RECHTBANK LIMBURG
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummer: C/03/347590 / JE RK 25-2045
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, locatie Venlo,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 in [plaatsnaam] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
en
[vader] ,
hierna te noemen de vader,
beiden wonende in [plaatsnaam] ,
advocaten mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen uit Venlo en mr. J. van Koesveld uit Utrecht.
De rechtbank heeft als informant uitgenodigd:
[vertrouwensarts] ,
vertrouwensarts bij Veilig Thuis Gelderland-Zuid,
hierna te noemen: de vertrouwensarts.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Roermond,
hierna te noemen: de Raad.
1. Het verdere verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 16 december 2025, waarbij een machtiging is verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 17 maart 2026, met verwijzing naar de meervoudige kamer en onder aanhouding van de beslissing op de resterende verzochte termijn;
de brief over de stand van zaken van de GI met bijlagen, ingekomen op 26 januari 2026;
de pleitnota van mr. J. van Koesveld met bijlagen, ingekomen op 30 januari 2026.
Op 2 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Gelijktijdig is de zaak met zaaknummer C/03/348932 /JE RK 26/125 (geschillenregeling) behandeld. In die zaak wordt afzonderlijk beslist. Tijdens de zitting waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door mr. J. van Koesveld;
- drie vertegenwoordigsters van de GI;
- twee vertegenwoordigsters van de Raad;
- de vertrouwensarts.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover via een videoverbinding een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer in aanwezigheid van de griffier. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. Het verzoek van de GI
De GI handhaaft haar verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsgerichte accommodatie te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI stelt aanvullend dat de vertrouwensarts een van de drie personen in Nederland is die de conclusie Kindermishandeling door Falsificatie (hierna: KMdF) mag trekken. Het is niet aan de GI of de politie om deze conclusie te bevestigen of te ontkrachten. De GI heeft geen twijfels over de inzet en betrouwbaarheid van de vertrouwensarts.
Uit de beschikbare informatie van de specialisten blijkt voorts dat noodzakelijke medische regie en objectieve voortgang in de behandeling van [minderjarige] structureel zijn belemmerd door het uitblijven van toestemming voor contact en gegevensuitwisseling met cruciale zorgpartners, het (herhaaldelijk) weigeren van een multidisciplinaire opname en het vasthouden aan een tempo en aanpak die medisch niet geïndiceerd werden geacht.
Daarnaast wordt er steeds meer een patroon van vertragen, niet mee willen werken en het niet verlenen van benodigde toestemming bij de ouders zichtbaar.
Voor [minderjarige] is de situatie ingewikkeld. Het is voor [minderjarige] nog steeds moeilijk te begrijpen dat hij nu gezond is, omdat hij jarenlang - tot zijn elfde levensjaar – steeds van zijn ouders te horen heeft gekregen dat hij ernstig en ongeneeslijk ziek is. [minderjarige] wil het niet alleen goed doen voor de ouders, maar ook voor de hulpverlening om hem heen. Hij wil niemand teleurstellen. [minderjarige] zegt enerzijds dat hij graag naar huis wil, maar anderzijds zegt hij dat, als het zo is dat de ouders hem onterecht steeds hebben verteld dat hij ziek is, hij niet terug hoeft. Voor [minderjarige] is het niet alleen een kwestie van leren en mogen ervaren dat hij gezond is, maar ook van leren omgaan met zijn innerlijke verwarring en tegenstrijdige gevoelens. Het kost veel tijd, veiligheid en vertrouwen om dat een plek te geven. [minderjarige] kan zich pas vrij ontwikkelen en uit de loyaliteitsconflicten stappen als de ouders hem daarin erkennen en bevestigen, maar die erkenning en bevestiging blijven uit. Van belang is dat [minderjarige] start met psychologische hulpverlening om zijn eigen identiteit te versterken, om te leren omgaan met zijn nieuwe situatie van gezond zijn en op een passende manier om te gaan met alle emoties en gevoelens die hiermee gepaard gaan. Daarnaast is het van belang dat de GI meer zicht krijgt op wat speelt bij de ouders. Het is de GI niet gelukt om met de ouders of hun netwerk (oma moederszijde) tot een goede samenwerking te komen. Gelet op de conclusie KMdF gaat een netwerkplaatsing gepaard met veel risico’s, zodat de GI dat niet mogelijk acht. De conclusie KMdF heeft ook gevolgen voor de mogelijkheden in het contact tussen [minderjarige] en de ouders.
3. Het (nadere) verweer van de ouders
De ouders concluderen tot afwijzing van de resterende termijn van het verzoek van de GI, met bevel aan de GI de terugkeer van [minderjarige] naar huis te bewerkstelligen. De ouders stellen daartoe dat er in mei 2025 nog sprake was van een vermoeden van KMdF. In eerdere beslissingen heeft ook de rechter niet kunnen concluderen dat sprake was van KMdF, maar daar trekt de GI zich niets van aan. De ouders zien niet dat de vermoedens inmiddels wel zijn bevestigd. Daarbij is er geen sprake van enige intercollegiale controle bij Veilig Thuis en trekken de ouders de onafhankelijkheid van de vertrouwensarts nog altijd in twijfel. Ook vragen de ouders zich af of de vertrouwensarts wel bevoegd is deze diagnose te stellen.
De ouders hebben altijd het beste met [minderjarige] voorgehad en dat is nog steeds het geval. Zij hebben alles in overleg met de artsen gedaan. Doorverwijzingen en medicatie zijn door de artsen gedaan en voorgeschreven. Het enige dat de ouders te verwijten valt is dat zij mogelijk te voorzichtig zijn geweest met [minderjarige] , en dus te overbezorgd en bang om iets verkeerd te doen en [minderjarige] te verliezen. Maar die voorzichtigheid geldt dan ook de artsen. Voor de ouders was bijvoorbeeld onduidelijk waarom een langdurige opname in het ziekenhuis voor [minderjarige] geïndiceerd was. De ouders kregen daarover verschillende informatie. Uiteindelijk wilde ook de behandelend arts [dokter X] een kortere opname van twee weken.
Er wordt nog gezegd dat de ouders ook nu zaken vertragen, maar de ouders zijn erg angstig en bang om fouten te maken. Daarnaast speelt nog een strafrechtelijk onderzoek, zodat de ouders vrezen dat alles wat zij zeggen tegen hen gebruikt zal worden. Zij hebben daarom behoefte aan ruggespraak met hun advocaten. De ouders voelen zich vaak ook in een hoek geduwd en willen ook iets te zeggen hebben over [minderjarige] . Dat zij geen toestemming geven voor het opvragen van informatie bij hun huidige behandelaren heeft er mee te maken dat de ouders de afgelopen maanden alle zeilen bij hebben moeten zetten om hun hoofd boven water te houden en de kinderen voldoende te ondersteunen om niet aan de huidige situatie onderdoor te gaan. Voor de ouders is het dan ook essentieel dat zij zich gesteund weten door hun eigen hulpverleners en daarin past een vertrouwelijkheid die tussen patiënt/cliënt en behandelaar bestaat en die essentieel is om een therapie kans van slagen te geven. De ouders zien daarbij in dat [minderjarige] de nodige ondersteuning nodig heeft om te verwerken wat hem in de afgelopen maanden is overkomen en aangedaan. De ouders hoeven echter niet iets te erkennen wat zij niet hebben gedaan.
Volgens de ouders bestaat er dan ook geen grondslag voor het laten voortduren van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De GI zit, evenals Veilig Thuis en de Raad, vast in een tunnelvisie. Wanneer de GI hier niet in zal gaan bewegen, zal er niets veranderen.
4. Het (nadere) advies van de raad
De raad heeft ter zitting aangegeven aan te kunnen sluiten bij de GI in die zin dat hij risico’s ziet bij een thuisplaatsing van [minderjarige] .
5. De informatie van de vertrouwensarts
De vertrouwensarts heeft ter zitting aangegeven kinderarts te zijn maar als vertrouwensarts te werken bij Veilig Thuis Gelderland-Zuid. Zij heeft op detacheringsbasis in 2025 onderzoek gedaan naar [minderjarige] bij Veilig Thuis Noord- en Midden-Limburg. Zij heeft schriftelijk en mondeling toegelicht in hoeverre zij betrokken is geweest bij [minderjarige] in de afgelopen jaren. Ook heeft zij een toelichting gegeven op KMdF en de risico’s bij een eventuele thuisplaatsing van een kind in deze gevallen. Voor zover de rechtbank deze informatie in de beoordeling betrekt, zal hieronder worden ingegaan op de door de vertrouwensarts verstrekte informatie.
6. De mening van [minderjarige]
[minderjarige] wil het liefste naar huis. Als dat niet kan, wil hij naar zijn oma of een keer in de twee weken een weekend naar huis of naar zijn oma. [minderjarige] wil niet met de voogden in gesprek. Zij liegen volgens [minderjarige] te veel. Zijn oma heeft ook aangegeven dat zij in gesprek wil als de GI contact op zou nemen.
[minderjarige] gaat vier dagen per week naar de dagbesteding. Daar wil hij niet meer naartoe. Hij moet op de dagbesteding dieren verzorgen en hard werken, terwijl hij elf jaar lang ziek is geweest. [minderjarige] wil gewoon naar school. Hij vindt schoolwerk niet leuk, maar hij moet wel iets doen.
[minderjarige] vindt het apart dat hij niet meer ziek is, al denkt hij niet vaak meer aan die tijd. Hij krijgt op dit moment geen hulp voor het verwerken dat hij niet meer ziek is.
De laatste keer dat [minderjarige] contact had met de ouders was de moeder er niet bij vanwege haar opname in het ziekenhuis. De vrijdag na de zitting gaat [minderjarige] avondeten met zijn familie in een restaurant. Zij zijn al eerder bij de KFC en McDonald’s geweest. [minderjarige] hoopt dat de moeder er dan bij kan zijn. Dit geldt ook voor zijn zus die hij allang niet meer heeft gezien.
7. De (nadere) beoordeling
Machtiging uithuisplaatsing
De vraag die aan de rechtbank voorligt is of het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding of tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van [minderjarige] dat de resterende termijn van drie maanden van de door de GI verzochte machtiging uithuisplaatsing wordt verleend. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord en zal hieronder uitleggen waarom.
Een belangrijk deel van de onderbouwing van het verzoek van de GI is gebaseerd op de stelling dat bij [minderjarige] sprake was van KMdF. Door de ouders wordt dit ten stelligste betwist. In de richtlijn KMdF van de Federatie Medisch Specialisten wordt dit beschreven als een vorm van kindermishandeling waarbij somatische of psychische symptomen bij een kind worden gefingeerd, gefalsifiseerd of toegebracht door de ouder of verzorger. De richtlijn spreekt niet over het stellen van een diagnose KMdF, maar over het vaststellen van KMdF. Dit gebeurt doordat een vertrouwensarts een vermoeden van KMdF bevestigt of weerlegt. De rechtbank zal, gelet op de gemotiveerde betwisting door de ouders, beoordelen of er redenen of signalen zijn die maken dat er twijfel kan bestaan over de vraag of de conclusie op goede gronden is getrokken en beoordelen wat dit vervolgens betekent voor het verzoek van de GI.
Dat sprake is van KMdF is vastgesteld door de vertrouwensarts. De ouders hebben twijfels geuit bij de onafhankelijkheid en objectiviteit van de vertrouwensarts. Zo hebben de ouders zich eerder in de procedure op het standpunt gesteld dat KMdF ziet op psychische problematiek die zich manifesteert in een ouder. De vertrouwensarts is echter geen psychiater en heeft geen onderzoek gedaan naar de ouders. De ouders vragen zich dan ook af met welke kundigheid en expertise de vertrouwensarts en dergelijke conclusie kan trekken.
De rechtbank passeert het standpunt van de ouders en overweegt als volgt.
De rechtbank heeft geen enkele aanleiding de deskundigheid, onafhankelijkheid en objectiviteit van de vertrouwensarts op het gebied van KMdF in twijfel te trekken. De ouders beroepen zich op de betrokkenheid van de vertrouwensarts in een onderzoek dat door Veilig Thuis is gedaan in 2017. Dit naar aanleiding van een door twee verpleegkundigen gedane melding vanwege het onthouden van noodzakelijke zorg aan [minderjarige] . De ouders benoemen de vertrouwensarts als de drijvende kracht achter dit onderzoek. De vertrouwensarts heeft echter gemotiveerd toegelicht dat zij alleen zijdelings betrokken is geweest, doordat zij collegiaal is geraadpleegd door de destijds inhoudelijk betrokken vertrouwensarts van Veilig Thuis Noord- en Midden Limburg. Dit blijkt ook uit het overgelegde dossier van Veilig Thuis. Ook de stelling van de ouders dat uit een latere betrokkenheid van de vertrouwensarts blijkt dat haar betrokkenheid groter is dan gedacht, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De ouders stellen daarover dat uit de brieven van de artsen van het Radboud UMC blijkt dat er gedurende langere tijd contact is geweest met de vertrouwensarts van Veilig Thuis en dat dit bij gebrek aan een andere vertrouwensarts de vertrouwensarts [vertrouwensarts] moet zijn geweest waardoor zij al vanaf 2023 actieve betrokkenheid heeft bij het dossier. De vertrouwensarts heeft echter gemotiveerd gesteld in 2023 over een anonieme casus, dus zonder dat zij de naam van de personen in kwestie kende, advies te hebben gegeven in het kader van multidisciplinair overleg in de sociale kindwerkgroep van het Radboud UMC. Ook de stelling van de ouders dat de verdergaande betrokkenheid dan wel huidige betrokkenheid van de vertrouwensarts zou blijken uit haar stelling dat er ook is gekeken naar [naam] maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De vertrouwensarts heeft immers op basis van een detachering bij Veilig Thuis Noord- en Midden-Limburg, het volledige onderzoek naar KMdF uitgevoerd waardoor zij ook betrokken is geweest bij [naam] . Zelfs al zou de betrokkenheid van de vertrouwensarts groter zijn dan de ouders dachten, dan nog rechtvaardigt dat niet de conclusie dat zij niet objectief en onafhankelijk is. Daarvoor is in het dossier geen enkele aanwijzing te vinden. De rechtbank volgt de ouders ook niet in hun standpunt dat psychologisch onderzoek van de ouders nodig is om KMdF te kunnen vaststellen. Dit volgt ook niet uit de richtlijn KMdF. Waarom de vertrouwensarts op basis van het door haar gedane onderzoek niet tot haar conclusie KMdF zou kunnen komen, is de rechtbank dan ook niet duidelijk.
De ouders stellen zich verder op het standpunt dat er in mei 2025 een vermoeden is geweest van KMdF en dat sindsdien niets is gebleken dat dit vermoeden kan doen bevestigen. De ouders hebben altijd het advies van de artsen opgevolgd en het enige wat de ouders verweten kan worden is dat zij wellicht te voorzichtig zijn geweest. Daarbij hebben de ouders ter zitting aangegeven van mening te zijn dat het, om te komen tot de conclusie van KMdF, onvoldoende is om alleen te kijken naar het kind.
De rechtbank stelt vast dat [minderjarige] ten gevolge van zijn vroeggeboorte een medische geschiedenis kent. Zo is bij hem vanwege medische noodzaak op jonge leeftijd een centrale veneuze lijn aangelegd voor totale parenterale voeding (TPV). Sinds 2016, het eerste moment waarop geprobeerd is om de TPV-lijn af te koppelen, hebben meerdere wisselingen van artsen en ziekenhuizen plaatsgevonden. In 2016, toen [minderjarige] twee jaar was, is in het Amsterdam UMC bij een second opinion geprobeerd om tot afbouw van de TPV-lijn te komen. Dit is uiteindelijk niet van de grond gekomen. Op verzoek van de ouders zijn zij terugverwezen naar het Maastricht UMC+.
In 2017 heeft een wisseling plaatsgevonden op verzoek van de ouders van het Maastricht UMC+ naar het Radboud UMC. In de brief van 18 januari 2026 geeft [dokter Y] van Maastricht UMC+ het volgende aan:
“Ik ben begin 2017 door het behandelend team in het Maastricht UMC+ gevraagd om mee te denken over het vormgeven van de behandeling wat heeft geleid tot twee gesprekken met ouders op 07.02.2017 en 21.03.2017.
In het eerste gesprek is het doel van mijn betrokkenheid uitgesproken, namelijk dat vanuit de artsen behoefte was aan verbreding van het team met o.a. de thuisverpleegkundige om zorg te optimaliseren met name om te kijken of eigen voeding over de maag kon worden opgehoogd. Deze behoefte kwam voort vanuit het feit dat artsen graag voeding via de darm wilden gaan ophogen terwijl ouders dat niet wilden.
(…) Tijdens het gesprek hebben we geïnventariseerd wie op dat moment allemaal betrokken waren bij de zorg. Daarna hebben we voorgesteld om samen met deze professionals en ouders een plan te maken hoe de zorg te regelen tijdens en na een opname waarbij focus op enterale voeding zou komen te liggen (voeden via de darm.) Vader kon zich daar absoluut niet in vinden. Uit het dossier: “vader geeft aan zich jaren nooit gesteund en geholpen gevoeld te hebben door het UMC in zijn zoektocht naar hulp en nu willen wij deze mensen opeens betrekken; ouders zien dit als een inbreuk op hun privacy en hebben daar helemaal geen behoefte aan. Ouders begrijpen ondanks meerdere wijze van uitleg van onze zijde niet dat we dit graag willen om juist ook thuis mee te kunnen denken, te begrijpen waardoor communicatie niet loopt, eerder te kunnen bijsturen en met thuiszorg behandeldoelen te maken ook wanneer we stappen gaan maken in voeding, mn wanneer langdurig opname lastig blijkt.
Ouders lijken onze argumenten niet te begrijpen, geven aan dat wanneer ze vooraf hadden geweten dat we hierover wilden spreken niet akkoord waren gegaan met het gesprek, ze willen geen bemoeienis met wie dan ook die bij hen thuis komt”.
Uit de brief van 18 januari 2026 blijkt voorts dat er vervolgens nog een gesprek met ouders heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017 waarbij ouders meteen aangegeven hebben hun vertrouwen in Maastricht UMC te hebben verloren waarbij zij als redenen hebben aangegeven dat zij niet de mening van de artsen deelden dat de zorg voor [minderjarige] breder moet zijn dan medische zorg alleen. Ouders wensten geen gesprekken met het thuisteam of de toevoeging van een kinderarts sociale pediatrie aan het zorgteam ter ondersteuning. Ook wensten ouders niet dat [minderjarige] opnieuw zou worden opgenomen om sondevoeding te starten. Tenslotte gaven ouders aan dat het Radboud ziekenhuis meer expertise heeft met TPV. Naar aanleiding van dit gesprek is de zorg overgedragen aan het Radboud UMC.
In 2017 hebben twee verpleegkundigen thuiszorg een melding gedaan bij Veilig Thuis. Uit het meldingsformulier blijkt onder meer het volgende:
“Reden melding
(..)
Vermoeden van het onthouden van de juist gekwalificeerde verpleegkundige zorg in thuissituatie voor zorgintensief kind. (…)
Vermoeden van het onthouden van adequate specialistische medische (ziekenhuis) zorg bij zorgintensief kind. (…)
Zorgen over het feit dat alleen moeder volledig op de hoogte is van het medisch verhaal rondom [minderjarige] .
(…)
Wij als thuiszorg verpleegkundigen hebben na vier ziekenhuisopnames geen verpleegkundige overdracht gekregen, ondanks hier alle vier de keren specifiek naar gevraagd te hebben. Wij hebben nooit recepten van de toe te dienen medicatie en uitvoeringsverzoeken voor het uitvoeren van de verpleegkundige voorbehouden behandelingen gekregen ondanks gedurende bijna een jaar hier frequent naar vragen.”
Uit het dossier van Veilig Thuis blijkt dat de vertrouwensarts op consultatieve wijze betrokken is geweest en dat er gesprekken hebben plaatsgevonden met de ouders.
Vanaf 2017 is [minderjarige] in behandeling bij het Radboud UMC. Uit de aantekeningen van het spreekuurbezoek bij het Radboud UMC van 2 mei 2022 en de brief van het Radboud UMC van 20 januari 2026 blijkt dat er vervolgens bij een opname van [minderjarige] in 2022, waarbij de thuisverpleegkundige bij [minderjarige] verbleef, duidelijk werd dat er meer ruimte voor het uitbreiden van orale/enterale voeding leek dan op basis van de informatie en observatie van de ouders. Weliswaar was het kennelijk niet helemaal duidelijk in welke mate [minderjarige] ook had gegeten, maar dat doet aan de wens van de behandelend artsen om nader onderzoek te doen via een opname niet af.
De toenmalige hoofdbehandelaar van [minderjarige] , [dokter Z] , heeft daarop met ruggespraak van andere specialisten en professionals geprobeerd om tot een opname van [minderjarige] te komen om de klachten en mogelijkheden te objectiveren. Deze opname is echter nooit van de grond gekomen. Volgens de ouders ligt dit met name aan de communicatie met [dokter Z] waarbij steeds een onduidelijke dan wel wisselende reden van opname werd genoemd. De ouders wilden ook niet meegaan in een darmtransplantatie bij en experimentele medicatie voor [minderjarige] . Daarbij hebben de ouders nooit gezegd een opname van twee weken tegen te gaan. De ouders zijn enkel voorzichtig geweest. Er is volgens hun geen sprake van een patroon van vertragen. Daarbij komt dat zij hebben meegewerkt met de afbouw van de TPV-lijn zoals deze is voorgesteld door [dokter X] .
De rechtbank maakt uit de informatie van het binnen het Radboud UMC aangemaakte meldcode document op dat op 18 december 2023 al is overwogen tot opname van [minderjarige] zonder invloed van de ouders om beïnvloedende factoren uit te schakelen. Uit het dossier blijkt verder dat de reden voor een langdurige opname meerdere malen aan de ouders is uitgelegd, waarbij de ouders steeds opnieuw een reden hadden om niet in te stemmen met een opname.
Zo blijkt uit het gespreksverslag van de telefonische afspraak van 22 december 2023 dat een opname eerder is besproken, in een videoconsult en in een gesprek tussen [dokter Z] , haar collega [dokter X] en de ouders. In dit telefoongesprek heeft de moeder aangegeven dat een opname van zes tot acht weken voor de ouders geen optie is, maar dat twee tot drie weken het maximale voor hen zou zijn. De moeder heeft toen echter ook aangegeven dat zij op dat moment een opname (afgezien van het feit dat zij het niet eens waren met de duur) niet zagen zitten, omdat de oudste in het examenjaar zat en ze in de laatste weken/maanden geen opname kunnen plannen omdat de moeder dan nooit thuis zou zijn. Er is toen uitgelegd dat het voor een goede observatie belangrijk is om een kind alleen te zien en het ziekenhuis graag interactie of andere beïnvloedende factoren uit elkaar wil halen. De moeder heeft daarop aangegeven [minderjarige] niet alleen te zullen laten en er altijd bij te zullen zijn.
Uit het gesprekverslag van de telefonische afspraak op 19 februari 2024 met het Radboud UMC blijkt dat de vader heeft aangegeven in te kunnen zien dat het onderzoek niet binnen twee weken afgerond zou kunnen zijn. Hij begreep echter niet waarom voor het bijhouden van observaties [minderjarige] in het Radboud UMC zou moeten zijn en niet thuis kon verblijven. Daarbij heeft de vader ook aangegeven niet te begrijpen wat [dokter Z] van een opname verwacht en wat het zou brengen als [minderjarige] iets meer aan eten zou verdragen. Dat [minderjarige] iets meer aan eten zou kunnen verdragen zou volgens de vader in de hele situatie niet veel veranderen. [dokter Z] heeft toen aan de ouders uitgelegd dat elke stap in de juiste richting als een stap te begrijpen is, en dat minder TPV het risico op complicaties vermindert, een kans op langere pauzes biedt en ook meer vrijheid, omdat er minder toezicht nodig is op momenten zonder TPV.
Op 27 maart 2024 hebben de ouders in een bericht aan het Radboud UMC aangegeven dat de impact van een langdurige opname van een relatief gezonde [minderjarige] en de daarmee gemoeide fysieke afstand op dat moment voor het gezin immens groot zou zijn. De ouders benadrukten daarbij dat de duur, de afstand en het uit elkaar halen van het gezin niet opweegt tegen wat dit als voordeel zou kunnen opleveren ten opzichte van de situatie waarin dit in de thuisomgeving zou worden gerealiseerd middels een duidelijk schema met hoe de arts het graag ziet. Dit terwijl [dokter Z] eerder het belang van een observatie in het ziekenhuis heeft uitgelegd en dat iedere stap in de juiste richting er een is en verbeteringen voor [minderjarige] met zich mee zal brengen.
Bij brief van 21 mei 2024 van het Radboud UMC is opnieuw aan de ouders het belang van een opname en de voordelen van het minderen van TPV uitgelegd. Daarbij is ook uitgelegd dat het noodzakelijk is om het ‘systeem thuis’ niet mee te nemen, omdat vroegere – noodzakelijke – patronen tussen kind en ouders en zorgverleners thuis en omgekeerd nu juist contraproductief kunnen zijn in het revalidatieproces. In de brief geven de artsen aan dat zij zonder deze opname [minderjarige] niet de zorg kunnen geven die hij nodig heeft en waar hij recht op heeft. Ook tijdens een gesprek op 4 juli 2024 is aan de ouders uitgelegd waarom een opname [minderjarige] zou kunnen helpen.
De ouders wijzen er nog op dat zij wel konden instemmen met een opname met een kortere duur en dat [dokter X] een lange duur ook niet nodig vond. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de artsen, ook [dokter X] , aanvankelijk een langduriger opname wenselijk achtten. Pas nadat de ouders hadden laten weten dat dit voor hen onbespreekbaar was, lijkt een kortere opname te zijn benoemd. Echter ook daar is het in de periode vanaf 2023 niet van gekomen; dit terwijl de ouders herhaaldelijk zijn gewezen op het belang van een opname en de positieve effecten van (enige) verbetering van [minderjarige] .
In tegenstelling tot wat de ouders aangegeven, is voor de rechtbank overigens niet gebleken dat er wisselend werd gesproken over het doel van deze opname. Daarbij ziet de rechtbank dat er inderdaad is gesproken over een darmtransplantatie en experimentele medicijnen, maar nergens is benoemd dat dit het doel van opname zou zijn geweest. De rechtbank verwijst in dit verband met name naar de brief van 21 mei 2024 waarin uitvoerig wordt uitgelegd wat het doel is van de opname en hoe de behandeling zal verlopen.
Verder is gebleken dat de ouders, ondanks meerdere pogingen daartoe, meerdere malen geen toestemming hebben gegeven voor het uitwisselen van informatie met derden zoals verpleegkundigen. Zo konden verpleegkundigen niet aansluiten bij MDO’s om informatie uit te wisselen. Daarmee hebben de ouders naar het oordeel van de rechtbank miskend dat het van belang is dat alle betrokken partijen op de hoogte zijn van wat er rondom [minderjarige] speelt en hoe hij het in verschillende situaties doet om hem de best mogelijke op elkaar afgestemde zorg te bieden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de melding bij Veilig Thuis in 2017, maar ook naar de brief van Radboud UMC van 20 januari 2026.
[minderjarige] was bij de opname van 13 mei 2025 tot 28 mei 2025 in het Emma Kinderziekenhuis van het Amsterdam UMC binnen een aantal dagen onder andere van de TPV-lijn af. Mede in dat licht ziet de rechtbank in het verloop van de behandeling bij het Radboud UMC, waarbij de vanaf 2022 geadviseerde opname om tot afbouw te komen telkens niet van de grond is gekomen, een patroon van het langer ziekhouden van [minderjarige] dan noodzakelijk. De ouders hebben langdurig de aanbevelingen van de artsen niet opgevolgd en geen vertrouwen gehad in de deskundigheid van gespecialiseerde artsen van diverse ziekenhuizen ondanks de mogelijkheden voor verbetering van [minderjarige] . De rechtbank kan begrijpen dat de ouders mee willen beslissen over de zorg voor [minderjarige] en voorzichtig zijn geweest gelet op het verleden. De ouders hebben ook aangegeven altijd het beste met [minderjarige] voor te hebben gehad. Daarbij hoort naar het oordeel van de rechtbank echter ook dat je als ouder vertrouwt op de deskundigheid van artsen, de samenwerking opzoekt en ervoor zorgt dat iedereen goed geïnformeerd is en dat artsen en verpleegkundigen contact met elkaar kunnen hebben om een kind de best mogelijke zorg en toekomst te bieden.
Dat de ouders wel hebben meegewerkt aan het plan van aanpak van [dokter X] tot afbouw van de TPV-lijn, nadat hij de medische zorg voor [minderjarige] op 10 oktober 2024 op zich had genomen, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De rechtbank sluit niet uit dat, gelet op de grote weerstand van de ouders, is gekeken naar een alternatief om de ouders aan boord te houden. Een dergelijke afbouw was niet het eerste plan, zou heel lang duren en was gelet op het verloop van de opname van [minderjarige] in het Amsterdam UMC van 13 mei 2025 tot 28 mei 2025 ook niet noodzakelijk. Daarbij komt nog dat de rechtbank vaststelt dat de afbouw minder snel liep dan oorspronkelijk de bedoeling was. Zo blijkt uit het verslag van de telefonische afspraak op 6 januari 2025 dat door de ouders niet iedere twee weken 50ml, maar iedere drie weken 50ml werd afgebouwd.
De rechtbank ziet daarnaast dat er niet alleen op het punt van de TPV-lijn, maar op nog meer gebieden sprake is geweest van aan [minderjarige] schade toebrengende gedragingen.
Op sociaal-emotioneel gebied wordt gezien dat [minderjarige] tot ruim elf jaar gebruik heeft gemaakt van een speen en tot deze leeftijd ook in Sinterklaas heeft geloofd. De rechtbank is in tegenstelling tot de ouders van oordeel dat de ouders hiermee niet hebben aangesloten bij de ontwikkeling van [minderjarige] , en dat de ouders [minderjarige] onvoldoende tot ontwikkeling hebben laten komen. Daarbij blijkt uit de ontslagbrief van het Amsterdam UMC van 30 juni 2025 dat [minderjarige] een overbeet heeft ten gevolge van een niet bij zijn leeftijd passend speengebruik. Het goed blijven vinden van speengebruik heeft dus ook lichamelijke gevolgen gehad voor [minderjarige] . De ouders hebben daar onvoldoende bij stilgestaan. Ook in deze procedure vermelden de ouders daar niets over.
Uit de hiervoor genoemde ontslagbrief van het Amsterdam UMC blijkt ook dat de nachtelijke urine-incontinentie van [minderjarige] , waar hij voor de opname mee te maken had, binnen de opname van twee weken is verholpen door [minderjarige] laat in de avond te laten plassen. Dit roept vragen op over de wijze waarop de ouders zijn omgegaan met het bedplassen van [minderjarige] .
Daarnaast is er sprake geweest van overbodige rolstoelafhankelijkheid. Niet is gebleken dat het rolstoelgebruik van [minderjarige] is geadviseerd door een arts. [minderjarige] zat volgens school, in tegenstelling tot wat de ouders hebben aangegeven, op school vrijwel altijd in een rolstoel. Ook in de (sociale) media hebben de ouders [minderjarige] gepresenteerd als onder andere rolstoelafhankelijk. Bij deze stand van zaken kan de stelling van de ouders dat [minderjarige] in de thuissituatie geen rolstoel heeft gebruikt en dat [minderjarige] ook heeft aangegeven alleen pijn te krijgen bij lange wandelingen daar niet aan afdoen. Het gebruik van de rolstoel heeft een verminderde mobiliteit en bewegingsvrijheid tot gevolg gehad wat heeft geleid tot deconditionering en daarmee van een gezonde, leeftijdsadequate ontwikkeling van [minderjarige] . Ook plaatst het gebruik van een rolstoel een kind volgens Veilig Thuis in een uitzonderingspositie, wat schadelijke gevolgen heeft voor de ontwikkeling van zijn zelfbeeld en een sociaal isolement tot gevolg kan hebben.
Resumerend heeft [minderjarige] op al deze punten een ander beeld voorgehouden gekregen dan hoe hij werkelijk is, hetgeen zijn eigen identiteitsontwikkeling in de weg heeft gestaan. Hoewel het volgens de ouders onjuist is dat zij hebben aangegeven dat [minderjarige] ongeneeslijk ziek is, ziet de rechtbank wél een beeld dat de ouders [minderjarige] als ongeneeslijk ziek hebben gepresenteerd. Niet alleen ten opzichte van artsen en de hulpverlening, maar ook naar de buitenwereld toe via (sociale) media. Deze informatie is ook nog altijd terug te vinden waardoor [minderjarige] hier blijvend mee geconfronteerd wordt.
Gelet op dit alles kan de rechtbank dan ook niet concluderen dat de vertrouwensarts op ondeugdelijke gronden heeft vastgesteld dat er sprake is van KMdF.
De rechtbank is alleen al op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat het voortzetten van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding en tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van [minderjarige] .
De rechtbank constateert nog dat de ouders weinig stilstaan bij hun eigen handelen en nalaten. Zij stellen zich op het standpunt niet iets hoeven te erkennen wat zij niet hebben gedaan en dat zij alles in overleg met de artsen hebben gedaan. Zoals hiervoor is benoemd hebben de ouders wel degelijk een eigen aandeel gehad in de voor [minderjarige] ontstane situatie. Hij is ten onrechte klein en ziek gehouden. Dat heeft een grote impact gehad op [minderjarige] . Het niet kunnen erkennen van het eigen aandeel van de ouders is een contra-indicatie voor thuisplaatsing en zal zelfs gevolgen kunnen hebben voor de mogelijkheden van contact. Zonder erkenning is het risico dat de neiging tot falsificeren langdurig blijft bestaan en de kans op recidive groot.
De ouders weigeren daarbij tot op heden inzicht te geven in hun eigen hulpverlening. De rechtbank heeft enerzijds begrip voor de stelling van de ouders dat zij een vertrouwelijkheidsrelatie met hun behandelaren willen om hun therapie een kans van slagen te geven. Anderzijds is met vooropstelling van het belang van [minderjarige] ook inzicht in eventuele problematiek bij de ouders nodig om een volledige risico inschatting te kunnen maken. Daarbij rekent de rechtbank het de ouders des te meer aan dat zij nog altijd niet op alle punten hun volledige medewerking verlenen, terwijl de kinderrechter ook bij beschikking van 16 december 2025 heeft aangegeven dat van de ouders wordt verwacht dat zij de GI in staat stellen om zorgvuldig onderzoek te doen en zij hun medewerking daartoe verlenen. Dit maakt samen met het ontbreken van de erkenning dat de rechtbank van oordeel is dat bij de veiligheid van [minderjarige] bij een thuisplaatsing niet gewaarborgd is.
Daarbij is het, zowel in het kader van de conclusie KMdF alsook op zichzelf staand, van belang dat de ouders gaan meewerken met de hulpverlening en gaan inzien wat [minderjarige] nodig heeft. De rechtbank maakt zich forse zorgen over de mogelijkheden van de ouders om samen te werken met een gezinsvoogd en hulpverlening. Zij gaan steeds opnieuw de strijd aan en lijken daarbij het belang van [minderjarige] uit het oog te verliezen. De ouders staan veel stil bij hun rechten, zoals het meebeslissen over welke behandelaar wordt aangezocht, maar te weinig bij hun plicht om ervoor te zorgen dat [minderjarige] aan zijn ontwikkeling toekomt en de benodigde hulp krijgt.
De ouders hebben nog aangegeven in te zien dat [minderjarige] de nodige ondersteuning nodig heeft in wat hem in de afgelopen periode is overkomen en is aangedaan en open te staan voor hulp en begeleiding voor [minderjarige] , zichzelf en de andere kinderen als [minderjarige] weer thuis is. Zij plaatsen dit echter met name in het kader dat het voor iedereen een traumatische ervaring is geweest dat [minderjarige] uit huis is geplaatst. De rechtbank onderkent volgens de ouders de impact van een uithuisplaatsing ook niet. De ouders laten met deze stelling echter niet zien dat zij kunnen begrijpen waarom een uithuisplaatsing noodzakelijk was en wat er voor [minderjarige] , en binnen het gezin, nog verder nodig is. Zeker in het licht van de enorme vooruitgang die [minderjarige] heeft laten zien sinds de uithuisplaatsing vindt de rechtbank dit moeilijk te begrijpen. De rechtbank kan zich de zorgen voorstellen die de ouders hebben gehad over [minderjarige] . In het verleden was er zeker ook genoeg medische problematiek die aanleiding gaf tot grote zorgen. Maar de ouders zijn daarin onnodig lang blijven hangen en [minderjarige] heeft daarvan nadeel ondervonden. Ook al hebben de ouders dit wellicht niet moedwillig gedaan, de rechtbank rekent hen in ieder geval wel aan dat zij ook nu, na het snelle herstel van [minderjarige] , niet tot het inzicht zijn gekomen dat de keuzes die zij voor [minderjarige] hebben gemaakt op enig moment niet langer in zijn belang waren.
De rechtbank ziet dat de situatie enorm belastend is voor [minderjarige] . In het kindgesprek spreekt hij uit dat het zijn grootste wens is om terug naar huis te gaan. De GI heeft echter ook onweersproken gesteld dat [minderjarige] op andere momenten aangeeft dat als het inderdaad zo is wat wordt gesteld hij niet terug naar huis wil. Hij verkeert in een spagaat. Dit staat hem in de weg bij zijn ontwikkeling.
De rechtbank concludeert dat het, ook los van de vraag of al dan niet terecht tot de conclusie KMdF is gekomen, niet in het belang van [minderjarige] is om nu terug naar huis te gaan. Hij is elf jaar lang opgegroeid in een opvoedingsomgeving waarin hij in ieder geval langdurig is onder gestimuleerd en niet toe is gekomen aan zijn ontwikkelingstaken op zowel cognitief alsook op sociaal-emotioneel gebied. Er heeft daarbij veel aandacht bestaan voor het idee dat hij (ongeneeslijk) ziek is. Dit is niet alleen binnenshuis gebleven, maar de ouders zijn daar ook over naar buiten getreden in de (sociale) media, waar dit nog steeds te vinden is. Wie [minderjarige] werkelijk is stemt dan ook niet overeen met het beeld waarmee hij bijna zijn hele leven is opgegroeid en dat over hem naar de buitenwereld is uitgedragen.
Een uithuisplaatsing op een neutrale plek is voor [minderjarige] de komende tijd nog steeds noodzakelijk. De rechtbank zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling. De rechtbank zal die beslissing ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Proceskostenveroordeling
De ouders hebben nog verzocht om de GI dan wel de Raad te veroordelen in de kosten van deze procedure. De ouders worden in het ongelijk gesteld, zodat dit niet aan de orde is. De rechtbank zal de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.
Brief aan [minderjarige]
De voorzitter informeert [minderjarige] namens de meervoudige kamer op zijn verzoek in een aparte e-mail over de hiervoor genomen beslissingen. Deze e-mail heeft de volgende inhoud:
“Beste [minderjarige] ,
Zoals je weet heb ik met twee andere rechters gekeken of je terug naar huis kunt.
We hebben heel veel over jou gelezen. We vinden heel belangrijk wat de artsen over jou geschreven hebben, met name de behandeling die zij noodzakelijk vonden. We hebben ontdekt dat de verschillende artsen al heel lang hebben geprobeerd jou beter te maken, maar dat jouw ouders daar onvoldoende aan hebben meegewerkt. De artsen in het ziekenhuis in Amsterdam hebben ervoor gezorgd dat je nu een gezonde jongen bent. Dat had veel eerder al zo kunnen zijn.
Ook hebben jouw ouders jou onvoldoende geholpen om je goed te ontwikkelen. Daardoor ben je veel jonger gehouden dan je bent.
Je kunt nu meer dan je misschien zelf ooit voor mogelijk hebt gehouden. Wij hebben er op dit moment onvoldoende vertrouwen in dat je ouders nu wel goed voor je kunnen zorgen. Dat betekent dat je niet terug naar huis kunt. Je blijft dus tot 17 juni 2026 bij [naam instelling] . Voor de periode daarna zullen we opnieuw moeten beslissen.
We begrijpen dat dit voor jou heel erg moeilijk is. Voor ons is heel belangrijk dat je in een veilige omgeving opgroeit waar je je goed kunt blijven ontwikkelen.
Met vriendelijke groet, ook namens de andere kinderrechters,
Mr. W.Th.M. Raab”
8. De beslissing
De rechtbank:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 17 maart 2026 tot 17 juni 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.Th.M. Raab (voorzitter), mr. L.M.I.A. Bregonje en mr. P.H. Brandts, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026, in aanwezigheid van mr. F.L.W. Bouwens als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.