RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12024705 \ CV EXPL 25-5869
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
ENEXIS NETBEHEER B.V.,
te 's-Hertogenbosch,
eisende partij,
hierna te noemen: Enexis,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 16 december 2025 met producties A en 1 tot en met 4;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek met producties 5 tot en met 7;- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Enexis is aangewezen als regionale netbeheerder in de zin van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet.
[gedaagde] huurt de woning aan [adres] (hierna: het leveringsadres) en heeft daar een energieleveringscontract gehad met energieleverancier Oxxio. Per 5 december 2023 heeft energieleverancier Oxxio het energieleveringscontract beëindigd.
Enexis heeft geconstateerd dat op het leveringsadres wel nog energie wordt afgenomen, maar zonder dat er een contract met een energieleverancier bestaat.
Bij vonnis van 24 juli 2024 in de zaak met zaaknummer 11019608 \ CV EXPL 24-1662 heeft de kantonrechter bepaald dat Enexis gerechtigd is tot het afsluiten van de energietoevoer (gas en elektriciteit) aan het leveringsadres.
Op 29 januari 2025 heeft de deurwaarder de gastoevoer afgesloten en besloten om de elektriciteitstoevoer niet af te sluiten in verband met de (medische) situatie van [gedaagde] .
Bij brief van 30 januari 2025 heeft Enexis bij [gedaagde] € 1.945,15 in rekening gebracht in verband met nog niet eerder in rekening gebracht verbruik van gas op het leveringsadres over de periode 5 december 2023 tot 29 januari 2025.
Bij brieven van 18 februari 2025 en 12 maart 2025 heeft Enexis [gedaagde] een aanmaning gestuurd respectievelijk een laatste betaalmogelijkheid gegeven ter zake het verbruikt gas.
Bij brief van 21 april 2025 heeft Enexis [gedaagde] gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 2.474,99 vóór 29 april 2025. [gedaagde] heeft niet betaald.
Met ingang van 3 maart 2025 heeft [gedaagde] een energieleveringscontract voor elektriciteit met energieleverancier Energiedirect.
Bij brief van 16 juni 2025 heeft Enexis bij [gedaagde] € 674,28 in rekening gebracht in verband met nog niet eerder in rekening gebracht verbruik van elektriciteit op het leveringsadres over de periode 5 december 2023 tot 3 maart 2025.
Bij brieven van 5 en 29 juli 2025 heeft Enexis [gedaagde] een aanmaning gestuurd respectievelijk een laatste betaalmogelijkheid gegeven ter zake de verbruikte elektriciteit. [gedaagde] heeft niet betaald.
3. Het geschil
Enexis vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 2.833,71, vermeerderd met rente over € 2.619,43 en in de proceskosten.
Enexis legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat [gedaagde] via het netwerk van Enexis energie heeft afgenomen gedurende een periode waarin hij geen contract had met een energieleverancier. In die periode heeft [gedaagde] niet betaald voor de afgenomen energie en de transport- en aansluitkosten en heeft hij gebruik gemaakt van de meetinstallatie die aan Enexis in eigendom toebehoort. Hiermee handelt [gedaagde] onrechtmatig jegens Enexis dan wel is hij ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van Enexis.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Enexis of tot matiging van het toe te wijzen bedrag, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Enexis in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Schadevergoeding (hoofdsom)
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat sprake is van ongevraagde levering van energie aan hem als consument, zo begrijpt de kantonrechter. Als daarvan sprake is, dan is op grond van artikel 7:7 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het rechtsgevolg dat [gedaagde] niet voor die energie zou hoeven te betalen. De kantonrechter verwerpt dat verweer. [gedaagde] betoogt namelijk dat de beëindiging van de levering van gas en elektriciteit door energieleverancier Oxxio mogelijk onrechtmatig was. Hierin ligt besloten dat Oxxio dat volgens [gedaagde] niet had mogen doen en dat [gedaagde] dan ook de wil had om gas en elektriciteit geleverd te blijven krijgen. Van ongevraagde levering daarvan is dan ook geen sprake.
Enexis baseert haar vordering onder meer op ongerechtvaardigde verrijking. Voor een geslaagd beroep hierop moet vast komen te staan dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Enexis en dat Enexis is verarmd. [gedaagde] is van mening dat Enexis niet heeft voldaan aan haar stelplicht en dat zij haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Dit verweer slaagt niet. Enexis heeft namelijk voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan blijken dat aan de vereisten van artikel 6:212 lid 1 BW is voldaan en zij heeft haar vordering – in het licht van de standpunten van [gedaagde] – voldoende onderbouwd waardoor de vergelijking die [gedaagde] maakt met een uitspraak van rechtbank Overijssel en een uitspraak van rechtbank Midden-Nederland niet opgaat. [gedaagde] betwist namelijk niet dat hij in de periode van 5 december 2023 tot 29 januari 2025 respectievelijk 3 maart 2025 op het leveringsadres woonde, dat hij in die periodes gas en elektriciteit heeft gebruikt en dat daarvoor geen redelijke grond bestond. Hiermee is vast komen te staan dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt. Ook betwist [gedaagde] niet dat Enexis de leverancier was van het door hem verbruikte gas en elektriciteit en dat Enexis daarvoor geen betaling heeft ontvangen, terwijl zij wel de daartegenover staande kosten heeft gehad. Dat Enexis is verarmd en dat deze verarming in voldoende verband staat met de verrijking van [gedaagde] is daarmee ook vast komen te staan. Hieruit volgt dat [gedaagde] schadevergoeding moet betalen aan Enexis.
De vordering van Enexis bestaat uit de tarieven en belastingen voor de verbruikte eenheden aan elektriciteit en gas, de netbeheerkosten aansluiting, de onderzoeks- en verwerkingskosten van Enexis en 21 procent aan btw.
[gedaagde] is ook ten aanzien van de omvang van de schadevergoeding van mening dat Enexis niet heeft voldaan aan haar stelplicht en dat zij haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Dit verweer slaagt niet. [gedaagde] betwist namelijk de juistheid van de meterstanden en de door Enexis toegepaste tarieven niet. In het licht daarvan heeft Enexis ook met betrekking tot de omvang van de schade voldoende feiten en omstandigheden gesteld aan de hand waarvan dat kan worden vastgesteld en zij heeft de omvang van haar schade voldoende onderbouwd.
De omvang van het door [gedaagde] aan Enexis te betalen bedrag wordt bepaald aan de hand van artikel 6:212 BW en de algemene regels van het schadevergoedingsrecht van afdeling 10 van titel 1 van boek 6 BW.
De door [gedaagde] aan Enexis te betalen vergoeding gaat niet verder dan de verrijking van [gedaagde] . De kantonrechter is van oordeel dat de verrijking heeft bestaan uit de tarieven en belastingen voor verbruikte eenheden aan elektriciteit en gas, de netbeheerkosten aansluiting en de btw. Als er wel een contract was geweest met een energieleverancier, dan had [gedaagde] die kosten namelijk moeten betalen. Enexis is wat deze kosten betreft ook verarmd, want zij heeft die kosten wel gemaakt. Dat de vordering is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking en niet op een contractuele levering maakt geen verschil omdat dat op zichzelf niets zegt over of energiebelasting en btw moet worden afgedragen door Enexis.
Wat betreft de onderzoeks- en verwerkingskosten en de btw daarover kan weliswaar niet worden vastgesteld dat [gedaagde] daardoor is verrijkt, maar dit zijn redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 onderdeel b BW als gevolg van de ongerechtvaardigde verrijking door [gedaagde] .
De conclusie is dat [gedaagde] een bedrag van € 2.619,43 aan Enexis zal moeten betalen. De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden geven geen aanleiding om het toe te wijzen bedrag te matigen. [gedaagde] heeft immers gas en elektriciteit verbruikt en daarvoor zal hij moeten betalen, ongeacht zijn medische situatie en afhankelijkheid. Dat volgens [gedaagde] een concrete schadeonderbouwing en een contractuele relatie ontbreekt is een omstandigheid die reeds is beoordeeld in rechtsoverwegingen 4.2 en 4.6.
Omdat de vordering van Enexis volledig toewijsbaar is op grond van ongerechtvaardigde verrijking hoeven de stellingen die partijen hebben ingenomen over de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad niet te worden beoordeeld.
Wettelijke rente
Enexis vordert € 113,14 aan wettelijke rente tot de dag van dagvaarding en de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. De kantonrechter begrijpt dat zij hiermee de wettelijke rente van artikel 6:119 BW bedoelt te vorderen aangezien de door Enexis gevorderde schadevergoeding geen geldsom is die verband houdt met een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat nu hij geen hoofdsom is verschuldigd, ook de grondslag voor rente ontbreekt. Omdat de door Enexis gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen, slaagt dit verweer niet. De wettelijke rente zal worden toegewezen aangezien [gedaagde] in verzuim verkeert.
Buitengerechtelijke incassokosten
Enexis vordert € 101,14 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Uit de door Enexis gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Enexis vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten en worden daarom afgewezen. Omdat de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, hoeven de door [gedaagde] gevoerde verweren niet meer te worden beoordeeld.
Exhibitieverzoek
In de conclusie van dupliek verzoekt [gedaagde] de kantonrechter om Enexis te gelasten gegevens over te leggen en interne verrekenmechanismen inzichtelijk te maken omdat zonder deze gegevens de juistheid van de vordering niet kan worden getoetst en niet kan worden vastgesteld onder welke omstandigheden de contractloze periode is ontstaan. [gedaagde] heeft bij toewijzing hiervan onvoldoende belang omdat op grond van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan de kantonrechter de door Enexis gevorderde schadevergoeding zal toewijzen en daarmee juist acht. Op de omstandigheden waaronder de contractloze periode is ontstaan is heeft de kantonrechter acht geslagen. Een volledige chronologische klant- en mutatiehistorie is niet van belang.
Proceskosten
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Enexis worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,78
- griffierecht
€
529,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.282,28
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijke kwijting aan Enexis te betalen een bedrag van € 2.732,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.619,43, met ingang van 16 december 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.282,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.