RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11745718 \ CV EXPL 25-2731
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[werknemer] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[werkgever] BV,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. A.C. van Vliet.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 8 april 2026, waarbij [werknemer] spreekaantekeningen heeft overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[werknemer] is van 1 juni 2014 tot 1 januari 2017 en van 1 juni 2018 tot 1 augustus 2025 in dienst geweest van (een rechtsvoorganger van) [werkgever] .
In februari 2025 heeft [werkgever] [werknemer] en alle andere werknemers van de vestiging in [plaats 3] een vaststellingsovereenkomst aangeboden vanwege de sluiting van die vestiging.
In de vaststellingsovereenkomst is een beëindigingsvergoeding opgenomen op basis van zijn dienstverband van 1 juni tot 1 augustus 2025 en een tekenbonus.
Op de vaststellingsovereenkomst is een sociaal plan van toepassing. Hierin is onder andere bepaald hoe de beëindigingsvergoeding wordt berekend (artikel 12.2. sociaal plan) en wat er onder “dienstjaren” moet worden begrepen (hoofdstuk 3 Definities sociaal plan).
[werknemer] heeft bij [werkgever] geklaagd over de in de vaststellingsovereenkomst genoemde beëindigingsvergoeding, omdat deze volgens [werknemer] door een onjuiste toepassing van het begrip “dienstjaren” te laag zou zijn. Bij brief van 20 februari 2025 heeft (de gemachtigde van) [werknemer] verzocht de beëindigingsvergoeding in de vaststellingsovereenkomst aan te passen. [werkgever] heeft daar geen gehoor aan gegeven.
Op 28 februari 2025 heeft [werknemer] de vaststellingsovereenkomst ondertekend.
[werknemer] heeft het geschil voorgelegd aan de begeleidingscommissie. Op 10 maart 2025 heeft de begeleidingscommissie geoordeeld dat de stemmen staken en dat zij [werknemer] adviseert de kwestie voor te leggen aan de kantonrechter. Reden dat [werknemer] de onderhavige procedure is gestart.
3. Het geschil
[werknemer] vordert - samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat [werkgever] bij de berekening van de hoogte van de beëindigingsvergoeding ook zijn eerdere dienstverband dient mee te nemen;
[werkgever] veroordeelt de beëindigingsvergoeding met € 19.197,59 bruto te verhogen;
[werkgever] veroordeelt in de proceskosten en nakosten.
[werknemer] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de in de vaststellingsovereenkomst vermelde beëindigingsvergoeding te laag is, omdat [werkgever] niet alle dienstjaren van [werknemer] bij de berekening heeft meegenomen. Op basis van de definitie van “dienstjaren” in het sociaal plan dient de periode van 1 juni 2014 tot 1 juni 2018 mee te tellen bij de berekening van de beëindigingsvergoeding. De beëindigingsvergoeding neemt, rekening houdend met 4% cao loonsverhoging per 1 januari 2025 (artikel 3.1. van de vaststellingsovereenkomst), toe met een bedrag van € 19.197,59 bruto.
[werkgever] voert daartegen aan dat partijen in de vaststellingsovereenkomst finale kwijting zijn overeengekomen, zodat [werknemer] niet op de bepalingen uit die vaststellingsovereenkomst kan terugkomen. [werknemer] kan dus niet om een herberekening van de beëindigingsvergoeding vragen. Ook telt de eerste arbeidsovereenkomst niet mee omdat die arbeidsovereenkomst op initiatief van [werknemer] is beëindigd. [werknemer] heeft verder een verkeerde uitleg gegeven aan de in het sociaal plan genoemde term “voorgaande arbeidsovereenkomsten”, aldus [werkgever] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Kern van de zaak is de vraag of [werknemer] aanspraak kan maken op een hogere beëindigingsvergoeding dan in de ondertekende vaststellingsovereenkomst is opgenomen.
Het meest verstrekkende verweer van [werkgever] is dat partijen finale kwijting zijn overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst waarmee deze kwestie definitief is afgewikkeld.
[werknemer] heeft daartegen aangevoerd dat [werkgever] nog niet op de brief van [werknemer] met het verzoek om een herberekening had gereageerd en de begeleidingscommissie nog geen uitspraak had gedaan, zodat [werkgever] redelijkerwijs niet de conclusie mocht trekken dat [werknemer] met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zijn aanspraken op een hogere en correct berekende beëindigingsvergoeding wilde prijsgeven.
Partijen twisten dan ook over de vraag of de finale kwijting die is overeengekomen ook ziet op de (hoogte van de) beëindigingsvergoeding.
De vraag wat partijen zijn overeengekomen, kan niet worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen in een schriftelijk contract. Het gaat er om welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en om hetgeen partijen te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-norm). Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Verder komt bij de uitleg betekenis toe aan de aard van de overeenkomst, de wijze van totstandkoming ervan en de vraag of partijen (juridisch) deskundige bijstand hadden.
De kantonrechter stelt voorop dat het hier gaat om een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Een vaststellingsovereenkomst is naar zijn aard bedoeld om een einde te maken aan één of meer geschillen tussen partijen en eenduidig de rechtsverhouding tussen partijen te regelen. Mede tegen die achtergrond geldt dat de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst erop wijzen dat daarmee is beoogd een definitieve en allesomvattende regeling te treffen ten aanzien van alle mogelijk tussen partijen bestaande geschillen. Zo is onder punt F. van de vaststellingsovereenkomst expliciet vermeld: “dat Partijen hebben overlegd over de voorwaarden van het eindigen van de Arbeidsovereenkomst om tegen finale kwijting een allesomvattende regeling te treffen, met het oog daarop geen vordering onbesproken is gelaten en Partijen geen vordering van deze regeling uitsluiten;” en in artikel 12 van de vaststellingsovereenkomst: “Uitvoering van de VSO strekt over en weer tot finale kwijting van alle vorderingen uit de Arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan.” (productie 4 bij dagvaarding).
Verder acht de kantonrechter van belang dat partijen voor het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst hebben gediscussieerd over de hoogte en wijze van berekening van de beëindigingsvergoeding, waardoor deze kwestie bij beide partijen ten tijde van de ondertekening bekend was. Indien [werknemer] , die voorafgaand en tijdens het tekenen van de vaststellingsovereenkomst juridische bijstand had van zijn gemachtigde, van mening was dat deze kwestie over de beëindigingsvergoeding was uitgezonderd van de finale kwijting, dan had het op zijn weg gelegen om dat als voorbehoud op te nemen bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst. Nu [werknemer] geen voorbehoud heeft gemaakt terwijl de kwestie wel onderdeel was van de onderhandelingen, mocht [werkgever] er redelijkerwijs met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst door [werknemer] en op grond van de in deze vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijting van uitgaan dat [werknemer] niet langer vasthield aan zijn standpunt dat de daarin vermelde beëindigingsvergoeding onjuist was en hij zijn aanspraak wilde behouden op een herberekening. De stelling van [werknemer] dat hij de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend om aanspraak te behouden op de tekenbonus, maakt dat niet anders. Ook dan had [werknemer] immers een voorstel tot het door hem gewenste voorbehoud kunnen doen en, in het geval [werkgever] daar niet mee akkoord zou gaan, had [werknemer] de keuze om voor de tekenbonus te gaan of de, in zijn ogen, hogere beëindigingsvergoeding op grond van het sociaal plan. Dat de begeleidingscommissie nog geen uitspraak had gedaan over deze kwestie en [werkgever] nog niet op de laatste brief van (de gemachtigde van) [werknemer] had gereageerd, zijn op zichzelf en zonder meer onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat het voor [werkgever] duidelijk had moeten zijn dat de kwestie over de beëindigingsvergoeding zou zijn uitgezonderd van de finale kwijting.
De kantonrechter is daarom van oordeel dat de finale kwijting ook ziet op de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen bepalingen omtrent de beëindigingsvergoeding. Dat betekent dat aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil niet wordt toegekomen en de vorderingen van [werknemer] moeten worden afgewezen.
[werknemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werkgever] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punt × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.008,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [werknemer] af,
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet binnen de gestelde termijn tot betaling overgaat en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.