RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummers : 03.024232.26, 08.296636.25 (tul) & 18.274435.25 (tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 mei 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2001,
thans gedetineerd in de [adres PI] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. Y. Finani, advocaat te Utrecht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 mei 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De vorderingen tot tenuitvoerlegging met de hierboven genoemde parketnummers zijn eveneens behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 23 januari 2026 in Weert een sixpack bier van de Albert Heijn heeft gestolen en daarbij geweld tegen een medewerker heeft gebruikt.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de aangifte, de verklaring van de verdachte dat hij een sixpack bier heeft gestolen en de verklaringen van de getuigen over het gebruik van geweld door de verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de diefstal van het sixpack bier. Ten aanzien van het gebruik van geweld daarbij bepleit de verdediging vrijspraak. De verdachte ontkent opzettelijk enige vorm van geweld te hebben gebruikt tegen de medewerker van de Albert Heijn.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 1 mei 2026, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Het is juist dat ik op 23 januari 2026 in Weert een sixpack bier heb gestolen van de Albert Heijn.
De aangifte van [naam 1] namens de Albert Heijn in Weert van 23 januari 2026, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 23 januari 2026 begon ik mijn dienst bij de Albert Heijn. Omstreeks 16.00 uur zag ik dat er een man bij de zelfscankassa stond die meerdere spullen in zijn tas stopte. Ik zag dat de man vervolgens bij de zelfscankassa weg liep en via de normale kassa zonder te betalen snel naar buiten liep. Ik ben samen met mijn collega [naam 2] achter de man aan de winkel uit gelopen. Ik zag dat mijn collega de man tegenhield. Ik hoorde dat mijn collega vroeg of hij in zijn tas mocht kijken en ik zag dat de man om zich heen zwaaide met zijn armen richting mijn collega. Ik zag dat de man in versnelde pas richting de uitgang van de Muntpassage liep.
De verklaring van getuige [naam 2], afgelegd op 28 januari 2026, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Ik was op 23 januari 2026 in dienst bij de Albert Heijn in de Muntpassage 49 te Weert. Ik hoorde dat er een winkeldiefstal had plaatsgevonden en ben naar de uitgang gelopen waar ik de verdachte zag en dat hij de betaalkassa voorbij liep zonder te betalen. Ik ben hem toen achterna gelopen en heb hem bij zijn zwarte rugzak vastgepakt. Ik voelde en zag dat hij zich losrukte door zich om te draaien waardoor ik de rugzak moest loslaten. Inmiddels was er ook een andere collega genaamd [naam 3] bijgekomen. Ik zag dat de verdachte met zijn rechter gebalde vuist in de richting van mijn gezicht sloeg.
De verklaring van getuige [naam 3], afgelegd op 23 januari 2026, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 23 januari omstreeks 16.00 uur stond ik in de kantine van de Albert Heijn gelegen in de Muntpassage te Weert. Ik zag dat mijn collega met een arm richting de rugzak/tas van de man greep. Ik zag dat de man de rugzak in zijn linkerhand vasthield. Ik zag dat hij zijn rechterarm en hand richting het gezicht van mijn collega bracht. Dit deed de man met kracht en snelheid.
Verbalisant [naam verbalisant] heeft op 27 januari 2026 onder meer als volgt over de camerabeelden van de Albert Heijn gerelateerd:
Ik zie dat de verdachte wederom terugkeert naar de betaalkassa en rechtstreeks doorloopt naar de uitgang zonder het goed af te rekenen wat hij eerder in zijn zwarte rugzak heeft gestopt. Ik zie dat een mannelijke winkelmedewerker de verdachte bij zijn rugzak vastpakte
toen de verdachte de betaalkassa voorbij liep zonder af te rekenen. Ik zag dat de verdachte zich losrukte door middel van zich met kracht om te draaien waardoor de winkelmedewerker genoodzaakt was om los te laten.
Bewijsoverweging
De verdachte heeft ontkend geweld te hebben gebruikt bij de diefstal, maar dit wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven inhoud van de voor haar relevante bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 23 januari 2026 in Weert een sixpack bier van de Albert Heijn heeft gestolen, gevolgd van geweld. Dit geweld bestond uit het zich losrukken en het maken van een slaande beweging in de richting van [naam 2] .
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 23 januari 2026 te Weert een sixpack bier dat aan de Albert Heijn toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [naam 2] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door zich los te rukken en een slaande beweging te maken in de richting van het gezicht van [naam 2] .
De tenlastelegging bevat een kennelijke verschrijving (sickpack in plaats van sixpack). De rechtbank past dit in de weergave van de bewezenverklaring aan, nu de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging wordt geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaren, zonder aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
Vanwege de bepleite partiële vrijspraak voor de geweldscomponent stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat een straf conform de oriëntatiepunten voor de rechtspraak ten aanzien van winkeldiefstal aangewezen is. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het geweld komt, dient een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te worden opgelegd. De verdediging verzet zich tegen het opleggen van de ISD-maatregel. Het opleggen van deze maatregel is te voorbarig nu er onvoldoende onderzoek is gedaan naar andere mogelijkheden om een gedragsverandering bij de verdachte te bewerkstelligen. Daar komt bij dat er wordt aangestuurd op VRIS-ISD, terwijl nog niet is gekeken of de verdachte kan worden uitgezet. Mocht de rechtbank toch overgaan tot het opleggen van een ISD-maatregel, verzoekt de verdediging deze te beperken tot de duur van één jaar en om ieder geval het voorarrest in mindering te brengen op de duur van de ISD-maatregel. De verdediging heeft verder verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zijn achtergrond (gevlucht uit zijn land van herkomst) en de uitzichtloze situatie waarin hij zich nu bevindt, maken dat hij winkeldiefstallen pleegt.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen sanctie is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een sixpack bier uit een supermarkt. Toen de verdachte door winkelmedewerkers werd aangesproken, heeft hij tegen één van hen geweld gebruikt. Winkeldiefstal is een feit dat veel overlast en financiële schade veroorzaakt. Deze schade ontstaat niet alleen door verlies van omzet, maar ook door de kosten die worden gemaakt om winkeldiefstal tegen te gaan. Het op de diefstal gevolgde geweld van de verdachte heeft ongetwijfeld impact gehad op de medewerkers van de supermarkt.
Dat dergelijke feiten schade en overlast veroorzaken, moet de verdachte inmiddels bekend zijn. Hij is reeds meermalen voor winkeldiefstal onherroepelijk veroordeeld tot forse straffen. Deze, zowel voorwaardelijke als onvoorwaardelijke, veroordelingen hebben hem er echter niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een soortgelijk strafbaar feit. Dat de verdachte uit zijn land van herkomst is gevlucht en zijn asielprocedure in Nederland als uitzichtloos bestempelt, praat zijn gedrag niet goed. Daarom zal de rechtbank, anders dan door de verdediging bepleit, deze persoonlijke omstandigheden niet in zijn voordeel meewegen.
De rechtbank moet afwegen of aan de verdachte nog een keer een signaal moet worden afgegeven door middel van het opleggen van een gevangenisstraf om het delictpatroon te doorbreken of dat verdergaand ingrijpen noodzakelijk is door middel van het opleggen van een ISD-maatregel. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan die in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht worden gesteld aan het opleggen van de ISD-maatregel. Voor het onderhavige feit is voorlopige hechtenis toegelaten. Voorts is de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van het onderhavige strafbare feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf, terwijl het bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van die straffen. Tevens wordt voldaan aan het criterium van de Richtlijn strafvordering ISD dat de verdachte kan worden aangemerkt als een ‘zeer actieve veelpleger’, nu er in de afgelopen vijf jaren processen-verbaal tegen de verdachte zijn opgemaakt ter zake van meer dan tien misdrijf-feiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden voorafgaand aan het plegen van het onderhavige feit. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat ernstig rekening moet worden gehouden met de kans dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Ook de reclassering schat het recidiverisico in als hoog. Zij ziet geen mogelijkheden om in het kader van een voorwaardelijke straf met een ambulant traject te werken aan gedragsverandering en het beperken van risico’s. Aangezien de verdachte strafbare feiten blijft plegen, geeft hij ook geen blijk van de bereidheid om een gedragsverandering te ondergaan.
De conclusie van de rechtbank luidt dan ook dat met het opleggen van een (al dan niet voorwaardelijke) straf geen gedragsverandering bij de verdachte is te verwachten en dat thans enkel, ter bescherming van de maatschappij én om de verdachte ertoe te bewegen zijn leven een betere invulling te gaan geven, oplegging van de ISD-maatregel passend is. Het antwoord op de vraag of voldoende is gekeken of de verdachte (ook anderszins) kan worden uitgezet, kan hier niet aan afdoen, reeds omdat thans niet vast staat dat de verdachte geen verblijfstitel in Nederland heeft. Bij de executie van de maatregel zal moeten worden bezien, hoe de invulling ervan gestalte moet worden gegeven.
Om de maatschappij zo lang mogelijk te beschermen en om het doorbreken van het hardnekkige delictpatroon zoveel mogelijk kans van slagen te geven, acht de rechtbank het aangewezen om de ISD-maatregel voor de maximale duur van 2 jaren op te leggen en de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht hierop niet in mindering te brengen.
7. De vorderingen tot tenuitvoerlegging
De vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 08.296636.25
Bij vonnis van 19 november 2025 is de verdachte door de politierechter van de rechtbank Overijssel onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren en de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
De vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18.274435.25
Bij vonnis van 28 oktober 2025 is de verdachte door de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen met aftrek van voorarrest, een proeftijd van twee jaren en de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Het standpunt van de officier van justitie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, indien een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd, de vorderingen tot tenuitvoerlegging moeten worden afgewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen in het geval dat de ISD-maatregel wordt opgelegd. Voor zover de rechtbank enkel de diefstal bewezen acht en daarvoor een gevangenisstraf oplegt, wordt verzocht de vorderingen af te wijzen gelet op de duur van het voorarrest. Voor zover de rechtbank ook de geweldshandeling bewezen acht en daarvoor een gevangenisstraf oplegt, kan de verdediging begrijpen dat de vorderingen worden toegewezen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich voor het einde van de respectievelijke proeftijden aan een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt en daarmee telkens de algemene voorwaarde heeft overtreden. De vorderingen tot tenuitvoerlegging liggen daarmee in beginsel voor toewijzing gereed. Gelet op het karakter van de ISD-maatregel die in de onderhavige strafzaak wordt opgelegd, acht de rechtbank het echter niet opportuun om de vorderingen tot tenuitvoerlegging toe te wijzen. De rechtbank zal de vorderingen van de officier van justitie dan ook om die reden afwijzen.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
Vordering tot tenuitvoerlegging
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Maatregel
- legt aan de verdachte op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.S. Vijn, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. K. Mestrom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Wolff, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2026.
Buiten staat
Mr. S.S. Vijn, mr. K. Mestrom en mr. S.J.M. Wolff zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 23 januari 2026 te Weert, een sixpack bier, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan de Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door zich los te rukken en/of een slaande beweging te maken in de richting van het gezicht van die [naam 2] ;