RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats 1] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1885
(gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn),
en
(gemachtigde: M. Jonkers).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [vergunninghouders] uit [woonplaats 2] , vergunninghouders
(gemachtigde: mr. J.P. Eydems).
1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghouders verleende omgevingsvergunning voor het (her)bouwen van een tuinhuis. Eisers zijn het niet eens met deze vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Samengevat stellen zij dat het college heeft miskend dat de aangevraagde activiteit buiten het tijdelijk deel van het omgevingsplan valt en dat het college daarmee ten onrechte geen weigeringsgrond voor de omgevingsvergunning heeft aangenomen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft besloten tot verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van een tuinhuis. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft de aanvraag van vergunninghouders met het besluit van 17 februari 2024 toegewezen. Eisers zijn het daar niet mee eens. Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 op de bezwaren van eisers is het college echter bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en de toezichthouder, vergunninghouders en de gemachtigde van vergunninghouders.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Vergunninghouders wonen aan de [adres 1] te [woonplaats 2] . Zij hebben op 22 oktober 2024 een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit aangevraagd. Die omgevingsplanactiviteit bestaat uit het plaatsen van een nieuw en groter tuinhuis. De aanvraag is blijkens het primaire besluit van 17 februari 2025 getoetst aan de beoordelingsregels van de Omgevingswet. Zo heeft het college vastgesteld dat de activiteit in overeenstemming is met het van rechtswege geldende bestemmingsplan en dat er geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn op het desbetreffende gebied. Het college heeft daarmee geconcludeerd dat de aanvraag aan de beoordelingsregels voldoet en heeft aldus de vergunning verleend.
4. Eisers wonen aan de [adres 2] te [woonplaats 1] . Doordat de [strat] rondom het perceel van vergunninghouders loopt, ligt het perceel van eisers tegenover het perceel van vergunninghouders en hebben eisers vanuit hun woning direct zicht op het tuinhuis. In het bestreden besluit van 1 juli 2025 heeft het college uiteen gezet dat de door eisers aangevoerde bezwaren geen reden zijn om de omgevingsvergunning te herroepen. Eisers zijn het hier niet mee eens.
Toetsingskader
5. In deze uitspraak worden wettelijke regels en beleidsregels aangehaald die van belang zijn voor deze zaak. De tekst van deze regels en beleidsregels staan in de bijlage bij deze uitspraak.
6. Onder de Omgevingswet is de vergunning voor een bouwactiviteit gesplitst in een technische en een ruimtelijke toestemming. De hierna te bespreken gronden van eisers richten zich tegen het ruimtelijk deel van de verleende vergunning: de zogeheten omgevingsplanactiviteit. Dat ruimtelijk deel wordt beoordeeld aan de hand van de regels van het omgevingsplan van het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Weert. Daarnaast zijn bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Deze beoordelingsregels zijn vastgelegd in hoofdstuk 8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna Bkl). Voor de toepassing van deze beoordelingsregels is relevant of de aangevraagde omgevingsplanactiviteit binnen- of buitenplans is. In de kern is dit ook de rechtsvraag waar het beroep om draait. Een activiteit is binnenplans als deze voldoet aan de regels van het omgevingsplan.
7. Een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt op grond van artikel 8.0a lid 1 Bkl verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels in het omgevingsplan die zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Ook onder de Omgevingswet is er dus sprake van een limitatief-imperatief stelsel. Dat houdt in dat de aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit alleen (limitatief) wordt beoordeeld op basis van de beoordelingsregels in het omgevingsplan en ook alleen kan worden geweigerd op grondslag van deze in het omgevingsplan opgenomen regels. Als de vergunning op grond van die regels niet kan worden geweigerd, moet (imperatief) de vergunning worden verleend. Buiten het omgevingsplan om kunnen dus geen aanvullende redenen worden gevonden om de vergunning te weigeren.
8. In dit geval moet de aanvraag getoetst worden aan de regels van het (oude) bestemmingsplan Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy (hierna: het bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan maakt namelijk van rechtswege deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, de zogenoemde bruidsschat. Voor zover hier relevant, bepaalt het bestemmingsplan dat er geen tweede woning op het bouwperceel is toegestaan. Daarbij wordt een woning gedefinieerd als een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend dient voor de huisvesting van één zelfstandige huishouding. Verder is voor de beoordeling van deze zaak van belang dat het bestemmingsplan een bijgebouw definieert als een al dan niet aangebouwd gebouw of uitbouw, dat in bouwkundig en ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en bestaat uit één bouwlaag, al dan niet voorzien van een kap. Een bouwlaag is een doorlopend gedeelte van een gebouw, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. Een zolder wordt gedefinieerd als ruimte(n) in een gebouw die geheel of gedeeltelijk is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht deel uitmaakt/uitmaken van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen. Van een zolder is geen sprake indien de desbetreffende ruimte gelijkwaardig is aan de verblijfsruimten op de bouwlagen onder deze ruimte.
Beroepsgronden
9. Eisers voeren aan dat het college heeft miskend dat het tuinhuis in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college daarmee ten onrechte geen weigeringsgrond heeft aangenomen. Daarvoor voeren zij als grond aan dat het tuinhuis vanwege de aanwezige voorzieningen kwalificeert als een zelfstandige woning, terwijl het bestemmingsplan een tweede woning op het bouwperceel uitsluit. Daarnaast voeren zij als grond aan dat het tuinhuis niet kwalificeert als bijgebouw, omdat er sprake is van een volwaardige tweede bouwlaag gelet op de oppervlakte van de zolder en de aanwezigheid van stopcontacten.
10. Het college stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde activiteit past binnen het bestemmingsplan. Daarmee is er geen sprake van een weigeringsgrond en moet de vergunning worden verleend. Het college heeft gedurende de beroepsprocedure nog een controle uitgevoerd en het daarvan opgemaakte rapport in geding gebracht. Dat geldt ook voor de foto’s die daarbij van de feitelijke situatie zijn gemaakt. Het college ziet ook in deze bevindingen geen aanleiding om het bestreden besluit te herroepen.
11. De rechtbank stelt vast dat de kernvraag van het geschil vormt of er sprake is van een weigeringsgrond vanwege strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank zal achtereenvolgens in gaan op de in verband daarmee aangevoerde beroepsgronden.
Is er sprake van een tweede woning gelet op de aanwezige voorzieningen?
12. Bij de beoordeling van deze beroepsgrond moet worden bedacht dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen het bouwplan dat is aangevraagd en vergund en wat er feitelijk is gerealiseerd. Het bevoegd gezag moet immers de aanvraag toetsen aan het bestemmingsplan en daarmee is slechts de aangevraagde situatie in verband met de rechtmatigheid van de verleende vergunning relevant. Als de feitelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie/het bouwplan en daarmee een situatie zou zijn gecreëerd die niet is vergund maar waarvoor wel een vergunning nodig is, is dit een handhavingskwestie.
13. Het aangevraagde bouwplan beoordelend, is de rechtbank van oordeel dat de aangevraagde activiteit niet de bouw van een tweede woning behelst. Daarvoor moet het gebouw namelijk een zelfstandige huishouding kunnen huisvesten. Daarvan is geen sprake als voor bepaalde voorzieningen moet worden uitgeweken naar het hoofdgebouw en blijkens de bouwtekeningen is dat het geval. Uit de aanvraag blijkt namelijk niet dat er wordt voorzien in een volwaardige keuken en ook sanitaire voorzieningen ontbreken. Er is bovendien geen sprake van een vaste trap naar de tweede bouwlaag, waardoor de leefruimte beperkt is tot de begane grond en er geen aparte slaapruimte is. Dat eisers inmiddels wel sanitaire voorzieningen hebben gemaakt en in de toekomst ook nog kookvoorzieningen kunnen installeren en eventueel een slaapkamer kunnen realiseren, maakt het oordeel niet anders. Zoals gezegd, is het een kwestie van handhaving als de feitelijke situatie op enig moment blijkt af te wijken van de vergunde bouwactiviteit.
Voldoet het tuinhuis aan de definitie van een bijgebouw vanwege de tweede bouwlaag?
14. De rechtbank is van oordeel dat de ruimte onder de kap van het tuinhuis voldoet aan de in het bestemmingsplan opgenomen definitie van een zolder. Het betreft immers een ruimte binnen het gebouw die geheel is afgedekt met een schuin dak en in functioneel opzicht deel uitmaakt van de begane grond. In zowel de bouwtekening als ook de feitelijk gerealiseerde situatie, zoals die tijdens de zitting is besproken, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de stelling van eisers dat de desbetreffende ruimte gelijkwaardig is aan de verblijfsruimten op begane grond, waardoor de ruimte niet meer als zolder zou kwalificeren en als een volwaardige tweede bouwlaag gezien moet worden. De rechtbank acht voor haar oordeel doorslaggevend dat de ruimte onder de kap zich niet over de gehele oppervlakte van het tuinhuis uitstrekt aangezien er vides zijn gecreëerd, dat de ruimte niet bereikbaar is via een vaste trap (eisers gebruiken incidenteel een ladder om zich toegang te verschaffen en dat bovendien het schuine dak maakt dat slechts in een beperkt deel van de ruimte rechtop kan worden gestaan. Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een volwaardige tweede bouwlaag waarmee het tuinhuis volgens het bestemmingsplan niet meer zou kwalificeren als bijgebouw. De omstandigheid dat er stopcontacten in de zolderruimte zijn gerealiseerd, waardoor deze mogelijk ooit als slaapkamer kan worden gebruikt, maakt dit oordeel niet anders.
15. Met de beantwoording van bovenstaande vragen, is de rechtbank van oordeel dat de omgevingsplanactiviteit binnen het vigerende bestemmingsplan past en dat het college terecht geen weigeringsgrond heeft aangenomen. Gelet op het limitatief-imperatief karakter van het toetsingskader, staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank vast dat de omgevingsvergunning voor het tuinhuis rechtmatig is verleend.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Evenmin krijgen zij vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.E.J. Maas, rechter,
in aanwezigheid van K. Timmermans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 30 april 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet
Artikel 5.1 lid 1 aanhef onder a
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.18
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
2. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.
3. Artikel 2.32, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op die regels.
Artikel 5.21
1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:
a. de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,
b. de omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
c. op de beslissing of de omgevingsvergunning in een geval als bedoeld onder b kan worden verleend als het gaat om een omgevingsplanactiviteit anders dan van provinciaal of nationaal belang geheel en als het gaat om een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing zijn:
1° de op grond van de artikelen 2.22 en 2.24 gestelde regels over omgevingsplannen,
2° de op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 gegeven instructies over omgevingsplannen.
3. De regels, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, onder 1°, strekken er ook toe dat als in een op grond van artikel 2.22 gestelde regel toepassing is gegeven aan artikel 2.32, eerste lid, een verzoek als bedoeld in laatstbedoeld lid ook kan worden gedaan door Onze Minister die het aangaat.
4. Van het tweede lid kan worden afgeweken voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een maatwerkregel.
Artikel 22.1 onder c
In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit:
c.de regels waarvoor op grond van artikel 22.2, eerste lid, is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan.
Artikel 22.2 lid 1
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat regels die voor de inwerkingtreding van deze wet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels al dan niet tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0a
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsplan gemeente Weert
Artikel 22.29
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
1.de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
2.bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
a. het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
b. het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Bestemmingsplan Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy
Artikel 1.35
BIJGEBOUW
een al dan niet aangebouwd gebouw of uitbouw, dat in bouwkundig en ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en bestaat uit één bouwlaag, al dan niet voorzien van een kap, waarbij de kap niet geheel of gedeeltelijk met een plat dak afgedekt mag worden.
Artikel 1.38
BOUWLAAG
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
Artikel 1.146
WONING
een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend dient voor de huisvesting van één zelfstandige huishouding.
Artikel 1.149
ZOLDER
ruimte(n) in een gebouw die geheel of gedeeltelijk is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht deel uitmaakt/uitmaken van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen. Van een zolder is geen sprake indien de desbetreffende ruimte gelijkwaardig is aan de verblijfsruimten op de bouwlagen onder deze ruimte.
Artikel 17.2.2. onder b
b. Per bouwperceel zijn niet meer woningen toegestaan dan:
1. er bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' een afwijkend aantal is aangegeven;
2. er kunnen worden gebouwd krachtens een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aangevraagde omgevingsvergunning;
3. er kunnen worden gebouwd krachtens de afwijkingsmogelijkheden in artikel 17.4.3 en artikel 17.4.4