RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaken tussen
het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder,
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 23/1068, ROE 23/1136 en ROE 23/1151
1. [eiser 1], uit [woonplaats] , en Vereniging Behoud de Parel, statutair gezeteld in Grubbenvorst, eisers 1 (ROE 23/1068),
(gemachtigden: [eiser 1] en [naam gemachtigde] ),
2. [eiser 2], uit [woonplaats] , eiser 2 (ROE 23/1136),
3. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, eiser 3 (ROE 23/1151),
(gemachtigde: mr. M.H.P. Bullens),
gezamenlijk aan te duiden als eisers,
en
(gemachtigden: mr. X.H.E. Rijnders, A.G.C. Posthumus en L.J.M. Peeters).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam vergunninghoudster], gevestigd in [vestigingsplaats] (vergunninghoudster),
(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Termaat).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers die gaan over de door verweerder aan vergunninghoudster verleende veranderingsvergunning milieu op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de inrichting gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van deze veranderingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de veranderingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van de activiteiten in de hal waar de gehygiëniseerde mest wordt opgeslagen, geen onaanvaardbare geuremissie is te verwachten. Over de geuremissie die wordt veroorzaakt door de activiteiten met de gehygiëniseerde mest in de buitenlucht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet kon volstaan met een verwijzing naar een rapport van [naam 1] daarover. In dat rapport is namelijk geen rekening gehouden met het feit dat warme mest meer geuremissie dan koude mest veroorzaakt en het dus onduidelijk is wat de geuremissie van de gevraagde activiteiten is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 april 2023 de veranderingsvergunning verleend. Eisers hebben tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op de beroepen met verweerschriften gereageerd. Vergunninghouder heeft ook reacties ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen, eiser 2, van de kant van eiser 3 [naam 2] , en van de kant van vergunninghoudster [naam 3] , [naam 4] en ing. [naam 5] .
Op zitting hebben eisers 1 de beroepsgronden die zien op de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur en de emissies uit de schoorsteen ingetrokken.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Vergunninghoudster beschikt over een revisievergunning van 18 december 2012 voor de exploitatie van een varkenshouderij en een mestbewerkings- en verwerkingsinstallatie aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Op 9 oktober 2014 heeft verweerder aan vergunninghoudster een veranderingsvergunning verleend voor de verwerking van 80.000 m³ mest per jaar, waarvan circa 22.000 m³ van het eigen bedrijf en circa 58.000 m³ mest van derden afkomstig is. Verwerking zou plaatsvinden met een (co)vergistingsinstallatie die nooit is gerealiseerd.
4. In de periode 2015 tot en met 2020 heeft verweerder vier keer een milieuneutrale veranderingsvergunning voor de inrichting verleend.
5. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 14 mei 2020 aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het veranderen van haar inrichting op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2° van de Wabo. De vergunning ziet op uitbreiding en opschaling van de mestbe- en verwerkingsinstallatie van 80.000 m³ mest per jaar naar 450.000 m³ mest per jaar. Hierbij is onder meer vergund dat de dikke fractie van de mest wordt bewerkt in een droger en pyrolysevergasser. Wanneer zich problemen zouden voordoen in het proces, of als het proces niet volledig gelijk op zou verlopen, mocht de dikke fractie tijdelijk worden opgeslagen. De tegen dit besluit door onder meer [eiser 1] en [eiser 2] ingestelde beroepen heeft deze rechtbank bij uitspraak van 22 februari 2022 ongegrond verklaard. Deze omgevingsvergunning is inmiddels onherroepelijk.
6. Daarna heeft verweerder bij besluit van 1 juni 2021 aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning tweede fase verleend ten behoeve van de uitbreiding van de inrichting op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Wabo en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo voor – kort gezegd – de activiteiten bouwen, uitvoeren van een werk, gebruiken in strijd met het bestemmingsplan en veranderen van een uitweg. De tegen dit besluit door eisers (met uitzondering van Vereniging Behoud de Parel) ingestelde beroepen heeft deze rechtbank bij uitspraak van 13 oktober 2023 ongegrond verklaard. Hiertegen is hoger beroep ingesteld.
7. Op 17 oktober 2022 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor de onderhavige veranderingsvergunning ingediend. Deze aanvraag is ingediend om de huidige bedrijfssituatie te legaliseren naar aanleiding van een handhavingsprocedure. De aanvraag betreft in hoofdzaak het uitvoeren van een ander mestbewerkings- en verwerkingsproces (namelijk thermische hygiënisatie) in de reguliere bedrijfssituatie dan eerder op 14 mei 2020 vergund is.
8. Het proces is, voor zover hier van belang, samengevat als volgt. De inrichting is jaarrond en zeven dagen per week in werking. De drijfmest wordt aangevoerd per as en opgeslagen in de mestsilo’s. Het be- en verwerkingsproces vindt plaats in hal zes en hal zeven. Als eerste wordt de drijfmest gescheiden in een dikke fractie (organische stof) en dunne fractie (opgeloste zouten en water). Dit gebeurt in drie scheidingslijnen van steeds een flotatie-unit en zeefbandpers. In de flotatie-unit wordt een vlokmiddel aan de mest toegevoegd voor een betere scheiding, en wordt onder druk lucht van onderuit ingebracht en in kleine belletjes meegevoerd naar het vloeistofoppervlak, waar zich een sliblaag vormt. Deze sliblaag wordt vervolgens met behulp van een zeefbandpers gescheiden in een dikke fractie en een dunne fractie. Na de scheiding wordt de dunne fractie door omgekeerde osmose gezuiverd tot permeaat en concentraat. Het concentraat wordt per as afgevoerd of verder verwerkt middels een indamper als de loods met indamper is gerealiseerd. De dikke fractie wordt naar een tussenopslag (opslagvak of -bak) getransporteerd voor de hygiënisatie. Vervolgens wordt de dikke fractie in de hygiënisatie-installatie thermisch gehygiëniseerd naar een temperatuur van 57 °C gedurende 45 minuten. Na hygiënisatie wordt de gehygiëniseerde dikke fractie met transportbanden getransporteerd naar een aparte inpandige opslagruimte in hal zes van 15,5 bij 15,2 meter. Aan de zuidzijde staat deze opslagruimte in open verbinding met de overige bedrijfsruimtes van hal zes en hal zeven. Aan de noordzijde is een schuifpoort van 4,4 meter hoog en 6,1 meter breed. Een shovel rijdt via deze schuifpoort in de hal en stort de gehygiëniseerde dikke fractie buiten in de naast de open poort geparkeerde vrachtwagen. De shovel legt buiten een afstand af van ongeveer tien meter en deze rit wordt ongeveer zeven keer afgelegd voor het vullen van één vrachtwagen, wat ongeveer vijftien minuten duurt. De overige tijd is de poort dicht. Als de vrachtwagen is beladen wordt deze met een dekzeil afgedekt. Ongeveer zeven vrachtwagens per dag voeren de gehygiëniseerde dikke fractie af. De lucht in hal zes en hal zeven, waar de scheidingslijnen, hygiënisator en opslagruimte voor de gehygiëniseerde dikke fractie zijn, wordt afgezogen en behandeld in een vijftraps industriële luchtwasser. Door de halafzuiging is er onderdruk.
9. De aanvraag ziet op de volgende wijzigingen ten opzichte van de vergunde situatie:
Ook is aangevraagd dat gekozen kan worden tussen het uitvoeren van het mestbewerkings-en verwerkingsproces zoals dat al met de omgevingsvergunning van 14 mei 2020 vergund is of het mestbewerkings- en verwerkingsproces van thermische hygiënisatie zoals dat nu aangevraagd is.
10. Verweerder heeft op 24 januari 2023 een ontwerp-veranderingsvergunning ter inzage gelegd. Eisers 1 en eiser 2 hebben daartegen een zienswijze ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aangevraagde veranderingsvergunning verleend en daarbij voorschriften uit de omgevingsvergunning van 14 mei 2020 gewijzigd. Daarbij is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure gevolgd van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Toepasselijke wetgeving
11. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een veranderingsvergunning is op 17 oktober 2022 ingediend. Dat betekent dat in dit geval de bepalingen van de Wabo zoals die golden vóór 1 januari 2024 van toepassing blijven.
Ontvankelijkheid beroep eiser 2
12. Eiser 2 woonde ten tijde van het instellen van het beroep in de directe omgeving van de inrichting. Op zitting heeft vergunninghoudster aangegeven dat eiser 2 in juli 2025 is verhuisd en vraagt zich om die reden af wat zijn procesbelang bij dit beroep is. Als reactie hierop heeft eiser 2 aangegeven dat hij zijn woning aan zijn zoon heeft verkocht en naar een andere locatie in het dorp is verhuisd.
De rechtbank is van oordeel dat eiser 2 geen procesbelang meer bij de beoordeling van zijn beroep heeft, omdat hij naar een andere locatie is verhuisd waar hij naar eigen zeggen geen geurhinder meer ervaart. Hij heeft verder niet aangevoerd dat hij door een andere omstandigheid wel procesbelang heeft zoals bijvoorbeeld geleden schade als gevolg van het bestreden besluit. Het beroep van eiser 2 is dan ook niet-ontvankelijk en om die reden worden zijn beroepsgronden niet inhoudelijk besproken.
Crisis- en herstelwet – beroepsgrond over maximale verwerkingshoeveelheid
13. De aanvraag voorziet in installaties voor de verwerking van dierlijke mest zodat de Crisis- en herstelwet van toepassing is. Dit heeft verweerder ook in de rechtsmiddelenclausule van de veranderingsvergunning aangegeven. Dit betekent onder meer dat beroepsgronden binnen de beroepstermijn van zes weken moeten zijn ingediend.
De beroepsgrond van eisers 1 die ziet op het voorschrift ten aanzien van de maximale verwerkingshoeveelheid is buiten deze periode ingediend en zal dan ook niet worden besproken.
Relativiteitsvereiste
14. Vergunninghoudster heeft de rechtbank verzocht om na te gaan of en zo ja, welke van de door de Vereniging Behoud de Parel ingediende beroepsgronden niet tot vernietiging kunnen leiden vanwege het relativiteitsvereiste. Daarbij verwijst vergunninghoudster naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 20 maart 2024.
De rechtbank overweegt dat in artikel 8:69a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser (het zogenoemde relativiteitsvereiste).
De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 20 maart 2024 heeft geoordeeld dat in gevallen waarin het beroep van een belangenorganisatie die volgens haar statuten één of meer algemene belangen behartigt, ontvankelijk is omdat zij een zienswijze naar voren heeft gebracht, het volgende geldt. In zulke gevallen wordt in het kader van het relativiteitsvereiste naast de statutaire doelstellingen mede van belang geacht of zo’n belangenorganisatie enige feitelijke werkzaamheden heeft verricht die invulling geven aan één of meer van de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt. Dit betekent dat een belangenorganisatie niet kan opkomen voor de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt als zij in het geheel geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht.
De rechtbank overweegt dat op zitting door de gemachtigden van Vereniging Behoud de Parel desgevraagd is aangegeven welke feitelijke werkzaamheden de vereniging verricht zoals financiële ondersteuning bij milieuonderzoeken, het houden van vergaderingen, het bespreken van milieuaspecten met gemeentes en het geven van presentaties. De rechtbank heeft daarnaast ook de website van Vereniging Behoud de Parel geraadpleegd en daaruit blijkt dat er vergaderingen plaatsvinden en informatie over milieuaspecten wordt gepubliceerd. De rechtbank is op basis van hetgeen op zitting is toegelicht en op de website is gepubliceerd van oordeel dat niet is gebleken dat Vereniging Behoud de Parel onvoldoende feitelijke werkzaamheden verricht ten aanzien van de algemene belangen die zij met het beroep beoogt te behartigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste niet in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit wegens de door Vereniging Behoud de Parel aangevoerde beroepsgronden, nog daargelaten dat ook [eiser 1] deze beroepsgronden heeft aangevoerd. De rechtbank zal de beroepsgronden daarom hieronder inhoudelijk bespreken, uitgezonderd de hiervoor genoemde beroepsgrond over de maximale verwerkingshoeveelheid.
Omvang van het geding
15. De rechtbank overweegt dat in deze procedure alleen de veranderingsvergunning van 6 april 2023 voorligt. De eerder verleende vergunningen zijn onherroepelijk of voorwerp van geschil in hoger beroep en kunnen in deze procedure niet aan bod komen. Ook klachten en handhavingsprocedures vallen buiten de omvang van dit geding. Alles wat eisers hierover hebben aangevoerd, laat de rechtbank daarom in deze procedure buiten beschouwing.
Schijn van vooringenomenheid
16. Eisers 1 stellen zich op het standpunt dat verweerder de schijn van vooringenomenheid heeft doordat verweerder met vergunninghoudster heeft gecommuniceerd over het te voeren verweer in deze procedure.
Het verbod van vooringenomenheid is neergelegd in artikel 2:4 van de Awb. Daarbij gaat het erom dat het bestuursorgaan de aan hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. De overheid is dus gehouden de nodige objectiviteit te betrachten en mag zich niet laten leiden door vooringenomenheid.
Naar het oordeel van de rechtbank is van (schijn van) vooringenomenheid niet gebleken. Het staat verweerder vrij om met vergunninghoudster af te stemmen en te bespreken hoe in deze procedure op de beroepsgronden wordt gereageerd. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze vorm van communicatie pas na de besluitvorming heeft plaatsgevonden. Voor zover eisers 1 de deskundigheid in twijfel trekken van de opstellers van de rapporten die vergunninghoudster heeft ingediend, en stellen dat die rapporten onjuistheden bevatten, overweegt de rechtbank dat deze punten hierna worden besproken in het kader van de beroepsgrond van eisers 1 over geur.
Inhoudelijke beoordeling - het toetsingskader
17. Het toetsingskader voor de veranderingsvergunning wordt gegeven in artikel 2.14 van de Wabo. Daarin staat in het eerste lid wat het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag moet betrekken, waarmee het rekening moet houden en wat het in acht moet nemen. In het tweede lid is opgenomen dat, voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.
Strijdigheid met het bestemmingsplan en verzoek om aanhouding
18. Eisers 1 en eiser 3 voeren aan dat de aanvraag om een veranderingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” is. Eiser 3 voert in dat kader aan dat de veranderingsvergunning vanwege de strijdigheid met het bestemmingsplan ook op de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo had moeten zien. Om van het bestemmingsplan af te wijken is een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van Horst aan de Maas nodig, maar de gemeenteraad is echter niet bereid die verklaring te geven.
De rechtbank overweegt dat hier enkel een vergunning is gevraagd voor het veranderen van de inrichting. Het toetsingskader voor die vergunning wordt gegeven in artikel 2.14 van de Wabo en deze vergunning kan slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. Strijdigheid met het bestemmingsplan is geen grond om de gevraagde veranderingsvergunning te weigeren.
Verder overweegt de rechtbank dat zowel eiser 3 als vergunninghoudster op zitting de rechtbank hebben verzocht om de uitspraak op het beroep aan te houden totdat de Afdeling een uitspraak heeft gedaan in de hoger beroepen tegen de uitspraken van deze rechtbank over de tweede fase omgevingsvergunning en de weigering om de revisievergunning in te trekken.
De rechtbank zal niet overgaan tot aanhouding van het beroep totdat de Afdeling in de genoemde hoger beroepen uitspraak heeft gedaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat de onderhavige veranderingsvergunning een wijziging inhoudt van de situatie zoals deze bij de onherroepelijke omgevingsvergunning eerste fase is vergund. Als de omgevingsvergunning tweede fase door de Afdeling wordt vernietigd, zoals eiser 3 wenst, dan zal er opnieuw op de aanvraag van de omgevingsvergunning tweede fase moeten worden beslist. Mocht met een (eventuele) vernietiging door de Afdeling van de omgevingsvergunning tweede fase of van de weigering om de revisievergunning in te trekken, het niet meer mogelijk zijn om gebruik te maken van de onderhavige veranderingsvergunning, dan is dat een kwestie van handhaving.
Beroepsgrond van eiser 3: geur - onevenredige gevolgen
19. Eiser 3 voert over de geur het volgende aan: “Verder betwist het college ook de beoordeling van het aspect geur. Daarbij wijst het college erop dat er veel zienswijzen naar voren zijn gebracht met betrekking tot het aspect geur, maar dat de weerlegging daarvan in de zienswijzenota niet overtuigt. Bijvoorbeeld ten aanzien van de geurhinder als gevolg van de opslag van de mest, de gehanteerde kentallen en uitgangspunten in het geuronderzoek en de uitgevoerde metingen. Maar ook ten aanzien van andere aspecten. Het college is van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat het aspect geur niet leidt tot onevenredige gevolgen voor de omgeving.”
De rechtbank overweegt dat eiser 3 niet heeft onderbouwd waarom de motivering van verweerder in de veranderingsvergunning niet deugdelijk zou zijn. Deze grond kan dan ook niet slagen.
Beroepsgrond van eisers 1: geur en ammoniak
20. Voorop gesteld wordt dat eisers 1 zich – zoals hiervoor in het procesverloop is vermeld – niet meer richten tegen geur- en ammoniakemissie die via de luchtwasser en de schoorsteen de inrichting verlaat. Het gaat hen alleen nog om ten eerste de diffuse emissie door de open poort van hal zes als de shovel heen en weer rijdt en ten tweede de handelingen buiten hal zes, namelijk het rijden van de shovel met gehygiëniseerde dikke fractie en het storten van de gehygiëniseerde dikke fractie door de shovel in de vrachtwagen. In dat verband is ook van belang dat de vrachtwagens tijdens het laden van de gehygiëniseerde dikke fractie niet zijn afgedekt en ook de gehygiëniseerde dikke fractie in de vrachtwagen een geurbron is. Het gaat daarbij om zeven vrachtwagens per dag waarbij het laden van de gehygiëniseerde dikke fractie een kwartier per vrachtwagen duurt en de poort gedurende die tijd open staat. De rechtbank zal de ammoniak- en geuremissie als gevolg van de opslag en het verladen van de gehygiëniseerde dikke fractie samen beoordelen, omdat het eisers 1 gaat om de geur van ammoniak.
21. Eisers 1 voeren aan dat de door vergunninghoudster ingediende rapporten “modellering onderdruk mestopslag” van 13 september 2022 van SGS en “geur in de omgeving” van 19 september 2022 van [naam 1] niet aan de veranderingsvergunning ten grondslag kunnen worden gelegd. De deskundigheid van [naam 1] en SGS wordt in twijfel getrokken en daarnaast zouden de rapporten onjuistheden bevatten. Daarbij verwijzen eisers 1 naar het door hen ingebrachte rapport “Beoordeling rapportage inzake geuremissie [naam vergunninghoudster] ” van Climate Concept van 10 januari 2024. Daarin worden – voor zover relevant voor de beoordeling van de gronden – de volgende punten genoemd:
- het rapport van SGS
De modellering onderdruk van de mestopslag is ongeschikt.
a. Ten onrechte is uitgegaan van een volledig luchtdicht gebouw.
b. Ten onrechte is uitgegaan van de afmeting van de inpandige ruimte in plaats van de afmetingen van de buitenkant van het gebouw. Winddrukken op gebouwdelen variëren sterk en de veronderstelling dat sprake is van een uniforme druk op de gehele opening is daarom onjuist. Gezien de positionering van de opening in relatie tot het gebouw is het zeer waarschijnlijk dat er lokaal lucht door de opening naar buiten zal stromen.
c. Ten onrechte is ervan uitgegaan dat de binnentemperatuur gelijk is aan de buitentemperatuur als gevolg van de geopende schuifpoort. De opgeslagen warme gehygiëniseerde dikke fractie zorgt voor een substantiële hoeveelheid warmte die vrijkomt en tijdens het verladen van de gehygiëniseerde dikke fractie komt meer warmte vrij door beroering ervan. Door dit temperatuurverschil zal instroming van lucht op laag niveau plaatsvinden en uitstroom op hoog niveau. De mechanische afzuiging is onvoldoende om dit tegen te gaan.
- het rapport van [naam 1]
1. Ten onrechte is de aan de opslag van de gehygiëniseerde dikke fractie toegerekende geuremissie ontleend aan het rapport 402 “Emissiemetingen mestverwerkingsinstallaties” van oktober 2010 van Wageningen UR Livestock Research, gelet op de conclusie in het rapport dat de meetmethodiek nog geoptimaliseerd moet worden en het feit dat de uitgevoerde metingen bij bedrijf B niet zien op een mestverwerkingsinstallatie met hygiënisatie (en dus minder geuremissie dan bij vergunninghoudster).
2. Ten onrechte is gebruik gemaakt van de geuremissie van de opslag van de gehygiëniseerde dikke fractie als basis voor het bepalen van de geuremissie tijdens het verladen van de dikke fractie. Er is geen rekening gehouden met opstijgende warme dampen en langsstromende lucht door wind. De toegepaste berekeningsmethode geeft een sterke onderschatting van de geuremissie tijdens het beladen van vrachtwagens met de gehygiëniseerde dikke fractie.
De rechtbank is van oordeel dat SGS en [naam 1] als deskundigen kunnen worden aangemerkt. De standpunten van eisers 1 geven geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
Het rapport van SGS
Diffuse emissie door open poort van hal zes als shovel heen en weer rijdt
Over de geuremissie via de geopende schuifpoort van hal zes overweegt de rechtbank het volgende. In het rapport van SGS is te lezen dat onderdeel van de bedrijfsvoering de opslag van de gehygiëniseerde dikke fractie is in hal zes. Aan de noordzijde is deze hal voorzien van een schuifpoort waardoor met behulp van een shovel vrachtwagens worden beladen die buiten staan opgesteld. Aan de zuidzijde wordt de hal inpandig afgezogen. De afgezogen lucht verlaat de inrichting via de meertraps gaswasser. In het rapport van SGS is door middel van modellering nagegaan wat de druksituatie in de hal is ter hoogte van de schuifpoort op het moment dat deze open staat. Daarin is geconcludeerd dat uit modelberekeningen met het Aida-model blijkt dat er dankzij de forse afzuiging van hal zes geen uittrede van emissies via de schuifpoort te verwachten is. Desondanks wordt aanbevolen om als veiligheidsmarge een uittrede van 10% van de totale ventilatie (= 2.000 m3 lucht/h) aan te houden. Bij de berekening van de geuremissie in het rapport van [naam 1] is met die 10% rekening gehouden.
Zoals onder 20 is overwogen is in het rapport van Climate Concept een aantal punten genoemd waar in het rapport van SGS onvoldoende rekening mee zou zijn gehouden, waardoor SGS de hiervoor genoemde conclusie niet mocht trekken. Over het punt dat hal zes niet luchtdicht zou zijn, overweegt de rechtbank dat uit de veranderingsvergunning wel kan worden opgemaakt dat de gehygiëniseerde dikke fractie in een afgesloten hal moet worden opgeslagen. Ook in een eerder aan vergunninghoudster op 9 oktober 2014 verleende veranderingsvergunning is opgenomen dat er geen openingen in de gevel van hal zes aanwezig mogen zijn. Dat deze hal eerder niet deugdelijk was afgesloten, is in een handhavingsprocedure aan de orde gekomen waarin deze rechtbank een uitspraak heeft gedaan. Omdat het in die veranderingsvergunning van 9 oktober 2014 is geregeld dat hal zes afgesloten moet zijn, mocht SGS in zijn rapport uitgaan van de omstandigheid dat het om een afgesloten hal gaat. De onderhavige veranderingsvergunning brengt daar ook geen wijziging in. In het geval zou blijken dat de hal niet volledig afgesloten is en er bijvoorbeeld geuremissie door de kieren plaatsvindt, dan kan het bevoegd gezag daartegen handhavend optreden mocht daar aanleiding toe zijn. In deze procedure over de veranderingsvergunning kan dit niet aan de orde worden gesteld.
Daarnaast overweegt de rechtbank over het punt van het rapport van Climate Concept dat ten onrechte zou zijn uitgegaan van de afmeting van de inpandige ruimte in plaats van de afmetingen van de buitenkant van de hal als volgt. SGS heeft in een reactie van 10 januari 2024 op dit punt gereageerd. In deze reactie geeft SGS aan dat het bij de berekening juist gaat om de winddruk in de opening van hal zes. Immers, hoe hoger de winddruk, hoe kleiner de kans op diffuse emissie naar buiten. De winddruk in de opening wordt bepaald door de grootte van de opening, de gebouwhoogte en de heersende weersomstandigheden. De lengte en breedte van het totale gebouw maakt op de omstandigheden in de opening niet uit, aldus SGS. De rechtbank kan deze redenering van SGS volgen. Climate Concept heeft in reactie hierop gesteld dat gebruik moet worden gemaakt van het CFD-model in plaats van het Aida-model omdat het CFD-model in staat is om lokale drukverschillen te berekenen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee echter onvoldoende komen vast te staan dat het Aida-model onbruikbaar was om de winddruk te berekenen.
Verder overweegt de rechtbank over het laatste punt van het rapport van Climate Concept dat ten onrechte ervan zou zijn uitgegaan dat de binnentemperatuur gelijk is aan de buitentemperatuur als gevolg van de geopende schuifpoort als volgt. Verweerder heeft in reactie daarop aangegeven dat niet is onderbouwd in welke omvang warme lucht naar buiten zal treden. Dat warme lucht opstijgt is weliswaar een gegeven, maar dat sprake is van een significant temperatuurprofiel ter plaatste van de poort valt volgens verweerder te betwijfelen. De bron bevindt zich in het onderste deel van de hal, die in de nok 7,0 meter hoog is, terwijl de poort maar 4,4 meter hoog is. De rechtbank kan deze redenering van verweerder volgen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het rapport van SGS aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank acht dus voldoende onderbouwd dat de halafzuiging zodanig is dat geen diffuse emissie via de open poort te verwachten is, dan wel geen grotere emissie dan waarmee in het rapport [naam 1] rekening is gehouden op basis van de door SGS voorgestelde marge van 10%. Het betoog slaagt niet.
Het rapport van [naam 1]
De handelingen buiten hal zes (rijden met shovel en storten in vrachtwagen)
In het rapport van [naam 1] wordt ingegaan op de geuremissie als gevolg van de industriële activiteiten voor de actuele bedrijfsvoering. Met de in dat kader uitgevoerde geurmetingen door SGS is de geuremissie van activiteiten gedurende de aangevraagde situatie vastgesteld. In het rapport is onderscheid gemaakt tussen de emissies ten aanzien van – voor zover van belang – handelingen met de gehygiëniseerde dikke fractie (het beladen van de gehygiëniseerde dikke fractie door een shovel vanuit hal zes naar de buiten opgestelde vrachtwagens) en de diffuse emissies ten gevolge van de openstaande poort. Over het laden van de gehygiëniseerde dikke fractie in de vrachtwagens wordt aangegeven dat er – zoals hiervoor al is vermeld – maximaal zeven vrachtwagens per dag voor ongeveer vijftien minuten per keer de gehygiëniseerde dikke fractie afvoeren. Deze vrachtwagens worden met behulp van een shovel beladen. De shovel legt buiten een afstand van circa 10 meter af en deze rit wordt circa zeven keer gedaan voor het vullen van één vrachtwagen. In het rapport staat verder dat bij het beladen met de shovel het aanwezige volume aan lucht in de bak wordt verplaatst en dat daarbij is uitgegaan dat circa zeven keer de lucht in de bak wordt verschoven door het beladen van de gehygiëniseerde dikke fractie. De geuremissie bij de vrachtwagen treedt op vanaf het moment dat de eerste bak van de shovel gedumpt wordt tot het moment dat het zeil over de wagen wordt getrokken.
Over de temperatuur van de gehygiëniseerde dikke fractie overweegt de rechtbank het volgende. [naam 1] heeft in zijn notitie van 23 april 2024 als reactie op het rapport van Climate Concept over de temperatuur van de opgeslagen gehygiëniseerde dikke fractie en emissies als gevolg daarvan aangegeven dat het hygiënisatieproces van korte duur (45 minuten) is waarbij de dikke fractie tot 57 °C wordt verwarmd. De gehygiëniseerde dikke fractie zal in de opslag naar een lagere temperatuur afkoelen. Een kleine verhoging van de temperatuur van de opgeslagen gehygiëniseerde dikke fractie zal volgens [naam 1] niet ertoe leiden dat vergunninghoudster de vergunde voorschriften voor de geurvracht overschrijdt. De rechtbank overweegt dat uit het rapport van [naam 1] niet blijkt dat de temperatuur van 57 °C van de gehygiëniseerde dikke fractie bij de berekening van de emissies buiten hal zes is betrokken, zoals Climate Concept in de nadere reactie ook signaleert. De rechtbank acht het aannemelijk dat warme mest meer geur dan koude mest veroorzaakt. Ter onderbouwing hiervan verwijst de rechtbank naar het door Climate Concept aangehaalde artikel genaamd “Effects of environmental factors on odor emission from pig manure” van P. D. Le, A.J.A. Aarnink, N.W.M. Ogink en M.W.A. Verstegen. Daarin is geconcludeerd dat een verhoging van de mesttemperatuur van 10 °C naar 30 °C tot een aanmerkelijk grotere geuremissie leidt. Verder overweegt de rechtbank over het afkoelen van de gehygiëniseerde dikke fractie dat ook uit de notitie van [naam 1] en het verweerschrift niet blijkt tot hoeveel graden deze afkoelt als deze via een transportband in de opslag terechtkomt, dan wel tot hoeveel graden deze is afgekoeld bij het buiten laden van de vrachtwagens met de shovel. Vanwege het continue proces, zoals samengevat beschreven aan het begin van deze uitspraak, acht de rechtbank het aannemelijk dat de afkoeling slechts enkele graden is. Dat betekent dat de gehygiëniseerde dikke fractie met die (hoge) temperatuur met de shovel in de vrachtwagens wordt beladen die buiten staan en die pas worden afgedekt nadat zij helemaal zijn gevuld.
De rechtbank concludeert dat in het rapport van [naam 1] geen rekening is gehouden met de temperatuur van de gehygiëniseerde dikke fractie bij het rijden van de shovel in de buitenlucht en het storten door de shovel in de vrachtwagen, terwijl die temperatuur wel relevant is voor de bepaling van de geuremissie.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit gelet op het voorgaande in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, nu de temperatuur van de gehygiëniseerde dikke fractie waarmee buiten handelingen worden verricht, niet is betrokken bij de beoordeling van de geuremissie. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep van eiser 2 is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt zijn beroep dus niet verder. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.
23. Het beroep van eiser 3 is ongegrond. Eiser 3 krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
24. Het beroep van eisers 1 is gegrond. Zoals uit het voorgaande blijkt, is de reden voor de gegrondverklaring niet gelegen in de diffuse geuremissie als de poort van hal zes open staat, maar in de geuremissie door handelingen buiten hal zes met de gehygiëniseerde dikke fractie. Niettemin vernietigt de rechtbank het gehele besluit. Zoals aan het begin van de uitspraak samengevat is weergegeven, is namelijk sprake van een continue proces van aanvoer van drijfmest en afvoer van onder meer de gehygiëniseerde dikke fractie. Zonder afvoer is het bedrijfsproces zoals dat is aangevraagd, niet mogelijk. Gezien de complexiteit van de zaak, de nog onduidelijke duur van het benodigde onderzoek en de gevolgen die verweerder daaraan wenst te verbinden, volstaat de rechtbank met vernietiging.
25. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
26. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers 1 het door hen betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Het is de rechtbank niet gebleken dat eisers 1 proceskosten hebben gemaakt die vergoed moeten worden. Voor zover om vergoeding van andere kosten is gevraagd, overweegt de rechtbank dat die kosten niet zijn onderbouwd met bijvoorbeeld nota’s.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eiser 2 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser 3 ongegrond;
- verklaart het beroep van eisers 1 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- aan eisers 1 moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, voorzitter, mr. R.J.G.H. Seerden en mr. H.H.B. Lamers, leden, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 april 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op het hoger beroep is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.