ECLI:NL:RBLIM:2026:4778

ECLI:NL:RBLIM:2026:4778

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 15-05-2026
Zaaknummer C/03/351481 / KG ZA 26-143
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Maastricht

Samenvatting

Kort geding i.v.m. executie / schorsing tenuitvoerlegging onherroepelijke uitspraak hof m.b.t internationale kinderontvoering/teruggeleiding;

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugdC/03/351481 / KG ZA 26-143

Datum uitspraak : 7 mei 2026

Zaaknummer : C/03/351481 / KG ZA 26-143

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[de vader] ,

wonend in [plaats] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers, kantoorhoudend in Breda,

tegen

1. [de moeder] ,

wonend in Polen,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. Y.M. Schrevelius, kantoorhoudend in Rotterdam,

2. Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd in Velserbroek,

gedaagde in conventie en verweerder reconventie,

hierna ook te noemen: de voorlopig voogdes,

geen advocaat gesteld hebbende.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het verkort vonnis van 7 mei 2026. De voorzieningenrechter heeft vanwege het spoedeisend karakter van de zaak op 7 mei 2026 verkort vonnis gewezen, onder toezegging dat een uitgewerkt vonnis binnen veertien dagen zal volgen. Een afschrift van het verkort vonnis is tijdens de mondelinge behandeling op 7 mei 2026 aan partijen verstrekt.

2. De feiten

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Zij zijn de ouders van [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] , Polen. De vader heeft [minderjarige] erkend.

De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

De vader, de moeder en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit.

De moeder heeft van september 2021 tot mei 2022 bij de vader in Nederland gewoond. In mei 2022 is zij naar Polen gegaan. Daar is [minderjarige] op [geboortedag] 2022 geboren en eind 2022 is de moeder met [minderjarige] teruggekeerd naar de vader in Nederland.

De moeder is vervolgens op 16 juli 2024 met [minderjarige] vanuit Nederland naar Polen vertrokken. De moeder is sindsdien niet meer naar Nederland teruggekeerd.

Op 30 mei 2025 heeft de vader [minderjarige] opgehaald van de kleuterschool/crèche in Polen, waarna hij in de loop van juni 2025 [minderjarige] , zonder toestemming van de moeder, naar Nederland heeft overgebracht. Sindsdien verblijft [minderjarige] bij de vader in Nederland.

De moeder heeft zich, door tussenkomst van de Poolse Centrale Autoriteit, op 14 oktober 2025 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (hierna: CA).

Bij beschikking van 30 december 2025 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat zij over onvoldoende informatie beschikte om inhoudelijk op het verzoek tot voorziening in de voorlopige voogdij te beslissen en heeft zij iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de resultaten van de crossborder mediation.

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 13 januari 2026 is een bijzondere curator benoemd over [minderjarige] .

Bij beschikking van 17 februari 2026 heeft de rechtbank Den Haag het verzoek van de moeder tot terugkeer van [minderjarige] naar Polen toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank Den Haag de Stichting Leger des Heil Jeugdbescherming & Reclassering belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .

De vader heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 17 februari 2026.

Bij beschikking van 8 april 2026, bekend onder zaaknummer 200.365.578/01, heeft het gerechtshof Den Haag als volgt beslist:

“[..]

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met dien verstande dat het hof:

de terugkeer van [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] , Polen, gelast naar Polen, uiterlijk op 22 april 2026, waarbij de vader [minderjarige] naar Polen dient te brengen en beveelt, indien de vader nalaat [minderjarige] naar Polen te brengen, dat de vader [minderjarige] op uiterlijk 22 april 2026 met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

ontslaat de bijzondere curator van haar taak met ingang van de datum van deze beschikking;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep tussen de partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.[..]”

3. Het geschil

De vader vordert in de dagvaarding in conventie om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

I. de tenuitvoerlegging van de beschikking van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 8 april

2026 met zaaknummer 200.365.578/01 te schorsen,

II. althans gedaagden te verbieden executiemaatregelen jegens eiser en [minderjarige] te treffen krachtens de beschikking van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 8 april 2026 met zaaknummer 200.365.578/01, een en ander op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- te voldoen aan eiser voor iedere dag dat gedaagde in strijd met dit vonnis (verdere) executiemaatregelen zal treffen,

III. althans gedaagden te verbieden executiemaatregelen jegens eiser en [minderjarige] te treffen krachtens de beschikking van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 8 april 20216 met zaaknummer 200.365.578/01, een en ander nadat door gedaagden aan de door UE te stellen voorwaarden is voldaan, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- te voldoen aan eiser voor iedere dag dat gedaagde in strijd met dit vonnis (verdere) executiemaatregelen zal treffen en gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

De moeder voert in de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, verweer tegen de vorderingen van de vader in conventie en zij concludeert tot afwijzing daarvan. Daarbij vordert de moeder in reconventie om:

te bepalen dat de vader wordt veroordeeld tot nakoming van de beschikking van het Hof Den Haag van 8 april 2026, zaaknummer: 200.365.578/01, waarin is bevolen dat de vader indien hij nalaat [minderjarige] voor 22 april 2026 naar de moeder in Polen te brengen, [minderjarige] op uiterlijk 22 april 2026 met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder dan wel de voorlopig voogdes zal afgeven, hetgeen thans betekent afgifte van [minderjarige] aan de voorlopig voogdes dan wel de moeder per direct na afwijzing van de vorderingen van de vader door de voorzieningenrechter, althans binnen 3 uur nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, zo nodig met de hulp van de sterke arm van politie en justitie, dit alles op straffe van een dwangsom van € 1,000.- per uur dat de vader nalaat [minderjarige] aftegeven aan de voorlopig voogdes dan wel de moeder tot een maximum van € 50.000,- is bereikt, althans op straffe van een zodanige dwangsom en te bepalen maximum als de voorzieningenrechter in goede justitiemeent te behoren;

te bepalen dat de stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, in haar hoedanigheid van ‘voorlopig voogdes’, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per uur, ingeval vader nalaat [minderjarige] per direct, althans binnen 3 uur na uitspraak van de voorzieningenrechter [minderjarige] aan de voorlopig voogdes dan wel de moeder afte geven, het Openbaar Ministerie, in de hoedanigheid van de Officier van Justitie, inschakelt en instrueert om [minderjarige] op te sporen en Justitie ertoe te bewegen de afgifte van [minderjarige] aan de voorlopig voogdes dan wel de moeder te bewerkstelligen;

en voorts om de vader te veroordelen in de kosten van de procedure, zijnde de eigen bijdrage ten bedrage van € 188,00 en het griffierecht van € 92,-, alsmede de reis en verblijfkosten van de vrouw die thans worden geschat op € 2.500,- , zijnde het vervoer van Polen naar Nederland en vice versa, meerdere hotelovernachtingen voor haar en haar partner, althans een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen.

De vader voert in de conclusie van antwoord in reconventie verweer tegen de vorderingen van de moeder in reconventie en hij concludeert tot afwijzing daarvan, in ieder geval om de gevorderde dwangsommen te maximeren tot € 1.000,00 in totaal. Daarbij verzoekt de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie

De voorlopig voogdes voert tijdens de mondelinge behandeling verweer tegen de vorderingen van de vader in conventie en tegen de vorderingen van de moeder in reconventie en zij concludeert tot afwijzing daarvan, in ieder geval om de gevorderde dwangsommen te matigen en te maximeren.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, bij de beoordeling nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van het door de moeder gevorderde onder 1. en onder 2.

De voorzieningenrechter stelt vast de moeder haar vorderingen in reconventie onder 1. en 2. na gevoerd debat tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken.

Nu de moeder de betreffende vorderingen heeft ingetrokken, kunnen deze vorderingen niet meer worden onderzocht en zullen deze worden afgewezen.

Ten aanzien van het door de vader gevorderde in conventie

Ter beoordeling ligt enkel nog de vordering van de vader in conventie voor.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van het gevorderde en is bovendien niet bewist.

Gelet op het feit dat de vader met [minderjarige] in Nederland verblijft en de moeder in Polen woont, alsmede gelet op het feit dat de ouders en [minderjarige] de Poolse nationaliteit hebben, heeft deze zaak een internationaal karakter. De voorzieningenrechter heeft in het onderhavige geschil rechtsmacht omdat de vader de tenuitvoerlegging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag wenst te voorkomen en deze tenuitvoerlegging vanuit Nederland had moeten plaatsvinden. Met betrekking tot de vraag welk recht op het onderhavige geschil van toepassing is, overweegt de voorzieningenrechter dat Nederlands recht als lex fori op het executiegeschil ten overstaan van de Nederlandse rechter van toepassing is.

Naar de voorzieningenrechter begrijpt, beoogt de vader met het door hem in conventie gevorderde om, kort gezegd, de tenuitvoerlegging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2026 te schorsen c.q. de executie daarvan te doen verbieden totdat – zo begrijpt de voorzieningenrechter – in de bij deze rechtbank aanhangige bodemprocedure (zaaknummer 343871 FA RK 25-1575) is beslist op het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem vast te stellen. Deze beschikking betreft een uitspraak in hoger beroep met betrekking tot een verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [minderjarige] naar Polen dat gebaseerd is op het Haags verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139 (hierna: het Verdrag), waarbij zowel Nederland als Polen partij zijn. Op grond van artikel 13 lid 8 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering staat tegen een dergelijke beschikking van het gerechtshof geen gewoon rechtsmiddel open. Dit betekent dat de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2026 in kracht van gewijsde is gegaan en daardoor onherroepelijk is geworden. Het gegeven dat die beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard door het gerechtshof, doet daar niet af.

Indien – zoals in het onderhavige geval – een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging betrekking heeft op een uitspraak waartegen geen rechtsmiddel (meer) openstaat, is de veroordeling waarvan de tenuitoverlegging ter discussie staat definitief. Dan geldt als uitgangspunt dat de executant – in dit geval de moeder – in beginsel bevoegd is om de onherroepelijke beschikking ten uitvoer te doen leggen. Aan de orde is nu de vraag of in de onderhavige omstandigheden de (voorgenomen) tenuitvoerlegging van de onherroepelijke beschikking van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2026 ontoelaatbaar moet worden geacht. Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (Hotel-Restaurant De Zeester) volgt dat een vordering in kort geding door degene ten laste van wie de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke uitspraak dreigt of wordt aangevangen moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf zoals vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 (Ritzen/Hoekstra). Dit betekent dat de voorzieningenrechter op basis van dat criterium de tenuitvoerlegging van de beschikkingen slechts kan schorsen of verbieden als sprake is van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarvan is sprake indien de executant (de moeder) mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde (de vader) die door de executie zullen worden geschaad geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal onder meer het geval kunnen zijn indien de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na deze beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Gelet op de stellingen van de vader, begrijpt de voorzieningenrechter dat hij zich op het standpunt stelt dat de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2026 berust op een juridische en feitelijke misslag doordat het gerechtshof geen rekening heeft gehouden met de beslissing van de Poolse rechter in hoger beroep van 30 maart 2026, die nadien nog nader is gemotiveerd in een schriftelijke beslissing van 24 april 2026. Daarbij stelt de vader dat de Poolse rechter in hoger beroep, evenals de Poolse rechter in eerste aanleg heeft geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is gelegen omdat de moeder niet heeft aangetoond dat de vader heeft ingestemd met de overbrenging van [minderjarige] door de moeder naar Polen op 16 juli 2024. Dit oordeel van de Poolse rechter staat volgens de vader evenwel haaks op het oordeel van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2026, dat tot de conclusie komt dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Polen is gelegen. Nu de beslissing van de Poolse rechter in hoger beroep echter een bodemprocedure betreft, prevaleert deze volgens de vader boven het oordeel van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2026 ten aanzien van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] omdat die beslissing slechts een ordemaatregel betreft. Ervan uitgaande dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland ligt, stelt de vader dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen over het verzoek van de vader dat nu (nog) ter beoordeling voorligt bij deze rechtbank in voormelde procedure.

De voorzieningenrechter volgt de vader niet in zijn standpunt. De vader stelt dat er sprake is van een juridische en feitelijke misslag nu de gerechtshof Den Haag geen rekening heeft gehouden met de beslissing van de Poolse rechter in hoger beroep dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Polen is gelegen omdat de moeder niet heeft aangetoond dat de vader heeft ingestemd met de overbrenging van [minderjarige] naar Polen op 16 juli 2024. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter miskent de vader hiermee echter dat het gerechtshof Den Haag zelfstandig de feiten en omstandigheden heeft beoordeeld met betrekking tot de situatie voorafgaand aan het moment dat de vader [minderjarige] in juni 2025 van Polen naar Nederland heeft overbracht en dat het gerechtshof op basis daarvan tot het uitvoerig gemotiveerde oordeel is gekomen dat de vader wel degelijk heeft ingestemd met de overbrenging naar Polen op 16 juli 2024. Daarbij heeft het gerechtshof Den Haag meegewogen dat er op dat moment nog een hoger beroep aanhangig was in Polen tegen de beslissing van de Poolse rechtbank in eerste aanleg van 9 oktober 2025 waarin eerder al was geoordeeld dat de vader niet had ingestemd met de overbrenging van [minderjarige] naar Polen op 16 juli 2024 en daarbij nadrukkelijk geoordeeld dat het gerechtshof in de teruggeleidingsprocedure voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] onmiddellijk voorafgaande aan de overbrenging naar Nederland overigens ook niet gebonden is aan een uitspraak van de Poolse rechter te dien aanzien. Het gerechtshof is tot een inhoudelijke beoordeling gekomen en van een kennelijke juridische of feitelijke misslag is dan ook geen sprake. Van een noodtoestand waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard is niet gebleken. Door de vader zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die zouden maken dat de tenuitvoerlegging aan zijn kant een dergelijke noodtoestand doet ontstaan.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet door de voorzieningenrechter kan worden vastgesteld dat de moeder in verhouding tot de belangen van de vader geen in redelijkheid te respecteren belang heeft (gehad) bij gebruikmaking van haar executiebevoegdheid. De vordering van de vader in conventie zal daarom worden afgewezen.

Nu de vordering van de vader wordt afgewezen, betekent dit dat hij alsnog onverkort uitvoering dient te geven aan de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2026 en dat bij gebreke daarvan de uitvoering gerealiseerd kan worden met behulp van de sterke arm. De voorzieningenrechter wijst in dat verband op artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, waarin is bepaald dat artikel 813 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is op de tenuitvoerlegging van – kort gezegd – een bevel tot afgifte van het kind. Nu de datum waarop de vader [minderjarige] uiterlijk naar de moeder in Polen diende te brengen – 22 april 2026 – op het moment van de mondelinge behandeling al zonder gevolg was verstreken, diende de vader gehoor te geven aan het bevel om [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder af te geven. Gelet hierop en bezien tegen de achtergrond dat tijdens de mondelinge behandeling bleek dat [minderjarige] op de rechtbank aanwezig was met geldige reisdocumenten, legt de voorzieningenrechter de beslissing van het gerechtshof Den Haag zo uit dat de vader [minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten direct na afloop van de mondelinge behandeling op de rechtbank aan de moeder dient af te geven.

Ten aanzien van de proceskosten

Nu de vader in het ongelijk is gesteld wat betreft zijn vordering in conventie, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de moeder en de voorlopig voogdes te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Het verzoek van de moeder alsook van de voorlopige voogdes om de vader te veroordelen in de kosten van de procedure, zal de voorzieningenrechter eveneens afwijzen. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het enkele feit dat de voorzieningenrechter de vader niet volgt in hetgeen hij vordert, niet maakt dat er sprake is van misbruik van procesrecht. Als zodanig mocht de vader, als gezaghebbende ouder, op basis van de standpunten zoals hij die naar voren heeft gebracht in de onderhavige procedure, tot een eigen afweging en standpuntbepaling komen met betrekking tot de vraag of er sprake is van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW als de executie van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2026 zou worden doorgezet. Gelet hierop en omdat partijen ex-partners van elkaar zijn, zal de voorzieningenrechter de proceskosten op grond van artikel 237 Rv compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de gevorderde voorzieningen in conventie en reconventie af;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Uum, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand