RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/333909 / HA ZA 24-370
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
de vennootschap naar Belgisch recht
[verkoper] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] (België),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [verkoper] ,
advocaat: mr. A.A.M. Goossens te Eindhoven,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[koper 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [koper 1] B.V. ,2. [koper 2],
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [koper 2] ,3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[koper 3] B.V.,
gevestigd te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [koper 3] B.V. ,4. [koper 4],
wonende te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [koper 3] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
allen hierna samen te noemen: [kopers] ,
advocaat: mr. R.R.J.W. Delsing te Maastricht.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 12 november 2025,
- de akte van [kopers] van 24 december 2025,
- de antwoordakte van [verkoper] van 21 januari 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
De rechtbank verwijst kortheidshalve naar de feiten, de overwegingen en de beslissingen in het tussenvonnis van 12 november 2025 (hierna: het tussenvonnis).
Vordering 3 in conventie (betaling koopsom)
In het tussenvonnis heeft de rechtbank [koper 2] en [koper 3] in rov. 4.34. in de gelegenheid gesteld om met stukken aan te tonen (bijvoorbeeld met bankoverboekingen) dat het bedrag van € 60.000,- betaald is door of ten behoeve van [koper 3] . [koper 2] en [koper 3] hebben vervolgens een akte genomen en [verkoper] heeft hierop bij antwoordakte gereageerd.
Verzoek [verkoper] terugkomen op beslissing
[verkoper] heeft de rechtbank bij antwoordakte verzocht om terug te komen op de beslissing in rov. 4.34. in het tussenvonnis waarbij [koper 2] en [koper 3] in de gelegenheid zijn gesteld om een akte te nemen omtrent de betaling van € 60.000,-. Zij stelt dat de bewijsopdracht berust op een onjuiste juridische en/of feitelijke grondslag.
De rechtbank wijst dat verzoek af en licht dit oordeel als volgt toe. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [koper 3] voor het eerst de stelling ingenomen dat (alleen) hij het bedrag van € 60.000,- aan [verkoper] heeft betaald. Als reactie heeft [verkoper] toen enkel opgemerkt dat het voor haar niet duidelijk was wie het bedrag van € 60.000,- had betaald, omdat het was voldaan via Marimi Holding B.V. [verkoper] heeft toen niet gewezen op de inhoud van haar productie 12 en de relevantie daarvan. Tegen die achtergrond berust de beslissing van de rechtbank in rov. 4.34. van het tussenvonnis om [koper 2] en [koper 3] een akte te laten nemen omtrent de betaling van € 60.000,- niet op een onjuiste juridische en/of feitelijke grondslag. Ook is geen sprake van schending van de goede procesorde, omdat [verkoper] niet is geschaad in haar belangen om zich te verweren. De rechtbank komt daarom niet terug op het oordeel zoals verwoord in rov. 4.34.
Is aangetoond dat het bedrag van € 60.000,- betaald is door of ten behoeve van [koper 3] ?
[koper 3] en [koper 2] hebben bij akte van 24 december 2025 twee bijlagen (A en B) overgelegd zonder verdere nadere toelichting. Als bijlage A is een bankafschrift overgelegd van Marimi Holding B.V. waaruit een overboeking blijkt op 26 februari 2024 van € 60.000,- van Marimi Holding B.V. naar [verkoper] B.V. met de omschrijving “Aankoop 1e deel aandelen in de Marimi bedrijven door [bedrijf] BV io en [koper 3] BV io conform overeenkomst levering van aandelen”. [koper 3] heeft in bijlage B bij deze akte toegelicht dat hij het bedrag vanaf zijn persoonlijke bankrekening in twee delen heeft overgeboekt naar Marimi Handel en Advies B.V., waarna Marimi Handel en Advies B.V. het volgens hem heeft doorgestort naar [verkoper] . De reden voor deze indirecte betaalconstructie licht [koper 3] als volgt toe: “De reden waarom ik het niet rechtstreeks naar [verkoper] heb overgemaakt was dat de eerdere afspraak met de andere aandeelhouder was dat hun het zouden betalen en ik het zou afbetalen.”
Bij antwoordakte heeft [verkoper] betwist dat het geld alleen afkomstig is van [koper 3] , aangezien in de omschrijving van de bankoverschrijving is opgenomen dat het ziet op de aankoop van het eerste deel door zowel [bedrijf] B.V. i.o. als [koper 3] B.V. i.o. Gelet op die omschrijving en het bepaalde in artikel 6:43 lid 1 BW is het volgens [verkoper] evident dat het bedrag van € 60.000,- namens zowel [koper 2] als [koper 3] is voldaan.
De rechtbank kan uit de stukken die voorhanden zijn niet afleiden dat het bedrag van € 60.000,- door of alleen ten behoeve van [koper 3] is betaald. Weliswaar lijkt uit bijlage B te volgen dat [koper 3] op 19 februari 2024 een bedrag van € 20.000,- en op 26 februari 2024 een bedrag van € 40.000,- heeft overgemaakt naar Marimi Handel & Advies B.V., maar uit niets blijkt deze bedragen betrekking hebben op het bedrag van € 60.000,- dat Marimi Holding B.V. op 26 februari 2024 heeft overgemaakt naar [verkoper] . Een bewijs van overboeking van € 60.000,- van Marimi Handel & Advies B.V. naar Marimi Holding B.V. ontbreekt. Het valt niet te controleren ten titel waarvan [koper 3] de voornoemde bedragen aan Marimi Handel & Advies B.V. heeft overgeboekt. De slotsom is dat [koper 3] zijn stelling dat het bedrag van € 60.000,- door hem of (alleen) ten behoeve van hem is betaald onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom aannemen dat het bedrag van € 60.000,- betaald is door [koper 2] en [koper 3] samen, ieder voor een gelijk deel.
Het voorgaande betekent dat vordering 3 in conventie ten aanzien van [koper 2] en [koper 3] zal worden toegewezen. Omdat de gevorderde hoofdelijkheid bij het tussenvonnis is afgewezen, zijn [koper 2] en [koper 3] samen (ieder voor de helft) het resterende bedrag van € 60.000,- verschuldigd aan [verkoper] . De gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen per 3 mei 2024 aangezien vanaf deze dag de betalingstermijn was verstreken en betaling is uitgebleven.
Vordering 4 in conventie (buitengerechtelijke incassokosten)
[verkoper] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.375,-. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [verkoper] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en zij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Bovendien is het gevorderde bedrag in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit. De vordering tot betaling van deze kosten slaagt jegens [koper 2] en [koper 3] . Uit de laatste zin van randnummer 3.1.2. van de antwoordakte van [verkoper] begrijpt dat rechtbank dat [verkoper] niet langer hoofdelijke betaling van de buitengerechtelijke kosten vordert. De rechtbank zal daarom over de bij dagvaarding gevorderde ‘hoofdelijkheid’ niet meer oordelen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
[koper 2] en [koper 3] zijn zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verkoper] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
119,31
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
4.515,00
(3,5 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.819,31
Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daarom worden [koper 2] en [koper 3] – zoals gevorderd – hoofdelijk in de vergoeding van de proceskosten veroordeeld. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt [koper 2] en [koper 3] om binnen een termijn van zes weken na betekening van dit vonnis, onvoorwaardelijk mee te werken aan de nakoming van de op
26 februari 2024 gesloten en ondertekende koopovereenkomst van aandelen en al die (leverings-)handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om tot uitvoering van de overeenkomst te komen, en bepaalt dat – indien hier niet tijdig door [koper 2] en [koper 3] aan wordt voldaan – het vonnis in de plaats zal treden van de op te maken notariële akte tot levering van de aandelen ex 3:300 BW;
veroordeelt [koper 2] en [koper 3] tot betaling van de tweede termijn van de koopsom ten bedrage van € 60.000,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, vanaf 3 mei 2024 tot en met de dag der algehele voldoening;
veroordeelt [koper 2] en [koper 3] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.375,-;
in reconventie
wijst de vorderingen van [kopers] af,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [koper 2] en [koper 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 7.819,31, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [koper 2] en [koper 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [koper 2] en [koper 3] hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.