ECLI:NL:RBLIM:2026:3618

ECLI:NL:RBLIM:2026:3618

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 16-04-2026
Zaaknummer 12022231 \ CV EXPL 25-5824
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Gedaagde heeft een deel van de premie van april en de premie van augustus 2024 niet betaald. Desondanks is niet komen vast te staan dat er een zorgverzekeringsovereenkomst bestond tussen gedaagde en CZ. De vordering van CZ wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12022231 \ CV EXPL 25-5824

Vonnis van 29 april 2026

in de zaak van

CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

te Tilburg,

eisende partij,

hierna te noemen: CZ,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met productie 1,- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord,- de conclusie van repliek met producties 3 en 4,- de schriftelijke weergave van de mondelinge dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Sinds 1 december 2019 brengt CZ bij [gedaagde] premie in het kader van een zorgverzekeringsovereenkomst in rekening.

[gedaagde] heeft een deel van de premie van april en de premie van augustus 2024 niet betaald.

Bij brief van 12 september 2024 heeft CZ [gedaagde] medegedeeld dat, als het bedrag van € 177,55 niet binnen veertien dagen wordt betaald, zij haar vordering uit handen zal geven aan een incassogemachtigde.

Op 23 mei 2025 heeft CZ een betaling van € 31,70 ontvangen van [gedaagde] .

Op 13 oktober 2025 heeft CZ [gedaagde] nogmaals gesommeerd tot betaling. [gedaagde] heeft niet betaald, waarna hij is gedagvaard.

3. Het geschil

CZ vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 145,85 en de proceskosten.

Op het totaalbedrag van € 177,55 heeft CZ € 31,70 aan betalingen in mindering gebracht.

CZ legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst is aangegaan en dat hij op grond van die overeenkomst aan haar periodiek premie verschuldigd is. [gedaagde] heeft een bedrag van in totaal € 145,85 aan premie over de maanden april en augustus 2024 niet betaald.

[gedaagde] voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] het bedrag van in totaal € 145,85 aan premie over de maanden april en augustus 2024 niet aan CZ heeft betaald. [gedaagde] heeft echter aangevoerd dat hij de premie niet wil betalen, omdat hij niet voor een zorgverzekering heeft gekozen en geen vertrouwen heeft in het zorgsysteem.

De kantonrechter stelt voorop dat in de Zorgverzekeringswet, in samenhang met de Wet Langdurige Zorg, is bepaald (in artikel 2) dat iedereen die in Nederland woont verplicht is om een zorgverzekering af te sluiten. Dat is anders indien een ontheffing is verleend wegens gemoedsbezwaren. Voor zover bekend heeft [gedaagde] geen ontheffing aangevraagd. De uitzondering is dus niet van toepassing.

Dat betekent dat de verzekeringsplicht ook voor [gedaagde] geldt. Desondanks heeft CZ onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een zorgverzekeringsovereenkomst tussen [gedaagde] en CZ. De enkele stelling van CZ dat [gedaagde] van 2011 tot 1 december 2019 was meeverzekerd op de polis van zijn moeder en sinds 1 december 2019, op verzoek van zijn moeder, zelfstandig een polis bij CZ heeft, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende. CZ heeft immers geen bewijs overlegd waaruit blijkt dat sprake is van een door [gedaagde] afgesloten zorgverzekeringsovereenkomst. Doordat [gedaagde] de door CZ geschetste omstandigheden heeft betwist, had het op de weg van CZ gelegen om haar stellingen nader te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten.

Uiteraard begrijpt de kantonrechter dat het hier om een verplichte verzekering gaat. Maar die verplichting creëert op zichzelf nog geen overeenkomst. Het kan zo zijn dat [gedaagde] ambtshalve bij CZ is verzekerd via het CAK (het zgn. bestuursrechtelijk traject), maar dat heeft CZ niet gesteld.

Het voorgaande betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] in 2024 een zorgverzekeringsovereenkomst met CZ had, op grond waarvan hij de maandelijkse premies moet betalen. Dat heeft tot gevolg dat het door CZ gevorderde bedrag van € 145,85 zal worden afgewezen.

Proces- en nakosten

CZ wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

86,00

(2 punten × € 43,00)

- nakosten

21,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

107,50

5. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vordering van CZ af,

veroordeelt CZ in de proceskosten van € 107,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als CZ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand