RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11864486 \ CV EXPL 25-3718
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eisende partij] , h.o.d.n. [handelsnaam 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: Likifin ,
tegen
[gedaagde partij] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen zijn op 19 april 2024 een overeenkomst aangegaan voor de duur van zes maanden. De overeenkomst zou vanaf oktober 2024 ingaan en hield in dat [eisende partij] online marketingwerkzaamheden (SEA- search engine marketing) zou uitvoeren en dat [gedaagde partij] daarvoor € 1.000,00 exclusief btw per maand zou betalen.
[eisende partij] heeft in de periode van 1 oktober 2024 tot 1 maart 2025 € 1.210,00 inclusief btw per maand gefactureerd, maar [gedaagde partij] heeft niets betaald.
3. Het geschil
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 8.239,95, vermeerderd met rente en kosten. Het bedrag van € 8.239,95 is opgebouwd uit € 7.260,00 aan factuurbedragen, € 738,00 aan incassokosten en € 241,95 aan rente.
[gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het gaat in deze procedure om de vraag of [gedaagde partij] de vordering van [eisende partij] moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is, echter met uitzondering van de gevorderde incassokosten. Hierna zal dit worden uitgelegd.
Vast staat dat partijen een overeenkomst hebben gesloten zoals dit hiervoor in rechtsoverweging 2.1. is aangegeven. [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat de overeenkomst telefonisch is gesloten maar dat zij zich overrompeld heeft gevoeld door de manier van benadering. Voor zover [gedaagde partij] hiermee een beroep doet op vernietiging van de overeenkomst omdat er misbruik van omstandigheden is gemaakt, verwerpt de kantonrechter dit beroep. Daarvoor is het volgende van belang. Als een overeenkomst door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, is deze vernietigbaar (artikel 3:44 lid 1 BW). Bij misbruik van omstandigheden is er sprake van bijzondere omstandigheden, die een partij bewegen tot een rechtshandeling. De wederpartij maakt hier misbruik van als zij begrijpt (of behoort te begrijpen) dat dit de beweegreden van de ander is, maar zij de totstandkoming van de rechtshandeling toch bevordert (artikel 3:44 lid 4 BW). Het is aan [gedaagde partij] om voldoende onderbouwd te stellen en zo nodig te bewijzen dat hiervan sprake is. Dit heeft [gedaagde partij] niet gedaan. Zij heeft dit verweer “bloot” gevoerd, maar niet onderbouwd. Hieraan wordt daarom voorbij gegaan.
Verder voert [gedaagde partij] aan dat er nooit een intakegesprek heeft plaatsgevonden. Omdat er geen diensten zijn verleend, heeft [gedaagde partij] de facturen ook niet betaald. Mocht er al wel betaald moeten worden dan wenst [gedaagde partij] ook een urenverantwoording te ontvangen. Juridisch kan dit verweer geduid worden als een beroep op opschorting van de betalingsverplichting omdat [eisende partij] zijn verplichtingen niet is nagekomen. Ook aan dit verweer gaat de kantonrechter voorbij. In de conclusie van repliek legt [eisende partij] uit dat hij meerdere malen een poging heeft gedaan om met [gedaagde partij] in contact te treden en dat er ook een intakeformulier is toegestuurd. Volgens [eisende partij] heeft [gedaagde partij] nooit gereageerd.
De kantonrechter constateert dat [gedaagde partij] erkent het intakeformulier te hebben ontvangen, maar dat dit in de spam is beland. Dit is echter een omstandigheid die voor rekening en risico van [gedaagde partij] komt. Het feit dat er geen werkzaamheden zijn verricht is dan ook te wijten aan [gedaagde partij] zelf. Bovendien was [gedaagde partij] de partij die als eerste iets moest doen, namelijk vooruit betalen. Dat is zo in de overeenkomst opgenomen. Omdat [gedaagde partij] zich niet aan die betalingsverplichting hield, mocht [eisende partij] wachten met het leveren van zijn prestatie (de marketingwerkzaamheden uitvoeren). Een eerdere tekortkoming aan de kant van [eisende partij] is niet geconstateerd, zodat er geen rechtsgeldige reden was voor [gedaagde partij] om de betaling op te schorten.
In de conclusie van repliek stelt [eisende partij] dat [gedaagde partij] de overeengekomen vergoeding van € 1.000,00 over de periode oktober 2024 tot en met maart 2025 ad € 1.000,00 moet betalen. [gedaagde partij] interpreteert dit als een vermindering van eis, in die zin dat [eisende partij] in plaats van € 6.000,00 nu € 1.000,00 vordert. De kantonrechter begrijpt dit echter niet zo en leest de passage aldus dat het gaat om een bedrag van € 1.000,00 exclusief btw per maand over genoemde periode. Had [eisende partij] al wel bedoeld zijn eis te verminderen dan had hij (althans zijn gemachtigde) dit wel in de kop van de conclusie vermeldt en het petitum aangepast. Met petitum wordt bedoeld de omschrijving van de vordering. Dit is allemaal niet gebeurd.
De conclusie luidt daarom dat [gedaagde partij] de gevorderde hoofdsom van € 7.260,00 moet betalen. Dit geldt ook voor de gevorderde rente. Deze is [gedaagde partij] verschuldigd omdat hij met de betaling van de facturen in verzuim is.
[eisende partij] vordert tot slot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.243,35
De kantonrechter merkt afsluitend nog het volgende op om verdere geschillen te voorkomen. [eisende partij] heeft nog geen werkzaamheden uitgevoerd. In deze procedure heeft hij nakoming van de overeenkomst gevorderd (en dus uitdrukkelijk geen schadevergoeding na bijvoorbeeld een ontbinding van de overeenkomst). Na betaling door [gedaagde partij] is [eisende partij] dan ook gehouden om alsnog de marketingwerkzaamheden uit te voeren. Omdat sprake is van maandelijkse verplichtingen, moet [eisende partij] ook een deel van de werkzaamheden (bijvoorbeeld een maand) uitvoeren als [gedaagde partij] niet het hele bedrag ineens betaalt, maar slechts een deel daarvan.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 7.501,95, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 7.260,00, met ingang van 25 juli 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.243,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.