RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1573
(gemachtigde: mr. M.B. de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul
(gemachtigde: mr. M.T.A. Hölzmann).
1. Deze uitspraak gaat over een handhavingsverzoek van eiser, gericht aan het college. Eiser heeft verzocht om parkeerplaatsen te verwijderen die volgens hem in strijd zijn met het omgevingsplan en tevens handhavend op te treden tegen fout geparkeerde auto’s op grond van artikel 170 Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). Het college heeft naar aanleiding van het handhavingsverzoek de parkeerplaatsen verwijderd. Op het onderdeel dat ziet op handhavend optreden op grond van de Wvw 1994 heeft het college niet beslist. Eiser wenst dat het college ook op dit onderdeel een inhoudelijke reactie geeft en is het er niet mee eens dat het college hierover in het geheel niet heeft beslist. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in bezwaar geen volledige heroverweging heeft gemaakt. Om die reden is het beroep van eiser gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 19 juni 2024 heeft eiser het college verzocht om handhavend op te treden tegen de vermeende illegale aanleg van parkeerplaatsen en tevens handhavend op te treden tegen fout geparkeerde auto’s op grond van de Wvw 1994.
Met het besluit van 3 december 2024 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen.
Eiser heeft tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek bezwaar gemaakt. Het college heeft met zijn beslissing op bezwaar van 27 mei 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiser gegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Het handhavingsverzoek
3. Eiser heeft op 19 juni 2024 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Eiser verzoekt daarin handhavend op te treden tegen de naar zijn mening onrechtmatig aangelegde parkeerplaatsen aan de Plenkenstraat in Valkenburg. Daarnaast verzoekt eiser het college om actief toezicht te houden op de naleving van het omgevingsplan op deze locatie, zodat parkeerovertredingen in de toekomst worden voorkomen.
Het college heeft op dit handhavingsverzoek gereageerd met een voorgenomen besluit. Hierin stelt het college zich op het standpunt dat de parkeerplaatsen niet in strijd zijn met het omgevingsplan. Ten aanzien van het verzoek om actief toezicht te houden op de naleving van het omgevingsplan stelt het college dat dit een verzoek is om feitelijk handelen en dat dit geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om die reden hoeft het college hier geen besluit op te nemen.
Eiser heeft tegen dit voorgenomen besluit een zienswijze ingediend. Hierin heeft eiser nader toegelicht dat de parkeerplaatsen in strijd zijn met het omgevingsplan en dat het college op grond van artikel 170 Wvw 1994 bevoegd is om handhavend op te treden tegen fout geparkeerde auto’s.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer mag worden uitgebreid. Nu het handhavingsverzoek van eiser vóór het primaire besluit (namelijk ten tijde van de zienswijze) is gespecificeerd of uitgebreid, is de rechtbank van oordeel dat dit is toegestaan. De rechtbank neemt daarom het handhavingsverzoek inclusief de zienswijze als uitgangspunt voor de beoordeling. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser om handhaving heeft verzocht tegen onrechtmatig aangelegde parkeerplaatsen aan de Plenkenstraat te Valkenburg en dat eiser het college heeft verzocht om op grond van artikel 170 Wvw 1994 handhavend op te treden tegen fout geparkeerde auto’s.
In het besluit van 3 december 2024 heeft het college deze handhavingsverzoeken van eiser afgewezen. Het college heeft daarbij overwogen dat zowel het verzoek tot verwijdering van de parkeerplaatsen als het verzoek om toezicht te houden op naleving van het omgevingsplan, niet aangemerkt kan worden als een handhavingsverzoek maar als een verzoek om feitelijke handelingen te verrichten.
De bezwaarfase
4. In bezwaar is het college teruggekomen op zijn eerdere standpunt en is het handhavingsverzoek van eiser alsnog aangemerkt als een aanvraag in de zin van 1:3 van de Awb. In de beslissing op bezwaar heeft het college, met inachtneming van het advies van de commissie bezwaarschriften Valkenburg aan de Geul, het besluit van 3 december 2024 herroepen en het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Het college heeft het bezwaar gegrond verklaard omdat de parkeerplaatsen volgens het college in strijd zijn met het omgevingsplan. Het nieuwe besluit luidt:
‘’ Gelet op het voorgaande, hebben wij besloten om binnen een termijn van twee weken na het verzenden van dit besluit, de aangebrachte markeringen en het bord ‘P’ met de tekst ‘’uitsluitend in de vakken’’ te (laten) verwijderen, zodat geen sprake meer is van een ‘parkeerterrein’.‘’
Uit de processtukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de parkeervakken en het parkeerbord inmiddels zijn verwijderd.
Het beroep van eiser
5. Eiser voert aan dat het college heeft nagelaten om in bezwaar een volledige heroverweging te maken. Volgens eiser had het college in de beslissing op bezwaar niet alleen moeten beslissen over het verzoek om verwijdering van de parkeerplaatsen, maar ook over het deel van het handhavingsverzoek dat ziet op het verzoek om handhavend op te treden tegen fout geparkeerde auto’s op grond van artikel 170 Wvw 1994. Nu het college op dat onderdeel geen besluit heeft genomen is de beslissing op bezwaar onvolledig en in strijd met de plicht tot een volledige heroverweging in bewaar.
Beoordeling door de rechtbank
6. Op grond van artikel 7:11 van de Awb dient in bezwaar een volledige heroverweging plaats te vinden van het primaire besluit. De rechtbank stelt vast dat het verzoek van eiser er in de kern op neerkomt dat hij van het college verlangt dat extra controles worden uitgevoerd om te voorkomen dat auto’s fout geparkeerd worden en zo het omgevingsplan wordt overtreden. De rechtbank is van oordeel dat eiser het college verzoekt tot het verrichten van feitelijke handelingen, namelijk het houden van extra controles. Een dergelijk verzoek kan niet worden aangemerkt als een aanvraag om een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie te nemen, zodat een reactie daarop niet als besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt en bezwaar daartegen niet mogelijk is. Om die reden had het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk moeten verklaren. Zelfs indien het verzoek van eiser wel als een aanvraag zou moeten worden opgevat, dan is de rechtbank van oordeel dat het verzoek onvoldoende concreet is. In het verzoek heeft eiser niet gewezen op concrete overtredingen en evenmin heeft eiser in zijn verzoek gewezen op concrete overtreders. Ook in dat geval is de reactie van het college geen besluit in de zin van de Awb en had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.
7. Gezien het voorgaande had het college in het kader van een volledige heroverweging het deel van het bezwaar dat ziet op handhaving op grond van artikel 170 Wvw 1994 niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dit heeft het college niet gedaan en in zoverre is het beroep dus gegrond. De rechtbank merkt daarbij wel op dat het gegrond verklaren van het beroep in dit geval niet betekent dat eiser daadwerkelijk gelijk krijgt. Eiser wenst namelijk een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar en dat had het college van de rechtbank niet hoeven te doen. Het beroep is alleen gegrond omdat het college het verkeerde dictum heeft gebruikt, niet omdat het college tot inhoudelijke behandeling van het bezwaar had moeten overgaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op het niet beslissen over het deel van het handhavingsverzoek dat ziet op handhaving op grond van artikel 170 Wvw 1994. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien omdat de uitkomst in het geval het college opnieuw op het bezwaar zou beslissen, geen andere zou kunnen zijn dan dat het bezwaar ten aanzien van dit verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit betekent dat deze uitspraak in de plaats treedt van het deel van het bestreden besluit waarop het college niet heeft gereageerd. Het college hoeft dus geen nieuw inhoudelijk besluit op het bezwaar te nemen.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze wordt, volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 1.868,- (2 punten à € 934,-, wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026.
De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.