RECHTBANK LIMBURG
beslissing
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/349969 / HA RK 26-36
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker] ,
verblijvend in het JC [plaats] ,
hierna: verzoeker
dat strekt tot wraking van mr. M.T.A.C. Russel, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.
1. De procedure
Bij de aanvang van de zitting van 26 februari 2026 in de procedure strekkende tot beroep tegen een crisismaatregel heeft [verzoeker] een verzoek tot wraking ingediend tegen de rechter.
Op 27 februari 2026 heeft de rechter de wrakingskamer bericht niet in het verzoek tot wraking te berusten en op 1 maart 2026 heeft zij haar schriftelijke reactie op het verzoek ingediend.
2. De beoordeling
Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn.
Verzoeker heeft op 29 januari 2026 beroep ingesteld tegen een op 20 januari 2026 door de burgemeester van Venray opgelegde crisismaatregel. Het beroepschrift in de onderliggende zaak is namens verzoeker bij de rechtbank Limburg ingediend door [naam] , senior casemanager ISD, die overigens niet betrokken is bij de zaak maar zich wel bereid heeft verklaard de oproeping te ontvangen en de zittingsdatum aan verzoeker door te geven. Op 23 februari 2026 is een oproeping voor de zitting naar [naam] verstuurd, nu verzoeker verblijft in justitieel complex [plaats] waar hij niet beschikt over een eigen e-mailadres. Op de dag van de zitting, 26 februari 2026, is er een videoverbinding met JC [plaats] tot stand gebracht zodat verzoeker met behulp van telehoren bij de zitting aanwezig kon zijn en gehoord kon worden.
Bij aanvang van de zitting maakt verzoeker bezwaar tegen de mondelinge behandeling omdat hij de oproeping niet zou hebben ontvangen. De rechter stelt vervolgens vast dat de oproeping op 23 februari 2026 is verzonden en dat zij er van uit gaat dat de oproeping verzoeker heeft bereikt en verzoeker op de hoogte is van de mondelinge behandeling op 26 februari 2026. Desgevraagd deelt de rechter aan verzoeker mede dat de mondelinge behandeling ziet op het beroep dat verzoeker op 20 januari 2026 heeft ingediend tegen de opgelegde crisismaatregel. Als de rechter ter zitting opmerkt dat verzoeker tijdig is geïnformeerd en dat hij er met een stapeltje papieren voor zich voorbereid uitziet wraakt hij de rechter. Hij is het niet eens met het telehoren, hij zegt dat er vertraging op de lijn zit en dat hij het niet kan volgen, hij wil fysiek gehoord worden en stelt dat hij geen goede verdediging kan voeren. Verder stelt hij dat de PI, de rechterlijke macht en de geneesheer-directeur van de Rooyse Wissel onder een hoedje spelen en desinformatie verspreiden.
De rechter merkt in haar reactie op dat, ook voor haar, fysiek horen de voorkeur heeft maar dat er, mede gelet op de korte termijn en uit praktische overwegingen voor is gekozen om van telehoren gebruik te maken. Daarbij is haar niets gebleken van een slechte verbinding. Het beeld en geluid waren helder en van een vertraging was ook geen sprake.
De wrakingskamer is van oordeel dat het telehoren geoorloofd is en dat de beslissing om te kiezen voor telehoren bovendien een procesbeslissing van de rechter is.
Een procesbeslissing waar een procesdeelnemer zich niet in kan vinden, is geen grond om een wrakingsverzoek toe te wijzen en te oordelen dat deze beslissing de onpartijdigheid van de rechter raakt. Alleen als een procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dit tot een ander oordeel leiden. Daarvan is hier geen sprake.
Omdat er verder geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die anderszins een aanwijzing opleveren voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende omstandigheid, is het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond.
Omdat de resterende stelling van verzoeker, inhoudende dat de PI en de Rooyse Wissel onder een hoedje spelen met de rechtbank, niet nader is onderbouwd kan deze stelling op geen enkele wijze een aanwijzing opleveren voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter laat staan dat het een zwaarwegende omstandigheid oplevert. Het verzoek tot wraking is daarom kennelijk ongegrond.
3. De beslissing
De wrakingskamer
- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.J. Otto, mr. C.G.A. Wouters en mr. M.M. Beije, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.