RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/327888 / HA ZA 24-97
Vonnis van 13 mei 2026 in de zaak van:
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.J.F. Geertsen,
tegen:
[gedaagde] ,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S.J.H.G.M. Schils.
1. De procedure
Het verder verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2025,
- het rapport van de deskundige ( [deskundige 1] ) van 26 november 2025,
- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser] ,
- de conclusie partijen na deskundigenrapport van [gedaagde] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
De rechtbank verwijst naar de tussenvonnissen van 26 februari 2025 en 2 juli 2025. Aan de orde is de beoordeling van de vraag of [eiser] onrechtmatige hinder zal ondervinden van de door [gedaagde] geplande opbouw, die [gedaagde] op de bestaande aanbouw van zijn woning wil realiseren.
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] met de beoogde opbouw onrechtmatige hinder zal veroorzaken, in die zin dat de woning van [eiser] significant zal worden ingesloten en de bezonning van zowel zijn woning als tuin ernstig zal verminderen, hetgeen leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op zijn woongenot en eigendomsrecht. Dit wordt volgens [eiser] bevestigd door een bezonningsonderzoek (van de door [eiser] ingeschakelde deskundige [deskundige 2] ), dat aantoont dat de beoogde opbouw de bezonning en toetreding van daglicht significant zal verminderen. De beoogde opbouw leidt bovendien tot een aanzienlijke verhoging van de woning van [gedaagde] , hetgeen ernstige hinder oplevert in de vorm van een kokereffect, aldus [eiser] .
[gedaagde] heeft betwist dat de beoogde opbouw onrechtmatige hinder bij [eiser] teweeg zal brengen, onder meer verwijzend naar een bezonningsonderzoek van iTX dat op instigatie van [gedaagde] is uitgevoerd.
Gelet op de uiteenlopende conclusies in de deskundigenrapporten van [deskundige 2] en iTX heeft de rechtbank een eigen deskundige ( [deskundige 1] ) benoemd in het vonnis van 2 juli 2025. In de aan de deskundige voorgelegde vragen zijn de bezwaren van [eiser] tegen de beoogde opbouw (namelijk afname van zonlicht, afname van daglichttoetreding en afname van uitzicht/kokereffect) tot uitdrukking gebracht. De deskundige heeft hierover gerapporteerd in het rapport van 26 november 2025, waarna partijen hierop hebben gereageerd in hun conclusies na deskundigenrapport. De rechtbank zal de verschillende bevindingen van de deskundige – en de in dit kader door partijen betrokken stellingen – hierna stapsgewijs behandelen. Vervolgens zal, met inachtneming van de maatstaf zoals die in rechtsoverweging 4.2 van het vonnis van 26 februari 2025 is neergelegd, worden bepaald of sprake is van onrechtmatige hinder.
Kokereffect (uitzicht en ruimtelijke beleving)
Eén van de vragen die aan de orde is, is of door de voorgenomen opbouw op de aanbouw van de woning van [gedaagde] een zogenaamd kokereffect wordt veroorzaakt, zijnde een situatie waarbij het uitzicht vanuit een ruimte zodanig wordt beperkt dat een gevoel van insluiting of benauwdheid kan ontstaan. De deskundige heeft in dit kader de methode van [deskundige 2] (de door [eiser] ingeschakelde deskundige) onderschreven en heeft eveneens de fisheye-projectie gehanteerd (een geavanceerde verificatiemethode waarmee het volledige zichtveld (360°) vanuit een punt wordt gevisualiseerd). Ter aanvulling op de fisheye-projectie heeft de deskundige het zicht op de hemelkoepel kwantitatief berekend. Uit de berekening volgt dat de beoogde opbouw circa 14% van het zicht op de hemelkoepel wegneemt. Een reductie van deze omvang kan volgens de deskundige beschouwd worden als beperkt merkbaar: niet verwaarloosbaar, maar ook niet excessief.
De rechtbank overweegt dat uit de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] niet kan worden opgemaakt dat [gedaagde] zich nog (langer) tegen de fisheye-projectie verzet, zodat de rechtbank zal aansluiten bij die door de deskundige gehanteerde methode. Zowel [eiser] als [gedaagde] heeft de bevinding van de deskundige op dit punt, namelijk een afname van het zicht op de hemelkoepel van circa 14%, niet weersproken. [eiser] heeft in dit kader nog gesteld dat, hoewel dit niet als excessief kan worden aangemerkt, het wel een behoorlijk waarneembare verandering voor [eiser] betreft. Naar het oordeel van de rechtbank is die verandering niet zodanig ingrijpend dat [eiser] hiervan ernstige hinder zal ondervinden. De rechtbank onderschrijft de conclusie van de deskundige dat sprake is van een merkbare reductie van uitzicht, maar dat dit niet excessief is, hetgeen op zichzelf onvoldoende is om te kunnen spreken van hinder met een onrechtmatig karakter.
Daglichttoetreding
De deskundige heeft berekend dat met de beoogde opbouw een afname in daglichttoetreding zal optreden van 4,5% bij het raam op de begane grond en 3,2% bij het raam op de eerste verdieping. Die resultaten zijn niet door [eiser] of [gedaagde] ter discussie gesteld. Volgens de conclusie van de deskundige zijn deze verschillen ten opzichte van de huidige situatie marginaal te noemen. De rechtbank sluit zich daarbij aan en maakt deze conclusie tot de hare. Gelet hierop kan ten aanzien van de afname in daglichttoetreding evenmin worden gesproken van onrechtmatige hinder.
Zonlicht
In het kader van de bezonning heeft de deskundige gewezen op de door zowel iTX als [deskundige 2] uitgevoerde bezonningsonderzoeken. Daarbij heeft de deskundige vooropgesteld dat iTX de TNO-richtlijn (en daarbij horende ‘lichte’ TNO-norm) heeft gehanteerd, welke echter primair bedoeld is voor zuidgeoriënteerde gevels. Volgens de deskundige is vanwege de noordwestelijke oriëntatie van de achtergevel van de woning van [eiser] het behalen van deze norm niet realistisch en is de TNO-richtlijn daarom in dit geval niet geschikt. De rechtbank sluit zich hierbij aan, zodat de TNO-richtlijn niet zal worden gevolgd.
Bezonning in de woning/op de achtergevel
De deskundige heeft het gemiddeld aantal zonuren voor de achtergevel, voor het raam op de begane grond en voor het raam op de eerste verdieping berekend. Hierbij is de bestaande en de beoogde situatie (met de beoogde opbouw) in ogenschouw genomen en met elkaar vergeleken. Volgens de deskundige is de achtergevel noordwestelijk georiënteerd en ontvangt deze daardoor van nature een beperkt aantal zonuren, hoofdzakelijk in de late namiddag en in de avond. In de bestaande situatie bedraagt het gemiddeld aantal zonuren op de achtergevel circa 452 uur per jaar, terwijl dit met de beoogde opbouw afneemt tot 179 uur per jaar (– 60,4%). Het raam op de begane grond ontvangt in de huidige situatie circa 67 zonuren per jaar, maar zal in de nieuwe situatie geen directe zoninstraling meer ontvangen. Ook het raam op de eerste verdieping ondervindt volgens de deskundige een sterke afname (– 81,1%, namelijk van 477 zonuren per jaar naar 90 zonuren per jaar). De deskundige tekent daarbij wel aan dat de procentuele verschillen relatief groot lijken, omdat het absolute aantal zonuren op de achtergevel al laag is. De bevindingen van de deskundige kunnen als volgt worden samengevat:
[gedaagde] heeft gewezen op de opmerking van de deskundige dat de grote procentuele veranderingen (hierboven weergegeven in de rechter kolom) een vertekend beeld geven. De achtergevel ontvangt namelijk reeds een zeer beperkt aantal zonuren, zodat de procentuele verschillen groter lijken dan de werkelijke absolute afname. Deze absolute afname zou volgens de berekening van de deskundige bij de voorgevel leiden tot een reductie in zonlicht van 7,9% bij de achtergevel, 11,2% bij het raam op de verdieping en 1,9% bij het raam op de begane grond. Dit leidt volgens [gedaagde] niet tot onrechtmatige hinder.
De afname van het aantal zonuren is naar het oordeel van de rechtbank fors te noemen met 60,4% bij de achtergevel, 81,1% bij het raam op de eerste verdieping en zelfs 100% (en dus een vermindering naar nihil) bij het raam op de begane grond. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn betoog dat geen sprake is van onrechtmatige hinder, omdat de absolute afname van het aantal zonuren niet groot is. Juist bij een woning met een achtergevel op het noordwesten, waar als gevolg van die oriëntatie al relatief weinig zonlicht binnenkomt, heeft een opbouw zoals [gedaagde] die beoogt een groter effect dan wanneer de achtergevel van [eiser] op het zuiden had gelegen. Het feit dat de bezonning bij een dergelijke woning gering is, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het in deze situatie juist eerder hinder oplevert als de geringe bezonning verder wordt beperkt. De rechtbank weegt daarbij mee dat zij tijdens de plaatsopneming heeft waargenomen dat de ruimte aan de achterzijde van de woning op de begane grond (met de eettafel en keuken), waar [eiser] regelmatig verblijft, vrij donker is en geen zon vanuit andere invalshoeken krijgt. Het staat daarmee buiten kijf dat sprake zal zijn van (ernstige) hinder indien het raam van deze ruimte in het geheel geen zonlicht meer ontvangt.
In dit verband heeft [gedaagde] nog gesteld dat het hem is opgevallen dat [eiser] heel vaak de rolluiken bij deze ramen (aan de achtergevel) dicht heeft. Dit is echter een blote stelling, die niet nader is onderbouwd, en waar [eiser] niet meer op heeft kunnen reageren, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, afgezien van afname van het woongenot, de omstandigheid dat er minder zonuren zullen zijn in de beoogde situatie een negatieve invloed zal hebben op de waarde van de woning van [eiser] . Het doet daarom ook niet ter zake of de rolluiken wel of niet gesloten zijn.
Bezonning in de tuin
De deskundige heeft bij de bezonning in de tuin in de eerste plaats benoemd dat iTX een gemiddelde afname in zonuren van 22,1% heeft berekend over de gehele tuin en [deskundige 2] tot een reductie in zonuren van 27% is gekomen over de periode van 21 maart tot en met 21 oktober. Hoewel beide onderzoeken volgens de deskundige correct zijn, beschouwen zij de tuin als één geheel. Een segmentgerichte analyse geeft een nauwkeuriger beeld van de werkelijke verschillen binnen het perceel, aldus de deskundige. De deskundige heeft dit nader uitgewerkt in zijn rapport in de tabellen 4.3 tot en met 4.8, waarbij de tuin is opgedeeld in de volgende drie segmenten: (1) het hoog gelegen terras, (2) het laag gelegen terras tot aan de aanbouw en (3) het laag gelegen terras vanaf de aanbouw tot aan de achterzijde van de tuin.
[gedaagde] heeft gesteld dat de deskundige met zijn segmentgerichte analyse buiten het kader van de onderzoeksopdracht van de rechtbank is getreden. De rechtbank heeft immers verzocht om de bezonning van de tuin in zijn geheel te beoordelen.
De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Er zijn geen kaders aan de deskundige gesteld op grond waarvan hij zijn onderzoek van de bezonning in de tuin zou moeten uitvoeren. De deskundige heeft de opdracht op zijn manier ingevuld en is daarbij niet buiten de opdracht getreden. Weliswaar is de tuin opgeknipt in meerdere segmenten, maar de bezonning is ook beoordeeld en berekend voor de tuin in zijn geheel.
De deskundige heeft voor de drie segmenten berekeningen uitgevoerd voor het aantal zonuren op 10 centimeter boven maaiveld (representatief voor lage beplanting) en op 70 centimeter hoogte (representatief voor zithoogte/tafelhoogte). Hieruit volgt dat het aantal zonuren bij het hoog gelegen terras, (op jaarbasis) op 10 centimeter hoogte afneemt van 119 naar 21 zonuren per jaar (-82,4%) en op 70 centimeter hoogte van 194 naar 33 zonuren per jaar (-83%). Berekeningen van de afname over het zomerhalfjaar leiden tot vergelijkbare cijfers (respectievelijk 82,3% en 85,2% afname). De relatieve afname voor de twee andere segmenten liggen aanzienlijk lager. Voor het laag gelegen terras tot aan de aanbouw bedraagt de afname op jaarbasis bijvoorbeeld 36,5% (op 10 centimeter), dan wel 33,7% (op 70 centimeter). Voor het laag gelegen terras vanaf de aanbouw is dit op jaarbasis 10% (op 10 centimeter), respectievelijk 8,3% (op 70 centimeter). Voor de gehele tuin bedraagt de afname in zonuren op jaarbasis 23,8% (op 10 centimeter) dan wel 20,1% (op 70 centimeter). Bij zijn bevindingen heeft de deskundige opgemerkt dat ook in de huidige situatie het aantal zonuren in de tuin laag is vergeleken met de zonuren in open veld. Hierdoor leiden relatief kleine absolute verschillen in zonuren tot grote procentuele reducties, aldus de deskundige.
De rechtbank stelt voorop dat uit de bevindingen van de deskundige is gebleken dat – gelet op de indeling van de tuin en de grote verschillen tussen de segmenten – de beoordeling van het aantal zonuren per segment tot een beter inzicht leidt dan beoordeling van de tuin als geheel. De rechtbank neemt daarom de beoordeling per segment over. In dat verband stelt de rechtbank vast dat in ieder geval op het hoogst gelegen terras (het terras bij de woning) sprake is van een substantiële afname van het te verwachten aantal zonuren, waarbij op de beide gemeten hoogtes op jaarbasis in plaats van 119/194 zonuren slechts 21/33 zonuren overblijven (een reductie van ongeveer 83%). Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat door de beoogde opbouw sprake zal zijn van (ernstige) hinder bij [eiser] . Dat de afname van zonuren in de andere twee segmenten lager is, doet daaraan – mede gelet op de beperkte omvang van de tuin en daarmee het belang van het hoger gelegen terras – niet af. De omstandigheid dat genoemde percentages een vertekend beeld geven, omdat het huidige aantal zonuren op het hoog gelegen terras al laag is, maken dit oordeel evenmin anders. Zoals hiervoor reeds overwogen (rov. 2.11) geldt immers dat juist als het aantal zonuren al beperkt is een verdere afname van het aantal zonuren in verhouding veel invloed heeft op de beleving van de bezonning op het terras.
Is sprake van onrechtmatige hinder?
De omstandigheden ter plaatse
Gelet op het voorgaande kan als tussenconclusie worden getrokken dat [eiser] ernstige hinder zal ondervinden van de beoogde opbouw ten aanzien van de bezonning op de achtergevel (inclusief de ramen die zich daarin bevinden) en het hoog gelegen terras. Bij de beoordeling van de vraag of de hinder ook onrechtmatig is moet deze echter worden bezien in het licht van de omstandigheden ter plaatse.
[gedaagde] heeft in dat verband gesteld dat sprake is van een stedelijk en dicht bebouwd gebied, waarbij de woningen bovendien binnen de bebouwde kom van [plaats 1] liggen. Deze omstandigheden maken dat [eiser] een hogere mate van hinder heeft te dulden. Daar komt bij, aldus [gedaagde] , dat [gedaagde] eerder dan [eiser] eigenaar was van diens woning.
Deze stellingen van [gedaagde] slagen niet. Er is sprake van een bebouwde omgeving, maar niet van een dermate dicht- of hoogbebouwde omgeving (zoals bijvoorbeeld in een binnenstad het geval kan zijn) dat dit meebrengt dat [eiser] de hiervoor vastgestelde mate van hinder heeft te dulden. [gedaagde] heeft ook niet nader gemotiveerd welke specifieke omstandigheden maken dat daarvan in dit geval sprake zou zijn.
Hetzelfde geldt voor de stelling van [gedaagde] dat hij er al eerder woonde; [eiser] hoefde er – nog afgezien van het feit dat partijen zeer kort na elkaar in de woningen zijn getrokken – geen rekening mee te houden dat [gedaagde] een opbouw met een dergelijke impact zou willen realiseren. Feiten of omstandigheden waaruit dat zou kunnen volgen zijn door [gedaagde] niet gesteld.
Belangenafweging
In het kader van de beoordeling of sprake is van onrechtmatige hinder dient de rechtbank daarnaast de belangen van partijen tegen elkaar af te wegen. Daarbij betrekt de rechtbank dat [gedaagde] naar voren heeft gebracht dat hij met de beoogde opbouw een extra slaapkamer en een kantoor- of hobbyruimte wil realiseren, omdat de eengezinswoning van [gedaagde] slechts twee slaapkamers heeft. [gedaagde] ziet zijn woning als zijn oudedagsvoorziening en daarom is het zaak de woning zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor kopers. Bij [gedaagde] bestaat bovendien de wens om aan de achterzijde van zijn woning te gaan slapen, omdat door de wegveranderingen aan de voorzijde van de woning het wegverkeer is toegenomen en de huidige slaapkamer daardoor (erg) onrustig is. Dit laatste heeft [eiser] betwist. Verder heeft [eiser] gesteld dat hij graag in de keuken is (waar hij regelmatig schaakt), dat hij ook graag buiten is en dat hij nog wil genieten van het beetje tuin dat hij heeft, terwijl het zonlicht dat hij ontvangt nu al heel beperkt is. Dat moet volgens [eiser] echt niet minder worden, omdat hij er al neerslachtig van is geworden. Ook voor [eiser] is de woning zijn oudedagsvoorziening, zo heeft [eiser] naar voren gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] tegenover de betwisting door [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat het noodzakelijk is dat hij (door middel van de opbouw) een slaapkamer aan de achterzijde van zijn woning realiseert, waar [gedaagde] er eerder – volgens de onweersproken stelling van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling – voor heeft gekozen om van één van zijn slaapkamers een badkamer te maken. Daarnaast is het belang van [gedaagde] om een extra slaapkamer en hobbyruimte te creëren louter financieel van aard (om de waarde van zijn woning te verhogen). Dat belang weegt niet op tegen het belang van [eiser] dat hij voldoende bezonning in zijn woning en in zijn tuin ontvangt, hetgeen met de beoogde opbouw sterk zal verminderen. Die significante afname van zonlicht zal [eiser] ernstig beperken in zijn woongenot en zal de waarde van zijn woning (die eveneens zijn oudedagsvoorziening is) geen goed doen. De hinder zal bovendien permanent van aard zijn. Onder voornoemde omstandigheden zal naar het oordeel van de rechtbank sprake zijn van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW.
Daar komt bij dat het belang van [gedaagde] bij een slaapkamer aan de achterzijde van zijn woning ook op een voor [eiser] minder belastende wijze kan worden bereikt. In verband daarmee overweegt de rechtbank het volgende.
De deskundige heeft in zijn rapport (naar aanleiding van vragen van de rechtbank) drie varianten beschreven die het negatieve effect op de hoeveelheid zonuren en daglichttoetreding zouden kunnen beperken, namelijk dat (1) de opbouw één meter van de erfgrens wordt geplaatst, (2) op de opbouw een schuin dak wordt geplaatst en (3) de hobbykamer in de opbouw vervalt. De bevindingen van de deskundige kunnen als volgt worden samengevat. Daarbij ontbreekt een indicatie van de afname van de zonuren op (de ramen in) de achtergevel, nu deze door de deskundige niet zijn berekend.
Variant 1
Variant 2
Variant 3
Afname zonuren hooggelegen terras (t.o.v. huidige situatie)
43,6%
3,4%
3,4%
Vermindering vloeroppervlak opbouw
ca. 6,3 m2
ca. 9 m2
ca. 23 m2
Kosteninschatting
netto meerkosten: € 1.500 - € 3.000
netto meerkosten: € 3.000 - € 8.000
reductie: € 11.000 - € 22.000
[gedaagde] , die tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven in beginsel open te staan voor alternatieven, heeft bij conclusie na deskundigenrapport geopteerd voor de eerste variant, omdat een dergelijke aanpassing volgens hem een halvering van het equivalent daglichttoetreding bij de ramen van de begane grond en eerste verdieping oplevert en bij het hoog gelegen terras een zonlichttoename teweegbrengt van 46 zonuren over het zomerhalfjaar.
De rechtbank stelt vast dat de deskundige heeft becijferd dat het toepassen van variant 1 (het plaatsen van de opbouw op één meter van de erfgrens) een reductie in zonuren op het hooggelegen terras van 43,6% betekent in het zomerhalfjaar. Dat is echter nog steeds fors te noemen en is geen optie waar [eiser] substantieel mee is geholpen. Bij het toepassen van een schuin dak (variant 2) of het weglaten van de hobbykamer (variant 3) daarentegen, zal het aantal zonuren op het hooggelegen terras voor [eiser] afnemen met slechts 3,4%; dat is nauwelijks een verschil met de huidige situatie. De geraamde kosten van een schuin dak zijn niet van dien aard dat die niet te overzien zijn, waarbij bedacht dient te worden dat [gedaagde] profiteert van een waardestijging van zijn woning door de opbouw. Variant 3 zou op grond van de berekeningen voor [gedaagde] tot een grotere vermindering in het vloeroppervlak leiden, maar daar staat een kostenbesparing tegenover. Er zijn dus alternatieven mogelijk waarmee de door [gedaagde] gewenste opbouw (al dan niet met twee kamers) op een voor [eiser] (aanzienlijk) minder belastende wijze kan worden bereikt. Ook dit weegt mee bij de belangenafweging, die, zoals reeds overwogen, in het nadeel van [gedaagde] uitvalt.
Conclusie
Conclusie van het voorgaande is dat onverkorte uitvoering van de door [gedaagde] beoogde opbouw onrechtmatige hinder teweeg zal brengen bij [eiser] . De vordering van [eiser] onder I ligt daarmee voor toewijzing gereed.
Vordering II wordt afgewezen. Vaststaat dat [gedaagde] (in afwachting van de uitkomst van deze procedure) niet is begonnen met het realiseren van de opbouw, zodat ten opzichte van hem geen veroordeling kan worden uitgesproken om de (beoogde) bouwwerkzaamheden te staken en gestaakt te houden.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
320,00
- salaris advocaat
€
2.285,50
(3,5 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.931,22
De gevorderde wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal slechts worden toegewezen ten aanzien van de proceskostenveroordeling, op de wijze zoals in het dictum is bepaald. De toegewezen verklaring voor recht zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat deze beslissing niet vatbaar is voor executie.
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart voor recht dat de (beoogde) bouwwerkzaamheden aan [adres] kwalificeren als onrechtmatige hinder ex artikel 5:37 BW juncto artikel 6:162 BW, voor zover die bouwwerkzaamheden zien op de bouw of renovatie van of aan de nieuwe aanbouw, nader aangeduid in het bij de aanvraag omgevingsvergunning horend bouwplan van [gedaagde] , zoals overgelegd bij productie 2 bij dagvaarding,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 2.931,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart de beslissingen onder 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.