RECHTBANK LIMBURG
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen
de burgemeester van de gemeente Brunssum
Samenvatting
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 24/2867
[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] en [eiser 6] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. S. Ikiz),
en
(gemachtigden: mr. L.M.O. Coolen en mr. J.L. Stoop).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de beslissing op bezwaar van 18 april 2024.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep nietontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 29 augustus 2023 een kennisgeving naar de burgemeester verstuurd voor een betoging op zes parkeervakken aan de Lindeplein (bij het gemeentehuis van Brunssum) voor de periode van 4 september 2023 tot en met 4 maart 2024. Deze betoging heeft de burgemeester met het besluit van 4 september 2023 verboden. Tegen dat besluit hebben eisers bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Met de uitspraak van 26 oktober 2023 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek toegewezen. Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester op 31 januari 2024 een wijzigingsbesluit genomen waarmee de betoging niet langer verboden is maar voorschriften hieraan zijn gesteld. Het bezwaar had van rechtswege mede betrekking op dit besluit.
Met de beslissing op bezwaar van 18 april 2024 heeft de burgemeester het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard en onder andere bepaald dat de onderling gemaakte afspraken, opgenomen in de e-mails van 21 en 22 maart 2024, komen te gelden als voorschriften. Tegen dat besluit hebben eisers beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is met de uitspraak van 28 mei 2024 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van materiële connexiteit.
Op 19 april 2024 heeft de burgemeester een wijzigingsbesluit genomen waarmee het eisers is verboden om in het koningsdagweekend op de beoogde locatie te betogen. Naar aanleiding hiervan hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Met de mondelinge uitspraak van 24 april 2024 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek toegewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen, een deel van de eisers en een werknemer van de gemeente Brunssum deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eisers nog belang hebben bij de behandeling van dit beroep. Zij overweegt daarover als volgt.
4. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Om vast te stellen of eisers nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling, moet worden bekeken wat hun met deze procedure kunnen bereiken. In zaken over demonstraties kan procesbelang – als de (aangekondigde) demonstratie in het verleden ligt – nog bestaan als het oordeel van de rechter van belang kan zijn voor toekomstige demonstraties.
5. Eisers voeren – kort gezegd – aan dat hun procesbelang eruit bestaat dat er in de toekomst een reële kans bestaat op herhaling van het geschil en dat zij het niet eens zijn met de overwegingen van de burgemeester waarbij hij afwijkt van het advies van de bezwaarcommissie.
6. De rechtbank is niet gebleken dat eisers nog procesbelang hebben bij deze procedure. Met de beslissing op bezwaar is de burgemeester namelijk tegemoetgekomen aan de inhoudelijke bezwaren van eisers en is het besluit van 4 september 2023 (waarmee de betoging was verboden) herroepen. Weliswaar zijn er beperkingen aan de demonstratie gesteld, maar deze zijn overeengekomen door beide partijen en niet is gebleken dat eisers het daar niet (meer) mee eens zijn. De vraag of de eerder opgelegde beperkingen bij toekomstige demonstraties toelaatbaar zijn, speelt hier niet. De rechtbank is dan ook niet gebleken welk (reëel) doel eisers met dit beroep wensen na te streven. Dat er in de toekomst mogelijk een herhaling van het geschil plaats kan vinden maakt dit ook niet anders nu niet is gebleken dat eisers het niet eens zijn met (de uitkomst van) de beslissing op bezwaar. Voor zover eisers met deze procedure de overwegingen van de burgemeester ter beoordeling aan de rechter wensen te leggen, merkt de rechtbank op dat de burgemeester aan deze overwegingen geen consequentie heeft verbonden en dat hij de betoging alsnog heeft toegestaan, zodat deze overwegingen dan ook kennelijk niet zijn gericht op enig rechtsgevolg en derhalve niet zijn aan te merken als een besluit(onderdeel). De beroepsgronden die zich daartegen richten zijn daarom principieel van aard en leveren daarom geen procesbelang op.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.