RECHTBANK LIMBURG
beslissing
Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/350533 / HA RK 26-50
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker 1] , thans verblijvende -in geschorste uitleveringsdetentie- in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),
hierna: verzoeker 1,
en
[verzoeker 2] , thans UAH gedetineerd in de P.I. [plaats] ,
hierna: verzoeker 2,
raadsman mr. Y. Moszkowicz en mr S. de Jager, advocaten te Utrecht,
dat strekt tot wraking van de meervoudige strafkamer bestaande uit mr. G.H. Hermanides, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. S.A.M.C. van de Winkel, rechters in de rechtbank Limburg, hierna de rechters.
1. De procedure
Tijdens de terechtzitting op 16 maart 2026 heeft mr. Moszkowicz in de zaken van [verzoeker 1] (parketnummer 03.020058.22) en [verzoeker 2] (parketnummer 03.243471.21) namens beide verdachten de leden van de meervoudige strafkamer gewraakt. De wrakingskamer heeft van elke zaak een proces-verbaal van de zitting en een proces-verbaal van wraking ontvangen.
De rechters hebben de wrakingskamer bericht niet in het verzoek te berusten. Zij hebben aangegeven dat de gewraakte tussentijdse processuele beslissingen geen blijk geven van enige vooringenomenheid en dat de wraking derhalve ongegrond is.
De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking op 17 maart 2026 behandeld. Verschenen zijn namens verzoekers mr. Moszkowicz en mr. de Jager, de rechters van de meervoudige strafkamer en de officier van justitie mr. S. Luthuli.
De wrakingskamer heeft mondeling uitspraak gedaan op 17 maart 2026, een uitwerking van de beslissing is op 25 maart 2026 gevolgd.
2. De gronden van het verzoek
De rechtbank heeft twee zelfstandige aanhoudingsverzoeken in de zaak van [verzoeker 1] respectievelijk [verzoeker 2] afgewezen. Beide afwijzingen zijn naar het oordeel van de raadsman zodanig onbegrijpelijk dat daarmee de schijn van rechterlijke vooringenomenheid is gewekt.
In de zaak [verzoeker 1] overwoog de rechtbank het volgende:
Aanhoudingsverzoek: aanwezigheidsrecht van de verdachte.
Het aanwezigheidsrecht is een groot goed. Dit wordt door de verdediging benadrukt en goed onderbouwd. Dit wordt ook door de rechtbank onderkend (zie in dit verband ook het eerdere aanhoudingsproces-verbaal van de zitting van februari 2025). Al meerdere keren is gesproken over de aanwezigheid van de verdachte. Eerder is ook aangegeven door de verdediging dat de verdachte er binnen een week kan zijn, indien hij wil. Hij stelde daar toen een voorwaarde aan (garantie van schorsing VH bij terugkomst in NL), waaraan niet kon worden voldaan. Dit betekent dat hij (in ieder geval destijds) weg kan en dat hij het in de eigen macht heeft wanneer hij hier komt. De zittingsdatum van vandaag was al
8 maanden bekend. Niet blijkt welke pogingen hij in de tussentijd heeft genomen om hier aanwezig te zijn en welke juridische obstakels hij sedertdien heeft ondervonden. Dat de geopolitieke situatie het vluchtverkeer nu belemmert, maakt zulks niet anders aangezien deze situatie pas 18 dagen geleden is aangevangen en hij dus al veel eerder actie had moeten ondernemen om hier vandaag aanwezig te zijn. Waar vorig jaar gezegd werd dat hij hier binnen 1 week zou kunnen zijn, wordt nu tijdens deze zitting aangegeven dat de verdachte hier binnen twee maanden kan zijn. Onduidelijk is welke procedure hij nu voert, in welke stand deze zich bevindt en welke eisen hij stelt aan zijn terugkeer. In dit verband kan nog worden opgemerkt dat de medeverdachte Hollands wel vanuit de VAE naar Nederland is kunnen afreizen om bij deze zitting aanwezig te kunnen zijn. Hoewel de medeverdachte Hollands in uitleveringsdetentie zat, en de verdachte een uitreisverbod heeft, maakt dat de vraag of de verdachte tijdig naar Nederland had kunnen komen, niet anders. De belangenafweging van enerzijds het aanwezigheidsrecht en anderzijds het strafvorderlijk belang van tijdige afdoening, maakt nu dat het aanwezigheidsrecht (hoe belangrijk ook) moet wijken voor het strafvorderlijk belang.
Overige aanhoudingsverzoeken.
Al de andere aanhoudingsverzoeken strekken ertoe om meer feitelijke duidelijkheid te verkrijgen. De verzoeken hebben betrekking op de rechtmatigheid, betrouwbaarheid en bewijskracht van het bewijsmateriaal. Dit zijn verweren die tijdens de inhoudelijke behandeling aan de orde zullen komen (en ook al aangekondigd zijn). De rechtbank gaat uit van het dossier zoals dat nu is gepresenteerd. Voor zover het verweer dus ziet op rechtmatigheid, betrouwbaarheid en volledigheid, kunnen die verweren bij pleidooi worden gevoerd. De noodzaak tot het op voorhand aanvullen van stukken, is daarbij onvoldoende onderbouwd. Het onderhavige dossier biedt in samenhang met de door de verdediging gestelde feiten en omstandigheden (die te zijner tijd op juistheid en relevantie nader zullen worden beoordeeld) voldoende informatie om de verdediging adequaat te faciliteren in het kader van de voorbereiding van verweren die zien op de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal.
Alle andere verzoeken zal de rechtbank betrekken bij haar beraadslagingen naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling en zullen er thans niet toe leiden dat de zaken worden aangehouden.
Wrakingsgronden inzake [verzoeker 1]
Ondanks de erkenning van de rechtbank dat het aanwezigheidsrecht een fundamenteel belang vertegenwoordigt en dat de onderbouwing van dit belang op voldoende wijze is aangetoond miskent de rechtbank het belang van de context van de uitlating dat cliënt ‘binnen een week’ zou kunnen komen. Door deze mededeling thans te gebruiken als argument tegen de aanhouding trekt de rechtbank de uitlating uit haar feitelijke en processuele context. [verzoeker 1] heeft aangegeven dat hij bereid is te verschijnen mits hij op voorhand de garantie zou krijgen dat zijn voorlopige hechtenis zou worden geschorst. De rechtbank weigert nu de aanhouding met een beroep op diezelfde bereidheid. Deze cirkelredenering raakt het aanwezigheidsrecht in zijn kern en valt niet te rijmen met een onbevooroordeelde motivering.
De raadsman stelt dat de verdachte niet kan vertrekken door de door het OM geïnitieerde uitleveringsprocedure en het daaruit voortvloeiende uitreisverbod. Intrekking van de uitleveringsprocedure door het OM en de toezegging van schorsing van de voorlopige hechtenis bij binnenkomst in Nederland, zou het uitoefenen van het aanwezigheidsrecht van verdachte mogelijk maken. De rechtbank heeft de blokkerende rol van het OM niet in haar overweging betrokken.
De raadsman voert voorts aan dat zijn cliënt zich heeft ingespannen een rechtszaak te bewerkstelligen teneinde zijn uitlevering te bespoedigen, en dat hij verwacht dat hij daarover binnen twee maanden uitsluitsel zal krijgen. Omdat dit gegeven bij de eerdere zitting niet bekend was dient het – als concreet en ter zake dienend nieuw feit - zwaar mee te wegen in de belangenafweging. Gelet op het fundamentele karakter van het aanwezigheidsrecht, de beperkte duur van de gevraagde vertraging en de concrete onderbouwing ervan, is de afwijzing zonder deugdelijke motivering omtrent het nieuwe gegeven niet te begrijpen. De rechtbank heeft nagelaten dit element kenbaar in haar overweging te betrekken, wat wijst op een niet-onbevooroordeelde beoordeling van het verzoek.
De raadsman concludeert dat een combinatie van de genoemde omstandigheden een beslissing oplevert die naar objectieve maatstaven gemeten onbegrijpelijk is.
Dit maakt dat de vrees van zijn cliënt dat de rechtbank zijn belangen niet onbevooroordeeld heeft afgewogen, objectief is gerechtvaardigd.
In de zaak [verzoeker 2] overwoog de rechtbank het volgende:
Aanhoudingsverzoek: het horen van de medeverdachte [verzoeker 1] als getuige.
Voor zover is verzocht om de medeverdachte [verzoeker 1] als getuige te horen, heeft te gelden dat hierover de rechtbank al eerder heeft beslist en dat verzoek al heeft afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om opnieuw op de herhaalde verzoeken te beslissen.
Overige aanhoudingsverzoeken.
Al de andere aanhoudingsverzoeken strekken ertoe om meer feitelijke duidelijkheid te verkrijgen. De verzoeken hebben betrekking op de rechtmatigheid, betrouwbaarheid en bewijskracht van het bewijsmateriaal. Dit zijn verweren die tijdens de inhoudelijke behandeling aan de orde zullen komen (en ook al aangekondigd zijn). De rechtbank gaat uit van het dossier zoals dat nu is gepresenteerd. Voor zover het verweer dus ziet op rechtmatigheid, betrouwbaarheid en volledigheid, kunnen die verweren bij pleidooi worden gevoerd. De noodzaak tot het op voorhand aanvullen van stukken, is daarbij onvoldoende onderbouwd. Het onderhavige dossier biedt in samenhang met de door de verdediging gestelde feiten en omstandigheden (die te zijner tijd op juistheid en relevantie nader zullen worden beoordeeld) voldoende informatie om de verdediging adequaat te faciliteren in het kader van de voorbereiding van verweren die zien op de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal.
Alle andere verzoeken zal de rechtbank betrekken bij haar beraadslagingen naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling en zullen er thans niet toe leiden dat de zaken worden aangehouden.
Wrakingsgronden inzake [verzoeker 2]
Het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM omvat het recht op effectieve verdediging, waaronder het recht om getuigen à décharge op te roepen en te doen horen. Dit recht staat niet los van de verplichting van de rechter om in zijn procesbeleid rekening te houden met de belangen van de verdediging bij het verzamelen en presenteren van relevant bewijs. Wanneer de verdediging concreet heeft aangegeven dat sprake is van een voor de zaak beslissende getuige die op korte termijn beschikbaar kan zijn, brengt een eerlijke procesvoering mee dat de mogelijkheid die getuige alsnog te horen serieus wordt afgewogen voordat een zaak inhoudelijk wordt voortgezet.
Het doorzetten van de inhoudelijke behandeling terwijl een voor de verdediging beslissende getuige op korte termijn beschikbaar kan zijn, is een beslissing die niet te rijmen valt met een onbevooroordeelde weging van betrokken belangen. Van een zorgvuldige afweging tussen het belang van een voortvarende berechting enerzijds en het belang van volledigheid van het onderzoek ter terechtzitting anderzijds, geeft de beslissing geen blijk.
De beslissing is zodanig onbegrijpelijk dat zij de objectief gerechtvaardigde schijn wekt dat de rechtbank niet heeft gehandeld vanuit een onbevooroordeelde afweging van alle relevante belangen
3. De beoordeling
Juridisch kader
Ingevolge artikel 6, lid 1, EVRM heeft eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 512 Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking geldt dat een rechter uit hoofde van zijn/haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, of dat de bij verzoeker daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich evenzeer ertegen dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. (ECLI:NL:HR:2018:1413)
Het oordeel van de wrakingskamer
In een langlopende strafzaak, gestart in 2021, is in de aanloop naar de terechtzitting van 17 maart 2026 een aanhoudingsverzoek in de zaken van twee van de vier verdachten gedaan. Het oordeel van de wrakingskamer wordt gevraagd in een wrakingsverzoek gedaan namens twee verdachten. [verzoeker 1] heeft aanhouding verzocht omdat hij van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. [verzoeker 2] wil aanhouding omdat hij medeverdachte [verzoeker 1] als getuige wil horen. De rechtbank heeft beide aanhoudingsverzoeken afgewezen.
De redenering van verzoekers raadsman dat de motivering van de afwijzing van deze aanhoudingsverzoeken zodanig onbegrijpelijk is dat daarmee de schijn van vooringenomenheid is gewekt volgt de wrakingskamer niet. Zij is van oordeel dat noch uit de procesbeslissingen van de meervoudige strafkamer noch uit de motivering ervan naar objectieve maatstaven gemeten blijkt van een objectieve gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.
De beoordeling van de vraag of de rechtbank wellicht op onjuiste, onbegrijpelijke of gebrekkige gronden heeft geoordeeld zoals in de uitspraak van de Hoge Raad is bedoeld, is aan de appelrechter en niet aan de wrakingskamer.
Het verzoek is dan ook ongegrond.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.A.G. van Baal, mr. R.A.J. van Leeuwen en
mr. J.M.E. Derks, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen als griffier. In het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 en schriftelijk vastgelegd op 25 maart 2026.