RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.207336.23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 april 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
wonende te [woonplaats]
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J.M. Goltstein, advocaat kantoorhoudende te Kerkrade.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 april 2026. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 12 februari 2021 tot en met 27 maart 2021 te [plaats] :
feit 1: als moeder tijdens de verzorging van haar dochter [slachtoffer] aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld door niet adequaat te reageren op toenemende sufheid, geen medische zorg in te roepen, de lichaamstemperatuur niet op te meten en de algehele toestand van [slachtoffer] te negeren waardoor zij is overleden;
feit 2: [slachtoffer] , die zij volgens de wet verplicht was te verzorgen, opzettelijk in hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten door tegen het advies van de neuroloog te stoppen met epilepsiemedicatie, niet adequaat te reageren op toenemende sufheid, geen medische zorg in te roepen, de lichaamstemperatuur niet op te meten en de algehele toestand van [slachtoffer] te negeren waardoor zij is overleden.
3. De voorvragen: de ontvankelijkheid van de officier van justitie
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Kort gezegd heeft hij aangevoerd dat de notificatieplicht is geschonden bij het benoemen van deskundigen (artikel 150a van het Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv). Ook is er sprake van een te forse overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. De rechter-commissaris heeft de deskundigen benoemd. De verdediging heeft vervolgens de gelegenheid gehad om aanvullend onderzoek te laten verrichten. Verder is de redelijke termijn in deze zaak weliswaar overschreden, maar dit leidt niet tot niet-ontvankelijkheid. Dat het onderzoek lang heeft geduurd, heeft te maken met de aard daarvan.
Het oordeel van de rechtbank
Schending van de notificatieplicht
De officier van justitie is verplicht om de verdediging in kennis te stellen van onderzoek door deskundigen (op grond van artikel 150a Sv). Dat biedt de verdediging de gelegenheid om haar inbreng te geven en onderzoekswensen in een zo vroeg mogelijk stadium kenbaar te maken. Ditzelfde geldt als de rechter-commissaris deskundigen benoemt (op grond van artikel 176 jo. 228, eerste lid, Sv). Deze verplichting, ook wel de notificatieplicht genoemd, is er echter niet als het belang van het onderzoek zich ertegen verzet. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak van zo’n onderzoeksbelang niet is gebleken. Gelet op de aard van de verdenking en het stadium van het onderzoek is het niet begrijpelijk waarom de verdediging destijds niet is betrokken bij de aan de deskundigen De Louw en Daanen te stellen vragen en bij de te verstrekken informatie aan deze deskundigen. Wel heeft de verdediging na kennisneming van het rapport van De Louw de gelegenheid gehad om nadere vragen te stellen. Dankzij deze compensatie is het nadeel voor de verdediging beperkt gebleven. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging een te zware sanctie is. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank constateert dat er sprake is van een groot tijdsverloop. Gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het openbaar ministerie slechts niet ontvankelijk bij een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van een verdachte wordt tekort gedaan aan het recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank op grond van enkel een groot tijdsverloop, geen sprake. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 waarbij de pleegperiode is beperkt van 22 maart 2021 tot 27 maart 2021. Zij heeft eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2, met dien verstande dat er geen bewijs is dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van het staken van de epilepsiemedicatie. Voor dat onderdeel (het eerste en tweede gedachtestreepje) dient vrijspraak te volgen.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachte verantwoordelijk was voor de zorg van [slachtoffer] en dat [slachtoffer] doodziek was. Van de verdachte had verwacht mogen worden dat zij adequate medische zorg had ingeroepen. Dit heeft zij nagelaten, ondanks dat zij daar meerdere keren op werd gewezen, zoals blijkt uit de verklaring van getuige [getuige] . Door zo te handelen is de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig geweest waardoor [slachtoffer] is overleden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig heeft gehandeld. Zij heeft niet voorzien en ook niet moeten voorzien dat haar handelen tot de dood van [slachtoffer] had kunnen leiden.
Voor wat betreft feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet.
Het oordeel van de rechtbank
De feiten
Aanleiding voor deze zaak is het overlijden van de 15-jarige [slachtoffer] , de dochter van de verdachte. [slachtoffer] heeft vlak na haar geboorte hersenletsel opgelopen als gevolg van een infectie van de hersenen. Hierdoor was er bij [slachtoffer] sprake van een achterblijven van de rechter lichaamshelft en een achterstand in haar ontwikkeling. Ook had zij zeer regelmatig, afwezigheden en aanvallen, die wisselden in hevigheid en moeilijk onder controle te krijgen waren met medicatie. In 2017 werd bij [slachtoffer] aan de hand van een EEG de diagnose therapieresistente epilepsie vastgesteld. Dit betekent dat de diverse uitgeprobeerde medicijnen en combinaties van medicijnen onvoldoende positief resultaat opleverden. Uit het dossier komt naar voren dat deze medicijnen wel negatieve bijwerkingen hadden. Reden waarom de verdachte regelmatig het gesprek aanging over het stoppen met medicijnen.
Uit een brief van één van de behandelend neurologen komt naar voren dat naast de epileptische aanvallen tevens angstaanvallen en functionele aanvallen (die lijken op epileptische aanvallen, maar dan zonder verstoorde hersenactiviteit) werden gezien op basis van psychologisch trauma. Er zou ook sprake zijn van spanningsgerelateerde episoden.
[slachtoffer] woonde bij de verdachte in huis. Zij had sinds februari 2020 het eenhoofdig gezag. In de periode tussen 2018 en 2020 was er een gezinsvoogd betrokken. De politie spreekt kort na de dood van [slachtoffer] met de gezinsvoogd over [slachtoffer] overlijden en zij schrikt hier erg van. Zij kan zich niet voorstellen dat de verdachte nalatig is geweest in de zorg voor [slachtoffer] . De gezinsvoogd geeft aan dat de verdachte altijd als een leeuwin voor haar dochter vocht. Van alle kanten kwamen destijds signalen dat de verdachte liefdevol en zorgzaam was en dat haar leven in het teken van [slachtoffer] stond.
Ten behoeve van de intensieve zorg voor [slachtoffer] had de verdachte in de loop der jaren een goedlopend netwerk georganiseerd rondom [slachtoffer] bestaande uit onder meer PGB’ers, een ergotherapeut, een kinderfysiotherapeut en logopedie. Ook onderhield de verdachte nauwe contacten met de school van [slachtoffer] en deed zij op allerlei manieren haar best om [slachtoffer] te laten genieten van wat er wel was, haar optimaal te stimuleren in haar ontwikkeling en toe te leiden naar een zo zelfstandig mogelijk leven. Zo was zij bezig met aanpassingen aan haar woning om het voor [slachtoffer] toekomstbestendig te maken. De bevindingen van de diverse begeleiders, therapeuten en docenten van school, werd vastgelegd in het zogenaamde ‘heen-en-weer-schriftje’. Ook de verdachte maakte daarin aantekeningen over het welzijn van [slachtoffer] .
Nadat bij [slachtoffer] de diagnose therapieresistente epilepsie werd vastgesteld, schreef de behandelend neuroloog diverse medicijnen voor waaronder clobazam en carbamazepine. Dit had echter geen overtuigend of blijvend effect op de epileptische aanvallen. In juli 2020 paste de kinderneuroloog de medicatie stapsgewijs aan, zo werd lamotrigine toegevoegd, clobazam afgebouwd en carbamazepine geleidelijk verlaagd. In het huisartsenjournaal wordt beschreven dat het sindsdien beter ging met [slachtoffer] . Daarbij dient te worden opgemerkt dat in die periode ook de rust in het gezin was teruggekeerd, nadat de verdachte het eenhoofdig gezag had gekregen. Nadat de apotheek een vervangend en voor de verdachte onbekend merk lamotrigine verstrekte, reageerde [slachtoffer] hier volgens de verdachte heel slecht op. Naar eigen zeggen besloot zij op 12 februari 2021 om, met inachtneming van een korte afbouwperiode van een week, te stoppen met de door de kinderneuroloog voorgeschreven epilepsiemedicatie. De verdachte heeft hier verder over verklaard dat ze medio maart 2021 weer een periodiek telefonisch consult met de neuroloog had en dat zij van plan was om dan haar bevindingen met de behandelend neuroloog te delen.
Kijkend naar de beschrijvingen van de epileptische aanvallen in het heen-en-weer-schriftje is er geen significant verschil tussen de periodes vóór en na het stoppen met medicijnen.
Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] vanaf maandag 22 maart 2021 moe en afwezig is en vanaf dinsdag 23 maart volgens de verdachte griep lijkt te hebben en warm aanvoelt. De verdachte heeft [slachtoffer] daarvoor van woensdag tot en met donderdagnacht voor haar overlijden paracetamol zetpillen gegeven. In de periode van 22 maart 2021 tot en met 26 maart 2021 zijn de ergotherapeut, twee PGB’ers, de oma van [slachtoffer] en haar partner, en een vriendin van de verdachte bij [slachtoffer] en de verdachte thuis geweest.
Op zaterdag 27 maart 2021 om 07.35 uur kreeg de politie de melding dat er een reanimatie plaatsvond van een 15-jarig meisje in [plaats] . Later om 08.15 uur is [slachtoffer] overleden. De forensisch arts die ter plaatse komt meet twee uur na overlijden een lichaamstemperatuur van 42,2 graden Celsius. De forensisch patholoog die op 29 maart sectie op het lichaam heeft verricht, concludeert dat [slachtoffer] is overleden aan een ernstige dubbelzijdige longontsteking vermoedelijk op basis van ingeademde voedseldelen. Bij microbiologisch onderzoek wordt echter ook de bacterie raoultella ornithinolytica aangetoond die in aanmerking kan komen als verwekker.
Alhoewel in het dossier de politie uit de mond van de schouwarts noteert dat de verdachte hem na het overlijden van [slachtoffer] heeft verteld dat [slachtoffer] ook gehoest had, bestrijdt de verdachte dat dit het geval is geweest. Ook de oma van [slachtoffer] ontkent nadrukkelijk dat er sprake zou zijn geweest van hoesten. Geen van de getuigen die in de laatste week voor haar overlijden contact hadden met [slachtoffer] verklaren over hoesten, ook niet getuige [getuige] . Dat zo zijnde, gaat de rechtbank ervan uit dat de opmerking in het dossier over het hoesten van [slachtoffer] gebaseerd is op miscommunicatie, veroorzaakt in de hectiek van de situatie dat zojuist een kind is overleden.
Overwegingen van de rechtbank
Partiële vrijspraak ten aanzien van stoppen met epilepsiemedicatie (feit 2)
Op basis van het dossier kan niet kan worden bewezen dat het stoppen dan wel afbouwen van de epilepsiemedicatie tot het overlijden van [slachtoffer] heeft geleid. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de verdachte van dat onderdeel van feit 2 moet worden vrijgesproken (eerste en tweede gedachtestreepje).
Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van dood door schuld (feit 1)
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verdachte schuld heeft aan de dood van [slachtoffer] door niet adequaat of tijdig te reageren op toenemende sufheid, geen medische zorg in te roepen, de lichaamstemperatuur van [slachtoffer] niet op te meten en haar algehele toestand te negeren.
De rechtbank overweegt dat schuld in de zin van de artikel 307 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een andere betekenis heeft dan in het normale spraakgebruik. In het strafrecht is sprake van schuld als iemand een bepaald gevolg – in dit geval het overlijden van [slachtoffer] – echt niet heeft gewild, maar het diegene toch kan worden verweten omdat hij of zij anders had moeten handelen. Daarbij is niet elke fout voldoende om te kunnen spreken van schuld. Er moet tenminste sprake zijn van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid. Bij de beoordeling daarvan moeten alle omstandigheden worden betrokken.
Hoe verliep de week voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer] ?
[slachtoffer] overleed op zaterdagmorgen. De verdachte heeft verklaard dat ze op dinsdag dacht dat [slachtoffer] een griepje had. Ze voelde wat warm aan (p. 331, 351). Woensdag 24 maart 2021 is ze daarom begonnen met de paracetamol zetpillen (p. 358). Op donderavond 25 maart 2021, toen de hulp ( [getuige] ) aangaf dat de temperatuur van [slachtoffer] niet normaal was, heeft zij haar een zetpil van 1000 mg paracetamol gegeven waarna haar temperatuur zakte (p. 357). De verdachte is de hele nacht bij haar gaan liggen (p. 365). Die nacht heeft zij nogmaals een paracetamol zetpil toegediend toen ze weer warmer werd (p. 372) en vrijdagochtend (26 maart 2021) ook nog (p. 358). Vrijdag (in de loop van de dag) heeft ze geen zetpil meer hoeven geven, omdat [slachtoffer] temperatuur hetzelfde aanvoelde als die van de verdachte (p. 352). De verdachte heeft ook van vrijdag op zaterdag bij [slachtoffer] geslapen. Het was een rustige nacht. [slachtoffer] voelde niet warm. Zaterdagochtend voelde ze ook niet warm. De verdachte heeft haar een kusje gegeven en ook een kusje teruggekregen. De verdachte is vervolgens naar beneden gelopen om ontbijt te maken. Toen zij na ongeveer 20 tot 30 minuten weer boven bij [slachtoffer] kwam, zag zij dat [slachtoffer] er warm uitzag, zweetdruppels op haar hoofd had en met haar mond open in bed lag. Zij heeft toen onmiddellijk 112 gebeld (p. 372, 373).
Uit het dossier leidt de rechtbank daarnaast het volgende af. Vanaf maandag 22 maart 2021 voelde [slachtoffer] zich duidelijk niet lekker. Een therapeut verklaart dat zij die dag [slachtoffer] nog gezien heeft. Ze lag bleek en afwezig op de bank. Zij besloot [slachtoffer] niet te behandelen, maar haar uit te laten zieken. De toestand van [slachtoffer] op maandag gaf volgens de therapeut geen aanleiding tot acuut inschakelen van medische hulp.
Oma en haar partner hebben [slachtoffer] op dinsdag 23 maart 2021 nog gezien. Ook zij verklaren dat [slachtoffer] wat ziekjes was, maar dat was zij wel vaker als ze aanvallen had gehad. Hun is niets zorgwekkends opgevallen. In de avond van woensdag 24 maart 2021 tot in de ochtend van donderdag 25 maart 2021 heeft [naam] op [slachtoffer] gepast. Zij was werkzaam als gediplomeerd IG verzorgende en was sinds enkele weken als hulpverlener via het PGB betrokken bij [slachtoffer] . Zij bleef elke woensdagavond tot donderdagochtend bij [slachtoffer] slapen. [naam] heeft tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat zij zag dat [slachtoffer] zich die woensdag op donderdag niet lekker voelde. [slachtoffer] had op dat moment weliswaar epilepsieaanvallen, maar deze waren niet heftiger dan normaal. Ook verklaarde zij dat [slachtoffer] minder at en dronk. Er was volgens [naam] echter geen sprake van een zorgwekkende situatie en zij zag geen reden om medische hulp van een arts in te schakelen, laat staan 112 te bellen.
Op donderdag 25 maart 2021 was [naam] van 8.30 uur tot ongeveer 12.30 uur op bezoek bij de verdachte en [slachtoffer] . Zij was al ruim tien jaar als vriendin bij de familie betrokken en zag de verdachte en [slachtoffer] wekelijks. Volgens [naam] had [slachtoffer] een epileptische aanval die niet anders was dan normaal. [slachtoffer] voelde warm aan, ze had een rood hoofd en ze zweette. Zij heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] in de loop van de ochtend een paracetamol zetpil heeft gegeven. Toen zij later wegging, is zij nog even boven gaan kijken bij [slachtoffer] en voelde [slachtoffer] niet meer zo warm aan. De oma van [slachtoffer] , heeft verklaard dat zij in de middag van donderdag 25 maart 2021 twee epileptische aanvallen heeft waargenomen bij [slachtoffer] , maar ook zij merkte geen verschil met de andere keren dat [slachtoffer] aanvallen had en heeft niets verontrustends waargenomen.
Op diezelfde donderdag heeft [getuige] van ongeveer 18.00 uur tot 20.00 uur op [slachtoffer] gepast. Zij heeft tegenover de politie verklaard dat [slachtoffer] gloeide en de ene na de andere epilepsieaanval kreeg. Ook zou zij tegen de verdachte gezegd hebben dat zij 112 moest bellen wegens de gezondheidstoestand van [slachtoffer] . De verdachte ontkent overigens stellig dat [getuige] haar dit heeft gezegd. [getuige] verklaarde verder dat zij naar aanleiding van haar bevindingen die avond een melding bij Veilig Thuis en een MMA-melding (Meld Misdaad Anoniem) heeft gedaan. In het dossier zit een verslag van het contact dat [getuige] had met de bereikbaarheidsdienst van Veilig Thuis op vrijdag 26 maart 2021. Hieruit blijkt dat anoniem melding wordt gemaakt van een meisje van 15 jaar met epilepsie van wie de moeder zomaar is gestopt met de medicatie en het meisje heftige aanvallen heeft. De melder geeft aan dat zij vindt dat de moeder aangesproken dient te worden op haar gedrag. De rechtbank constateert dat in de melding niet wordt gesproken over hoge koorts of een verontrustend ziektebeeld bij het meisje. Uit de melding van [getuige] blijkt geen hoge urgentie om een arts in te schakelen. De inschatting van de bereikbaarheidsdienst op vrijdagavond is dat de meldster maandagochtend wordt teruggebeld door Veilig Thuis om de stand van zaken te bespreken. Als de meldster opnieuw een signaal ontvangt, mag zij opnieuw met Veilig Thuis of met 112 bellen. Genoteerd wordt dat mevrouw zich kan vinden in deze overweging.
De rechtbank stelt vast dat met uitzondering van getuige [getuige] alle getuigen die tot donderdagmiddag bij [slachtoffer] zijn geweest, hebben verklaard dat geen sprake was van een zorgwekkende situatie.
[naam] is de getuige die [slachtoffer] voor het laatst in leven heeft gezien. Zij heeft op vrijdag 26 maart 2021 een paar uur op [slachtoffer] gepast omdat de verdachte zelf naar een afspraak bij een medisch specialist in het ziekenhuis moest. [naam] heeft verklaard er 100% zeker van te zijn dat zij [slachtoffer] in de week voordat zij is overleden niet in een toestand heeft gezien waarin zij zelf als moeder een arts zou bellen. Zij verklaarde dat [slachtoffer] warm aanvoelde, maar niet abnormaal of alarmerend.
In de telefoon van de verdachte heeft de politie een ingesproken bericht aangetroffen van vrijdag 26 maart 2021 rond 19.00 uur, afkomstig van [naam] , een holistische levenscoach. Het bericht gaat onder andere over de energetische druk van de aarde en het moeite hebben met ademhalen vanwege hyperventilatie. De verdachte heeft twee uur later een tekstbericht naar [naam] gestuurd dat het zo griezelig is en dat ze alleen maar kan hopen dat het goed komt. Volgens de officier van justitie is hieruit af te leiden dat de verdachte zich bewust was van de ernst van het ziektebeeld van [slachtoffer] en desondanks geen dokter maar een levenscoach heeft geraadpleegd.
De rechtbank overweegt hierover dat het dossier geen informatie bevat dat de verdachte deze [naam] actief heeft geraadpleegd. Zij heeft ter terechtzitting verklaard dat zij nooit eerder contact had gehad met [naam] , maar dat een vriendin haar telefoonnummer aan [naam] had gegeven en aan [naam] had gevraagd om haar licht te laten schijnen over de situatie van [slachtoffer] . Deze verklaring van de verdachte vindt steun in het volgende. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de verdachte al eerder contact heeft gehad met [naam] of dat [slachtoffer] last had van hyperventilatie. De opmerkingen van [naam] passen dan ook beter bij het scenario dat dit haar eigen interpretatie van de situatie van [slachtoffer] was dan bij het scenario dat zij zich baseert op informatie die haar is verstrekt door de verdachte. De verklaring van de verdachte dat de griezelige situatie waarover zij met [naam] appt, te maken had met de gebruikelijke verergering van de klachten van [slachtoffer] bij volle maan, vindt in zoverre bevestiging in het heen-en-en weer schriftje waarin vaker is vermeld dat er een toename van aanvallen was rond volle maan.
Beoordeling door de rechtbank
Uit de verklaring van de verdachte volgt dat zij erkent dat [slachtoffer] in de dagen voor haar overlijden verhoging had. De verdachte heeft op donderdag 25 maart 2021 geconstateerd dat die verhoging daalde na het toedienen van een zetpil paracetamol, hetgeen wordt bevestigd door [naam] . In de nacht van vrijdag 26 maart 2021 op zaterdag 27 maart 2021 heeft de verdachte naast [slachtoffer] geslapen. Die nacht is rustig verlopen en beter dan de nacht ervoor. Zij heeft naar eigen zeggen de temperatuur van [slachtoffer] gecontroleerd door aan haar te voelen. De verdachte constateerde geen koorts. [slachtoffer] temperatuur voelde net als haar eigen temperatuur. Op zaterdagochtend heeft zij [slachtoffer] een kusje gegeven, waarna [slachtoffer] haar een kusje terug gaf. De verdachte achtte het vervolgens verantwoord om beneden ontbijt te gaan maken. Op het moment dat zij na ongeveer een half uur weer naar [slachtoffer] ging, zag zij dat het mis was. Zij heeft toen direct 112 gebeld en de hulpdiensten zijn vervolgens ter plaatse gekomen.
De rechtbank ziet geen redenen om aan deze verklaring van de verdachte en haar observaties van de gezondheidstoestand van [slachtoffer] te twijfelen. De verdachte heeft vanaf het allereerste begin volledige openheid van zaken gegeven en vroeg ook zelf om onderzoek naar de doodsoorzaak van [slachtoffer] . Ook blijkt uit de verklaring van diverse getuigen, die [slachtoffer] in de week voor haar overlijden hebben gezien, dat zij de toestand van [slachtoffer] niet zagen als zodanig ernstig of afwijkend dat medische hulp moest worden ingeschakeld.
Over de filmpjes die getuige [getuige] op de dinsdag en de donderdag voor het overlijden van [slachtoffer] met haar telefoon van [slachtoffer] heeft gemaakt, overweegt de rechtbank het volgende. Docenten van de school van [slachtoffer] hebben deze filmpjes gezien en geven aan dat [slachtoffer] wel vaker dit beeld liet zien. De officier van justitie heeft erop gewezen dat op foto’s en filmpjes te zien is dat [slachtoffer] flink aan het zweten was. Dit is echter de avond dat getuige [getuige] op die plekken – bijvoorbeeld rond de hals van haar shirt - natte doeken heeft gelegd. De filmpjes zijn tevens voorgelegd aan een door de rechter-commissaris benoemde deskundige neuroloog en aan een oud-huisarts. Beiden geven aan dat het beeld van [slachtoffer] dat op deze korte filmpjes te zien is, vergelijkbaar is met epileptische aanvallen en de toestand daarna. De huisarts ziet op de beelden niets anders dan wat je bij een kind met epilepsie zou kunnen verklaren. De neuroloog ziet verschillende epileptische aanvallen en een verlaagd bewustzijn, waarschijnlijk op basis van de aanvalsactiviteit, maar een verlaagd bewustzijn op basis van algemeen ziek zijn sluit hij ook niet uit. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat datgene wat op de filmpjes te zien is en volgens getuige [getuige] een onderbouwing was van haar beschuldiging richting de verdachte, een gebruikelijk beeld van [slachtoffer] laat zien, dat onderdeel was van haarproblematiek. De rechtbank overweegt bovendien op basis van de uitspraak van de neuroloog dat de symptomen van een ernstige longontsteking bij een epilepsiepatiënt moeilijker herkenbaar kunnen zijn. Zo kan een verlaagd bewustzijn het gevolg zijn van een aanval, maar ook van ziek zijn.
Wat onverklaarbaar blijft, is dat de schouwarts ongeveer twee uur na overlijden een lichaamstemperatuur van 42,2 graden Celsius constateerde, terwijl de verdachte toen zij ’s-ochtends naar beneden ging geen hoge temperatuur is opgevallen. De vraag naar een verklaring hiervoor is voorgelegd aan deskundigen. De patholoog merkt op dat bij het aanvoelen van lichaamstemperatuur koorts zowel kan worden gemist als overschat. Het is daarom geen betrouwbare maat voor de werkelijke kerntemperatuur. Hij kan op basis van de beschikbare informatie niet vaststellen of bij [slachtoffer] sprake is geweest van een extreem snelle temperatuurstijging. De fysioloog noemt in het algemeen als voorbeeld van symptomen van koorts gloeiende wangen of een warm voorhoofd, maar acht het niet uitgesloten dat geen van de symptomen bij [slachtoffer] zichtbaar was.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de stelling van het openbaar ministerie dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat haar dochter doodziek was en in acuut levensgevaar verkeerde geen ondersteuning vindt in het dossier.
De verdachte maakte zich zorgen over [slachtoffer] , zoveel is wel duidelijk. Maar zij had naar eigen zeggen [slachtoffer] in ergere toestanden meegemaakt. Achteraf - met de kennis van nu over de aanwezigheid van een longontsteking - spreekt het voor zich dat zij in de dagen voor het overlijden van [slachtoffer] medische hulp had moeten inschakelen. Zij heeft [slachtoffer] toestand echter onderschat en de longontsteking voor griep aangezien. Zoals ook ter terechtzitting is gebleken, verwijt de verdachte zich dit zelf in hoge mate. Maar zo er al kan worden gesproken van een inschattingsfout om niet eerder medische hulp in te schakelen, is deze naar het oordeel van de rechtbank niet zo groot dat kan worden gesproken van aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig handelen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dood door schuld.
Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van feit 2
Onder feit 1 en feit 2 zijn dezelfde feitelijke verwijten tenlastegelegd.
Opzet is de zwaarste vorm van verwijtbaarheid. Een lichtere vorm van verwijtbaarheid is schuld. Omdat de rechtbank hierboven heeft geoordeeld dat de verdachte geen schuld heeft aan de dood van [slachtoffer] , betekent dit dat er al helemaal geen sprake is van de zwaardere vorm van verwijtbaarheid, zijnde opzet. De rechtbank zal de verdachte daarom ook vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.
5. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte integraal vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Feuth, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en
mr. C.P.W. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H.M. Meisen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 april 2026.
Buiten staat
Mr. van Well is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
zij in of omstreeks de periode van 12 februari 2021 tot en met 27 maart 2021 te [plaats] , in de gemeente Kerkrade, in elke geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, als moeder bij of tijdens de verzorging van haar, verdachtes dochter, [slachtoffer] , roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of
onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld en/of nalatig is geweest, door:
-niet adequaat en/of tijdig (medisch) te reageren op de toenemende sufheid/het toenemende verlaagde bewustzijn
en/of
-na te laten passende medische zorg in te roepen en/of
-de lichaamstemperatuur van [slachtoffer] niet op te meten en/of
-de algehele toestand van [slachtoffer] te negeren,
waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden;
2
zij in of omstreeks de periode van 12 februari 2021 tot en met 27 maart 2021 te [plaats] , in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006 tot wier onderhoud, verpleging of verzorging zij, verdachte, krachtens wet en/of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of heeft gelaten, door in haar hoedanigheid van moeder van [slachtoffer] (artikel 1:247 BW)
- eenzijdig, tegen het advies van de behandelend neuroloog in, dan wel zonder medeweten van de behandelend neuroloog en/of enig ander medisch specialist, al dan niet geleidelijk, de epilepsiemedicatie (lamotrigine en/of carbamazepine) die aan [slachtoffer] was voorgeschreven,
af te bouwen, dan wel stop te zetten
en/of
- niet, althans onvoldoende overleg te hebben met de behandelend neuroloog en/of enig medisch specialist over het afbouwen, dan wel stopzetten van genoemde medicatie
en/of
- niet adequaat en/of tijdig (medisch) te reageren op de toenemende sufheid/het toenemende verlaagde bewustzijn
en/of
- na te laten passende medische zorg in te roepen
en/of
- de lichaamstemperatuur van [slachtoffer] niet op te meten
en/of
- de algehele toestand van [slachtoffer] te negeren;
de dood ten gevolg hebbend.