RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11979194 \ CV EXPL 25-5086
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
STICHTING LAURENTIUS ZIEKENHUIS ROERMOND,
te Roermond,
eisende partij,
hierna te noemen: LZR,
gemachtigde: Likifin Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde partij] heeft bij LZR een geneeskundige behandeling ondergaan. De kosten daarvan bedragen € 482,09.
3. Het geschil
LZR vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 585,20, vermeerderd met rente en kosten. Het bedrag van € 585,20 is opgebouwd uit € 482,09 aan hoofdsom, € 87,50 aan incassokosten en € 15,61 aan rente.
[gedaagde partij] erkent de gevorderde hoofdsom, maar betwist rente en kosten verschuldigd te zijn.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[gedaagde partij] erkent de gevorderde hoofdsom verschuldigd te zijn. De vordering die hier op ziet, zal worden toegewezen. [gedaagde partij] betwist een factuur of aanmaningen te hebben ontvangen. Hierdoor heeft hij niet kunnen reageren of betalen. Om deze reden kan hij niet akkoord gaan met ht betalen van rente en kosten.
In haar conclusie van repliek bespreekt LZR het verweer van [gedaagde partij] en licht zij haar eigen stellingen toe. Zo geeft LZR aan dat de factuur eerst is ingediend bij de verzekering van [gedaagde partij] , maar deze heeft de factuur afgewezen. Vervolgens is de factuur gestuurd naar het woonadres van [gedaagde partij] . Op 11 februari 2025 en op 25 maart 2025 zijn er een herinnering en een laatste aanmaning verstuurd. Daarna is de zaak ter incasso overgedragen aan het incassobureau. Het incassobureau heeft op 19 mei 2025 en 8 juli 2025 betalingsherinneringen gestuurd. Ook zijn er drie e-mails gestuurd naar het door [gedaagde partij] opgegeven e-mailadres. LZR stelt verder dat er drie sms-berichten aan [gedaagde partij] zijn gestuurd en dat geprobeerd is telefonisch contact op te nemen.
[gedaagde partij] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de conclusie van repliek. Daarvoor heeft de griffier hem op 11 maart 2026 een brief gestuurd. [gedaagde partij] heeft niet gereageerd. Dit houdt in dat de 4.2. weergegeven feiten en omstandigheden niet zijn weersproken. Gelet op de hoeveelheid brieven en berichten die aan [gedaagde partij] zijn gestuurd, is het verweer van [gedaagde partij] dat zij geen enkel bericht heeft ontvangen over de openstaande rekening onbegrijpelijk. De kantonrechter gaat ervan uit dat berichten, maar in elk geval één of meerdere daarvan, [gedaagde partij] hebben bereikt. Dit verweer wordt daarom gepasseerd.
Omdat [gedaagde partij] niet op tijd heeft betaald na de ingebrekestelling, is verzuim ingetreden. [gedaagde partij] is daarom wettelijke rente verschuldigd. Deze zal daarom ook worden toegewezen.
LZR vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De overeenkomst bevat een incassokostenbeding. Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [gedaagde partij] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Het beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling (meer specifiek artikel 6:96 lid 6 BW / Het Besluit) die zonder dit beding (dwingend) zou gelden. Het beding is daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. LZR kan in dat geval geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van LZR worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
846,14
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde partij] om aan LZR te betalen een bedrag van € 527,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 482,09, met ingang van 20 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 846,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.