RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/307698 / HA ZA 22-335
Verbeterd en aanvullend vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
1. [persoon 1] ,
2. [persoon 2],
beiden te [plaats 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. C.S.B.E. Reinders te Voerendaal,
tegen
1. [persoon 3] ,
2. [persoon 4],
beiden te [plaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie
hierna samen te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht.
1. Het verzoek tot aanvulling
Op 20 maart 2026 heeft mr. Reinders namens [partij A] de rechtbank verzocht om aanvulling van het op 18 maart 2026 in deze zaak gewezen vonnis omdat de rechtbank vergeten heeft de kosten van het deskundigenbericht op te nemen in de berekening van de proceskosten.
Op 1 april 2026 heeft mr. Van Sintmaartensdijk namens [partij B] aan de rechtbank laten weten bezwaar te hebben tegen toewijzing van dat verzoek. Volgens [partij B] kan een aanvulling alleen zien op onderdelen die zijn gevorderd en waarover de rechter niet heeft beslist. Daarvan is in dit geval geen sprake, zo menen [partij B]
Op 16 april 2026 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat de rechtbank voornemens is om op de voet van artikel 31 Rv tot verbetering van een kennelijke schrijffout over te gaan, omdat als vonnisdatum in het vonnis vermeld is ‘18 maart 2025’ terwijl dat had moeten zijn ‘18 maart 2026’. [partij A] hebben dezelfde dag per e-mail laten weten in te stemmen met verbetering van de datum van het vonnis. [partij B] hebben op 17 april 2026 per e-mail laten weten geen bezwaar te hebben tegen de ambtshalve verbetering van de datum van het vonnis.
2. De beoordeling
Ambtshalve verbetering in conventie en in reconventie
De rechtbank heeft geconstateerd dat het eindvonnis dat op 18 maart 2026 is uitgesproken, in de kop op pagina 1, in de koptekst op pagina’s 2 tot en met 31 en in de laatste zin van het vonnis (“Dit vonnis is gewezen door (…)”) steeds abusievelijk gedateerd is op ‘18 maart 2025’ in plaats van ‘18 maart 2026’. De rechtbank herstelt deze kennelijke verschrijving hierbij.
Aanvulling in conventie
Op grond van artikel 32 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vult de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis aan als hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde.
De rechtbank stelt voorop dat deskundigenkosten onderdeel uitmaken van de proceskosten. De rechter heeft tot taak om ambtshalve te beslissen over de toewijsbaarheid van de proceskosten. Een kostenveroordeling hoeft niet te worden gevorderd en wordt zo nodig ambtshalve gegeven, tenzij de in het gelijk gestelde partij expliciet te kennen heeft gegeven geen kostenveroordeling te verlangen. Deze laatste situatie doet zich in deze zaak niet voor. [partij A] hebben immers bij dagvaarding gevorderd om [partij B] te veroordelen in de proceskosten. De opmerking van [partij A] op pagina 5-6 in hun conclusie na deskundigenbericht “ (…) vraagt om [partij B] in het kader van de proceskostenveroordeling in conventie als evident grotendeels in het ongelijk gestelde partij tevens te veroordelen om aan [partij A] de door laatstgenoemde voorgeschoten deskundigenkosten ad € 10.805,30 inclusief btw te voldoen” betreft een nadere concretisering van een onderdeel van de proceskostenveroordeling waarop zij aanspraak maken.
De rechtbank oordeelt dat in het eindvonnis dat uitgesproken is op 18 maart 2026, is verzuimd te beslissen over de kosten van de deskundige die door de rechtbank is benoemd. De deskundige heeft als kosten in rekening gebracht € 10.805,30 inclusief btw. Dat bedrag is door [partij A] als voorschot gedeponeerd bij het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak naar aanleiding van het vonnis van 29 januari 2025. Omdat [partij B] in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld zijn, komen deze kosten voor hun rekening. De rechtbank zal het verzoek tot aanvulling van het vonnis in conventie dan ook toewijzen als volgt:
Waar in rov. 2.165. van het eindvonnis van 18 maart 2026 (abusievelijk gedateerd 18 maart 2025) staat:
“Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen [partij B] hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van de proceskosten in conventie aan de zijde van [partij A] Tot heden worden die kosten begroot op:
Kosten exploot € 129,82
Griffierechten (verzoek beslag + deze procedure) € 2.277,00
Kosten advocaat (5,5 x tarief VI) € 15.867,50
Totaal € 18.274,32”
luidt deze rechtsoverweging na aanvulling als volgt:
“Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen [partij B] hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van de proceskosten in conventie aan de zijde van [partij A] Tot heden worden die kosten begroot op:
Kosten exploot € 129,82
Griffierechten (verzoek beslag + deze procedure) € 2.277,00
Kosten deskundigenbericht € 10.805,30
Kosten advocaat (5,5 x tarief VI) € 15.867,50
Totaal € 29.079,62
Waar in beslissing 3.9. van het eindvonnis van 18 maart 2026 (abusievelijk gedateerd 18 maart 2025) staat:
“veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot betaling aan [partij A] van € 18.274,32 (proceskosten) binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.”
luidt de beslissing na aanvulling als volgt:
“veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot betaling aan [partij A] van € 29.079,62 (proceskosten) binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.”
3. De beslissing
De rechtbank
Ambtshalve verbetering in conventie en in reconventie
bepaalt dat de datum ‘18 maart 2025’,
die vermeld staat in het eindvonnis dat is uitgesproken op 18 maart 2026, in de kop van dat vonnis op pagina 1, in de koptekst op pagina’s 2 tot en met 31 en in de laatste zin van het vonnis (“Dit vonnis is gewezen door (…)”)
wordt gewijzigd in
‘18 maart 2026’,
Aanvulling in conventie
bepaalt dat rechtsoverweging 2.165. van het eindvonnis van 18 maart 2026 (aanvankelijk abusievelijk gedateerd als 18 maart 2025) na aanvulling met de post‘kosten deskundigenbericht’ luidt:
“Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen [partij B] hoofdelijk
veroordeeld worden tot betaling van de proceskosten in conventie aan de zijde van [partij A]
Tot heden worden die kosten begroot op:
Kosten exploot € 129,82
Griffierechten (verzoek beslag + deze procedure) € 2.277,00
Kosten deskundigenbericht € 10.805,30
Kosten advocaat (5,5 x tarief VI) € 15.867,50
Totaal € 29.079,62”
bepaalt dat beslissing 3.9. van het eindvonnis van 18 maart 2026 (aanvankelijk abusievelijk gedateerd als 18 maart 2025) na aanvulling met de post‘kosten deskundigenbericht’ luidt:
“veroordeelt [partij B] hoofdelijk tot betaling aan [partij A] van € 29.079,62 (proceskosten) binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.”
Overig
bepaalt dat deze ambtshalve verbetering en deze aanvulling onder de vermelding van de datum 22 april 2026 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 18 maart 2026 (dat abusievelijk gedateerd was op 18 maart 2025),
verzoekt de partij die de grosse heeft ontvangen, voor zover zij dit niet al heeft gedaan, de ontvangen grosse van het vonnis van 18 maart 2026 (dat abusievelijk gedateerd was op 18 maart 2025) na ontvangst van deze verbeterde en aanvullende beslissing aan de griffie van de rechtbank terug te sturen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.