ECLI:NL:RBLIM:2026:3905

ECLI:NL:RBLIM:2026:3905

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 14-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer NL:TZ:2502218:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Afwijzing schuldsaneringsverzoek na weigering verklaring ex art. 285 lid 1 f Fw

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Team Insolventie

Zittingsplaats Roermond

Rekestnummer: NL:TZ:2502218:R-RK

Vonnis van 14 april 2026

op het verzoek van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,

hierna te noemen verzoeker,

tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Samenvatting

Verzocht is om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

De rechtbank wijst het verzoek af.

1. De procedure

De procedure bestaat uit:

- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;

- de zitting van 26 februari 2026, waarbij aanwezig waren:

- verzoeker;

- [naam 1] , namens Verder Financiële Zorgverlening B.V. (hierna: “Verder”);

- [naam 2] , namens de bewindvoerder (hierna: “de bewindvoerder”).

Naar aanleiding van de zitting is op 26 februari 2026 nog aanvullende informatie opgevraagd bij Verder en de bewindvoerder. Op 20 maart 2026 zijn aanvullende stukken van Verder ontvangen en op 26 maart 2026 heeft de bewindvoerder ook nog stukken aangeleverd.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2. Het verzoek

Verzoeker heeft op 16 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3. De beoordeling

De rechtbank dient in de eerste plaats te beoordeling of het verzoekschrift de gegevens bevat als bedoeld in artikel 285 van de Faillissementswet (Fw).

Ingevolge het eerste lid, onder f, van artikel 285 Fw kan de schuldsaneringsregeling niet van toepassing worden verklaard zonder een met redenen omklede verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen. Die verklaring is een instrument om ervoor te zorgen dat eerst een buitenwettelijke oplossing wordt beproefd. Indien de verklaring naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende met redenen is omkleed, kan de rechtbank de verklaring weigeren. Dit is bijvoorbeeld het geval als het gedane aanbod aan de schuldeisers in strijd is met de uitgangspunten in een schuldsaneringsregeling.

In de verklaring ex art. 285 lid 1 f Fw is vermeld dat er een aanbod van 0% aan de schuldeisers is gedaan en dat er zowel in het minnelijk traject als het schuldsaneringstraject geen aflossingsmogelijkheden zijn. In de brief met het aanbod aan de schuldeisers, die op of omstreeks 16 december 2024 is verstuurd, staat dat er een saneringsvoorstel wordt gedaan, waarbij geen uitdeling zal plaatsvinden. Er wordt verder vermeld dat het aanbod is gebaseerd op een vrij te laten bedrag (hierna: “VTLB”) van € 1.168,01 per maand. De hiermee corresponderende VTLB-berekening is niet gevoegd bij het verzoekschrift. Er is wel een andere berekening overgelegd met een VTLB van € 1.249,05 (juli-december 2024). Op basis van het in de aanbiedingsbrief genoemde VTLB had er een afdracht kunnen plaatsvinden van € 50,16 (VTLB € 1.168,01 - inkomen € 1.218,17), aangezien verzoeker een inkomen ter hoogte van een bijstandsuitkering ontvangt en het inkomen gelijk is aan de wel bij het verzoekschrift overgelegde VTLB-berekening. Op het moment van het aanbod had er dus wel een afdracht plaats kunnen vinden. Daarnaast dienen ook eventueel aanwezige vermogensbestanddelen meegenomen te worden in het aanbod aan de schuldeisers. Met toestemming van de bewindvoerder is het bewindsdossier geraadpleegd en daaruit blijkt dat er op 31 december 2024, zijnde kort na het gedane aanbod, een totaalsaldo van € 10.415,26 op de beheer- en spaarrekening samen aanwezig was en dat er in de jaren daarvoor steeds een toename van het vermogen was te zien. Het saldo was op

31-12-2022 € 5.808,70 en op 31-12-2023 bedroeg het saldo € 8.268,25. Er is echter geen spaarsaldo meegenomen in het aanbod. Uit de na de zitting aangeleverde stukken blijkt dat Verder en de bewindvoerder naar elkaar wijzen waarom dit saldo niet is meegenomen. Feit is dat het saldo er was en niet is meegenomen in het aanbod. Door én geen afdracht én geen (spaar)saldo mee te nemen in het gedane aanbod is niet het hoogst haalbare aangeboden. De verklaring voldoet dan ook niet aan artikel 285, eerste lid en onder f, van de Fw en wordt door de rechtbank geweigerd.

Het verzoek dient reeds op grond van het voorgaande afgewezen te worden. De rechtbank zal hierna echter ook enkele overwegingen wijden aan artikel 288 Fw, met het oog op een eventueel toekomstig verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

De rechtbank dient het verzoek te toetsen aan de criteria genoemd in artikel 288 Faillissementswet (Fw).

Bij de beoordeling van het in artikel 288 lid 1 onder b Fw bedoelde te goeder trouw zijn van de schuldenaar wordt een gedragsmaatstaf gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Het is daarbij aan de schuldenaar om de bedoelde ‘goede trouw’ aannemelijk te maken.

De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend steeds te goeder trouw is geweest, zoals de wet dat bedoelt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Op het moment dat het aanbod aan de schuldeisers werd gedaan, was er een saldo van ruim € 10.000,- op de beheer- en spaarrekening aanwezig. Van dit bedrag had maximaal één VTLB aan verzoeker vrijgelaten mogen worden voor het betalen van vaste lasten. Het overige deel had aan de schuldeisers aangeboden dienen te worden. Doordat dit niet is gebeurd, heeft de bewindvoerder vrij beschikking over dit saldo gehad en zijn er daarna nog behoorlijk grote uitgaven gedaan, zoals de aanschaf van tweedehands meubilair voor

€ 1.500,-, tandartskosten en een bedrag voor het huwelijk van de dochter, waardoor het saldo ten tijde van de zitting afgenomen was tot circa € 7.000,-, terwijl het in de jaren daarvoor toenam. De bewindvoerder geeft in haar brief van 26 maart 2026 aan dat het opgebouwd vermogen in de praktijk bedoeld en noodzakelijk was als buffer voor:

onvoorziene uitgaven;

medische kosten;

incidentele persoonlijke omstandigheden;

kosten rondom feestdagen en noodzakelijke vervangingen en

indien mogelijk (gedeeltelijk) aflossing van schulden.

Niet uit het oog mag worden verloren dat verzoeker al in een schuldsaneringstraject zat. De bewindvoerder had behoren te weten dat een spaarsaldo ook meegenomen dient te worden in dit traject. Vanaf de start van schuldsaneringstraject mochten dan ook niet zonder meer grote uitgaven worden gedaan. Doordat het saldo van de beide rekeningen samen nu aanzienlijk lager is, is het aan te wenden bedrag voor de schuldeisers ook lager dan ten tijde van het gedane aanbod aan de schuldeisers. De rechtbank acht aannemelijk dat hierdoor schulden onbetaald zijn gebleven. Hoewel het door toedoen van het handelen van de bewindvoerder komt dat het saldo aanzienlijk lager is, komt dit toch voor rekening van verzoeker, omdat de bewindvoerder namens verzoeker handelt. De slotsom is dat verzoeker niet te goeder trouw heeft gehandeld.

De rechtbank oordeelt verder dat verzoeker zich ook onvoldoende heeft ingespannen om een einde te maken aan zijn benarde financiële positie. In het verleden heeft verzoeker steeds fulltime gewerkt, totdat hij omstreeks 2022 hartproblemen kreeg. Bij het verzoekschrift zijn medische stukken overgelegd, maar deze dateren van omstreeks 2022 en zeggen dus weinig over de huidige stand van zaken. Daar blijkt wel uit dat de hartrevalidatie in augustus 2022 geen doorgang vond, omdat betrokkene bezig was met behandelingen bij een psycholoog om aan zijn problematiek te werken en dat pas daarna kon worden gestart met hartrevalidatie. Onbekend is of dit daarna heeft plaatsgevonden.

Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat een arts heeft gezegd dat hij maximaal vier uur per dag kan werken. Deze informatie was niet in het dossier aanwezig en is daarom na de zitting door de rechtbank alsnog opgevraagd. Verder laat op 20 maart 2026 weten dat er door verzoeker en/of zijn bewindvoerder geen medische verklaring is aangeleverd, waaruit blijkt dat verzoeker niet fulltime zou kunnen werken. De bewindvoerder verklaart op 26 maart 2026: Cliënt heeft aangegeven dat hij op medisch advies maximaal vier uur per dag kan werken. Ik beschik echter niet over een medische verklaring ter onderbouwing hiervan. Cliënt heeft de uitslag van het onderzoek, uitgevoerd door [naam 3] , zelf ook niet ontvangen. Ik heb contact opgenomen met [naam 3] om een kopie van het verslag op te vragen. Zij hebben echter aangegeven dat zij deze niet aan mij kunnen verstrekken, aangezien het verslag naar de gemeente is gestuurd. Vervolgens heb ik bij de gemeente geïnformeerd en een verzoek ingediend om een kopie te ontvangen, maar tot op heden heb ik hierop geen reactie gekregen. Er is dus geen verklaring die aantoont dat verzoeker maximaal vier uur per dag kan werken. Dit staat nog los van het feit dat ook niet bekend is wanneer de keuring bij [naam 3] heeft plaatsgevonden en of deze verklaring nu nog gelding heeft. Ook is niet duidelijk in welke mate verzoeker sinds 2022 heeft gewerkt aan zijn herstel. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat verzoeker ook op dit punt niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van hun schulden.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verzoeker zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank baseert dit oordeel op hetgeen in de vorige alinea is vermeld. Hierdoor is aannemelijk dat verzoeker zich mogelijk al meerdere jaren niet, althans onvoldoende heeft ingespannen om meer uren te gaan werken, althans te werken aan zijn herstel, waardoor hij op termijn meer uren zou kunnen werken. Daarnaast heeft de rechtbank ook twijfel of verzoeker wel zal voldoen aan de informatieplicht. Hoewel verzoeker een bewindvoerder heeft, wordt ook van hemzelf verwacht dat hij tijdens een schuldsaneringsregeling de Wsnp-bewindvoerder informeert. Verzoeker kan zich dan niet achter zijn bewindvoerder verschuilen. Tijdens het schuldsaneringstraject is meermaals gebleken dat essentiële informatie niet (volledig) wordt aangeleverd, zoals het niet verstrekken van de bankafschriften van de spaarrekening en de medische verklaring, waarbij verzoeker gedeeltelijk zou zijn vrijgesteld van de arbeids- en sollicitatieplicht. Ook deze constateringen vormen een reden om het verzoek af te wijzen.

De conclusie is dan ook dat het zal worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Dit is de beslissing van mr. V.E.J. Noelmans, rechter, in samenwerking met N.W.M. Clement, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.E.J. Noelmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?