen heil ziet om nogmaals een louter voorwaardelijke straf toe te passen.
De rechtbank neemt tenslotte in haar afweging mee dat uit het behandelplan van de verdachte van 14 januari 2026, door de raadsvrouw in het geding gebracht, volgt dat de verdachte de afgelopen periode stabieler gedrag heeft vertoond, kennelijk na aanpassing in medicatie. De rechtbank hoopt uiteraard dat deze positieve ontwikkeling niet teniet wordt gedaan, maar zoals overwogen – nu aan de verdachte in 2024 al een geheel voorwaardelijke straf voor een brandstichting is opgelegd – kan naar het oordeel van de rechtbank niet weer met een geheel voorwaardelijke straf worden volstaan. Bovendien dient er ook een duidelijk signaal uit te gaan voor de kliniek en haar medewerkers (en voor de in de kliniek verpleegde patiënten) dat dit gedrag, ook al is het gepleegd gedurende de behandeling van de verdachte, niet al te licht moet worden bestraft. De verdachte moet dit wel voelen door een tijdje in de gevangenis te verblijven.
De officier van justitie heeft bij haar eis aangegeven dat bij een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel van maximaal een maand de plek van de verdachte in de tbs-kliniek behouden blijft. Om te voorkomen dat de verdachte anders na tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf hernieuwd geselecteerd zou moeten worden voor plaatsing in een kliniek, zal de rechtbank de officier van justitie hierin volgen voor wat het onvoorwaardelijke deel betreft. Bij deze straftoemeting gaat de rechtbank aldus uit van het tijdelijk ondergaan van de straf in een andere penitentiaire inrichting dan de tbs-kliniek. Met het vorenstaande wordt ook tot uitdrukking gebracht dat met name de bewezen verklaarde brandstichting normaal gesproken een veel forsere gevangenisstraf zou opleveren, zoals de officier van justitie terecht opgemerkt heeft.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voor de goede orde zij opgemerkt dat naast deze voorwaardelijke gevangenisstraf de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf boven het hoofd van de verdachte blijft hangen. De proeftijd geldt vanwege de detentie in het kader van de terbeschikkingstelling immers als van rechtswege opgeschort en zal in feite pas kunnen gaan lopen na ommekomst van de terbeschikkingstelling, dan wel bij onttrekking of (voorwaardelijke) beëindiging van de dwangverpleging.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 157, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.M. Geuns, voorzitter, mr. H.E.G. Peters en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 april 2026.
Buiten staat
Mrs. L.H.M. Geuns en S.S. Vijn zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 28 juni 2024 te Oostrum opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een deken en/of kussen terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand en/of de inboedel van de Rooyse Wissel, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners en/of personeel van de Rooyse Wissel te duchten was;
2
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Oostrum, een ambtenaar, [slachtoffer 1] , werkzaam als sociotherapeut bij de Rooyse Wissel, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te schoppen;
3
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te Oostrum, een ambtenaar, [slachtoffer 2] werkzaam als sociotherapeut bij de Rooyse Wissel, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan.